Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.3.2.4:3.3.2.4 Conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.3.2.4
3.3.2.4 Conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574754:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de rechter in beginsel slechts in concrete gevallen recht spreekt, kan hij in het kader van deze taak bovendien komen tot de vorming van regels met een algemener bereik: rechtsvorming. Het kan hierbij zowel gaan om de (verdere) concretisering, aanvulling of verfijning van het reeds bestaande recht, als om de vorming van geheel nieuwe regels. Aangenomen kan worden dat dit op zichzelf niet leidt tot een botsing met de taken van de wetgever. Naar huidige opvattingen is immers geen sprake meer van een werkelijke machtenscheiding tussen rechtsprekende en wetgevende macht, maar veeleer van een machtsevenwicht. Het is derhalve niet problematisch dat, naast de wetgever, ook de rechter tot op zekere hoogte een rechtsvormende taak vervult.
Deze rechtsvormende taak van de rechter is echter in meerdere opzichten begrensd. In de eerste plaats mist de rechter de 'rechtstreekse' democratische legitimatie van de wetgever en mag hij geen eigen politieke doelstellingen nastreven. Dit leidt tot een inhoudelijke begrenzing van zijn rechtsvormende taak: zoals ook tot uiting komt in de rechtspraak van de Hoge Raad, dient de rechter met name terug te treden in gevallen waarin de beantwoording van een bepaalde rechtsvraag afhangt van algemene overwegingen van overheidsbeleid of belangrijke keuzen van rechtspolitieke aard vergt. Dergelijke keuzen zijn in ons staatsbestel voorbehouden aan de wetgever. Ten tweede vloeien uit de kaders van de geschilbeslechtende procedure ook zekere grenzen van praktische aard voort. De rechter is door zijn gebondenheid aan de procedure immers niet in alle opzichten even goed toegerust als de wetgever om recht te kunnen vormen.