Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/8.3.2
8.3.2 A novel and bold idea: a new issuer disclosure rule
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS498757:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Levitt, Take on the Street (2002), p. 93: 'It made a deep impression on me when 1 saw that the industry comments were almost uniformly negative while the public comments were almost unifonnly positive.'
Uit diverse onderzoeken blijkt dat deze risico's zich niet of nauwelijks gerealiseerd hebben. Zie bijvoorbeeld Tishbi, Loyola of Los Angeles Law Review (2003), p. 1131-1154.
Ter illustratie geef ik enkele reacties van beleggers weer: '1 applaud your efforts to level the playing field.' en 'Do your job! Give hard-working people who get their money by `eaming it' an even break with the fixers of Wall Street.' Zie voor deze reacties www.sec.gov.
Zie 17 CFR 243.100-243.103. Zie ook Raaijmakers, TvE 2001, p. 55-58.
De uitkomst van het door de SEC uitgevoerde onderzoek leverde "a novel and bold idea" op om selectieve openbaarmaking door uitgevende instellingen van koersgevoelige informatie aan banden te leggen. De SEC wenste tegen dit fenomeen niet de Amerikaanse voorwetenschapswetgeving in stelling te brengen. Niet alleen omdat aan de haalbaarheid van een strafvervolging op deze grondslag werd getwijfeld, maar ook omdat werd gevreesd dat de inzet van de voorwetenschapswetgeving meer kwaad dan goed zou doen voor wat de kwaliteit van de informatievoorziening aan de effectenmarkt betreft. In reactie op de inzet van de voorwetenschapswetgeving zouden uitgevende instellingen er wel eens voor kunnen kiezen om zich bij de informatieverschaffmg aan de effectenmarkt voortaan terughoudender op te stellen. Om die reden heeft de SEC gekozen voor het opleggen aan uitgevende instellingen van een bijzondere openbaarmakingsplicht voor het geval koersgevoelige informatie op een selectieve wijze openbaar wordt gemaakt. Dat een toevlucht moest worden gezocht tot een bijzondere openbaarmakingsplicht voor uitgevende instellingen is eenvoudig te verklaren. Ik roep daartoe slechts in herinnering dat de federale effectenwetgeving van de USA — wonderlijk genoeg niet een voor uitgevende instellingen geldende algemene openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie kent (zie § 2.5).
De SEC heeft vervolgens ultimo 1999 een voorstel voor Regulation FD gepubliceerd. Dit voorstel heeft geleid tot meer dan 6.000 schriftelijke reacties van financiële instellingen, hun representatieve organisaties, uitgevende instellingen en beleggers. De reacties van fmanciële instellingen op het voorstel van de SEC waren nagenoeg allemaal negatief getoonzet.1 Marktpartijen waren ervoor bevreesd dat Regulation FD openbaarmaking van bedrijfsnieuws veeleer zou ontmoedigen dan aanmoedigen. Daarnaast werd gewezen op het gevaar van een toename van de marktvolatiliteit.2 Het voorstel van de SEC kon daarentegen wel op de onverdeelde steun van particuliere beleggers rekenen. Deze beleggers uitten er in hun reacties zelfs hun verbazing over dat de federale effectenwetgeving van de USA nog geen bescherming bood tegen het fenomeen van de selectieve contacten waarbij material nonpublic information wordt uitgewisseld.3 Naar aanleiding van een consultatieronde heeft de SEC de reikwijdte van het voorstel op een aantal punten aangepast. Daarmee is zij aan een aantal bezwaren van fmanciële instellingen en uitgevende instellingen tegemoet gekomen. Regulation FD is vervolgens op 23 augustus 2000 met een meerderheid van stemmen door de Commissioners van de SEC aangenomen en twee maanden later in werking getreden.4
Het belangrijkste voorschrift van Regulation FD is neergelegd in § 243.100(a). Dit voorschrift luidt als volgt:
"Whenever an issuer, or any person acting on its behalf, discloses any material nonpublic information regarding that issuer or its securities to any person described in paragraph (b)(1) of this section, the issuer shall make public disclosure of that information, as provided in § 243.101(e):
1. Simultaneously, in the case of an intentional disclosure; and
2. Promptly, in the case of a non-intentional disclosure."
Deze voor uitgevende instellingen geldende bijzondere openbaarmakingsplicht heeft vervolgens als voorbeeld gediend voor art. 6 lid 3, tweede alinea, van de Richtlijn marktmisbruik en art. 5:25i lid 5 Wft. Het voorschrift vertoont daarmee ook daadwerkelijk een treffende gelijkenis. Bij de hierna volgende bespreking van de diverse onderdelen van art. 5:25i lid 5 Wft zullen de meest relevante aspecten van Regulation FD op een rechtsvergelijkende wijze worden betrokken (zie § 8.4).