Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/7.3
7.3 Bewijs ten aanzien van de (hoegrootheid van de) schade (iii)
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS357056:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie meer uitgewerkt onder 6.3.2.
Art. 7:960 BW geeft, in samenhang met art. 7:944 BW, een omschrijving van het indemniteitsbeginsel zoals dit zich in de jurisprudentie van de Hoge Raad heeft ontwikkeld: de verzekerde zal krachtens de verzekering geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. Kenmerkend voor de ontwikkeling in de jurisprudentie is dat de arresten op grond van verschillen in de polisbepaling steeds verschillende resultaten kenden. Aan de hand van deze verschillende uitspraken, zijn de polisbepalingen (veelvuldig) aangepast. Ik zal op deze plaats de keur van uitspraken, die mede richting hebben gegeven bij de tekst van wet, zoals deze uiteindelijk in art. 7:960 BW is opgenomen, niet ingaan, maar me beperken tot een bespreking van de bewijsrechtelijke hoofdlijnen. Voor een opsomming van de uitspraken zij verwezen naar T&C Verzekeringsrecht, aant. 1 bij art. 7:960 BW.
Voor bedrijfsuitrusting/goederen gelden de mogelijkheden van vergoeding naar nieuwwaarde, kostprijs, vervangingswaarde of kosten van herstel, terwijl bij de goederentransportverzekering de zogenaamde rafactiemethode gevolgd kan worden. Zie voor een bespreking van een aantal waardebegrippen en vindplaatsen van verdere literatuur over de onderscheiden waardebegrippen A-G Asser (nr. 2.8 e.v.) in zijn conclusie voor HR 15 november 1991, NJ 1992, 473(Interkes), m.nt. MMM.
LJN : BB4568, CO2/246. Zie in vergelijkbare zin Rb. Amsterdam 10 oktober 1979, S&S 1980, 36: 'De rechtbank begrijpt het verweer van verzekeraar aldus dat zij stelt - en te bewijzen aanbiedt feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid - dat eiseres ten tijde van de brand op het punt stond om, met gebruikmaking van de haar daartoe verleende bouwvergunning met de door gedaagde genoemde voorwaarde, het afgebrande pand af te laten breken en daarvoor in de plaats een nieuwbouwpand te doen optrekken. Tot het bewijs van die feiten en omstandigheden kan zij worden toegelaten. Slaagt zij erin om het vereiste bewijs te leveren, dan zal immers worden aangenomen dat voor eiseres ten tijde van de brand de herbouwwaarde van het verbrande pand nihil bedroeg, zodat zij in het licht van het zgn. indemniteitsbeginsel door die brand geen schade heeft geleden. Het enkele vaststaan van - want door eiseres op zichzelf niet weersproken - nieuw-bouwplannen ontheft gedaagde niet van verplichting tot uitkering van de opstalschade.'
Bij de bewijswaardering heeft de rechtbank overwogen dat, waar zij in het tussenvonnis van 24 juli 1997 spreekt van een 'definitief en onomkeerbaar' besluit tot sloop, dit niet in letterlijke zin gelezen mag worden. Immers in dat geval zou de bewijsopdracht onmogelijk zijn, nu ervan uitgegaan moet worden dat geen enkel besluit 'definitief en onomkeerbaar' in letterlijke zin is. Zij heeft daarmee bedoeld een besluit tot sloop dat zo definitief is dat hoogst onwaarschijnlijk is dat op dat besluit in een later stadium nog wordt teruggekomer Grief II in het principaal appèl erover klaagt, dat de overweging van de rechtbank in haar eindvonnis dat de woorden 'definitief en onomkeerbaar' niet letterlijk mogen genomen omdat het bewijs daarvan anders niet te leveren zou zijn, inhoudelijk onjuist is omdat [verzekeraar] dat bewijs had kunnen leveren door bijvoorbeeld aan te tonen dat [verzekerde] een sloopbedrijf opdracht had gegeven tot de sloop van het pand. Deze grief wordt verworpen. Nog daargelaten dat ook een opdracht tot sloop strikt genomen niet onomkeerbaar is, vloeit uit deze grief - ook indien juist - nog niet voort dat de rechtbank bij de bewijswaardering in haar eindvonnis een onjuist criterium heeft gehanteerd. Voor zover de grief ervan uit gaat dat de woorden 'definitief en onomkeerbaar' in het tussenvonnis letterlijk zijn bedoeld en de rechtbank in haar eindvonnis terugkomt op een bindende eindbeslissing, mist de klacht feitelijke grondslag.
Zie ook Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 6.30 als ook Rb. Amsterdam 14 juni 2000, S&S 2004, 128 over een kostbaarhedenverzekering ('De bewijslast van de waarde, en dus van de inhoud van het ontvreemde pakket (met gouden juwelen, NvT) rust op [verzekerde]') en Rb Amsterdam 7 februari 1979, S&S 1981, 45 (verzekerde dient aan te tonen dat hij ten tijde van de diefstal het bedrag van f17 000 in huis had. Mede gezien de tegenstrijdige verklaringen omtrent de volgens hem gestolen contante gelden en hun herkomst stellen verzekeraars zich terecht op het standpunt dat verzekerde aan die voorwaarde niet naar behoren heeft voldaan; verzekerde dient mitsdien bewijs te leveren).
Hiervoor is bij de bespreking van het (nader) onderzoek en de beslissing van de verzekeraar al aan de orde gekomen de vraag naar de vaststelling van de hoegrootheid van de schade (zie 6.3.2). Daar bleek ook dat bewijsrechtelijk de beantwoording van die vraag - zeker bij zakelijke verzekeringen - in de regel geen problemen oplevert doordat de polisvoorwaarden een clausule bevatten op grond waarvan als uitsluitend bewijs van de hoegrootheid van de schade de taxatie door (een) gezamenlijk te benoemen expert(s) zal hebben te gelden. Daarbij is - naar algemeen wordt aangenomen - sprake van een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW en wel één ter beëindiging van onzekerheid of geschil omtrent die hoegrootheid van de door de verzekeraar te vergoeden schade.1 Dat nu betekent weer dat de vaststellingsovereenkomst ook dwingend recht opzij zet en daarmee ook het indemniteitsbeginsel, zoals neergelegd in art. 7:960 BW.2
Het voorgaande impliceert dat bewijsrechtelijk de aandacht zich dient te richten op de schaderegeling in het kader van polissen die de hierboven vermelde clausule niet bevatten. Doorgaans wordt in die polissen wel aangegeven welke waardemaatstaf als uitgangspunt wordt genomen. Zo hanteren de Nederlandse Beursvoorwaarden voor Brandverzekering (NBB 2006) als uitgangspunt voor verzekeringen voor gebouwen de herbouwwaarde, mits voldaan is aan een aantal voorwaarden.3 Het is onder die omstandigheden voor verzekerde in beginsel voldoende om te stellen dat zich een voorval heeft voorgedaan dat herbouw noodzakelijk maakt en dat hij aan de daaraan verbonden voorwaarden voldaan heeft. 'Gewoon' langs de lijnen van art. 150 Rv dus. Het is vervolgens aan verzekeraar om daartegenover aan te voeren en zonodig te bewijzen, dat wanneer schade tot deze hoogte wordt vergoed onder de polis, de verzekerde daardoor overeenkomstig het indemniteitsbeginsel in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. Denk aan de situatie dat de verzekeraar zich erop beroept dat verzekerde al vóór de schade het voornemen had het gebouw af te breken en dat hij op die grond niet gehouden is om meer te betalen dan de sloop-waarde, die slechts een fractie van de herbouwwaarde betreft. Op dit punt zal het - eveneens langs de lijnen van art. 150 Rv - aan verzekeraar zijn om zich ter (gedeeltelijke) bevrijding van zijn betalingsverplichting op deze dekkingsbeperking te beroepen en feiten of omstandigheden daaraan ten grondslag te leggen.
Illustratief voor een bewijslastverdeling in deze zin is het (tussen)vonnis van de Rechtbank Den Haag van 24 juli 1997 en van 22 november 2001 dat vervolgens door het Hof Den Haag bij arrest van 18 september 2007 is bekrachtigd.4 In het geding is een brandverzekering met dekking op basis van verkoopwaarde, respectievelijk herbouwwaarde van een woonhuis met bijbehorende schuren. De opstal wordt door brand grotendeels verwoest. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 24 juli 1997 geoordeeld dat voor vergoeding aan verzekerde van haar schade op basis van de verkoopwaarde respectievelijk herbouwwaarde van het pand, slechts dan geen plaats zou zijn als verzekerde ten tijde van de brand reeds had besloten het gebouw af te breken. De schade die verzekerde in dat geval in haar vermogen heeft geleden beperkt zich tot de extra sloopkosten, omdat dan moet worden aangenomen dat het gebouw voor haar geen waarde meer vertegenwoordigde, aldus de rechtbank. Het hof begrijpt deze overweging aldus, dat als verzekerde ten tijde van de brand reeds had besloten het gebouw af te breken, zij door een uitkering van de schade als gevolg van de brand op basis van de herbouwwaarde of verkoopwaarde van het pand in een duidelijk voordeliger positie zou raken, hetgeen onverenigbaar zou zijn met het aan het Nederlandse schadeverzekeringsrecht ten grondslag liggende indemniteitsbeginsel.
De bewijslast van de stelling dat verzekerde ten tijde van de brand tot sloop van het pand had besloten, heeft de rechtbank vervolgens op verzekeraar gelegd en daarbij heeft zij opgemerkt dat vast zal moeten komen te staan dat verzekerde definitief en onomkeerbaar tot die sloop had besloten, en dat het enkele ontwikkelen van plannen waarbij die sloop een rol speelt in dit verband onvoldoende is. Vervolgens heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 22 november 2001 geoordeeld dat verzekeraar in het op haar rustende bewijs is geslaagd, zodat verzekerde slechts recht kan doen gelden op de extra sloopkosten.5
Het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 10 oktober 1979 (vermeld in noot 130) vraagt voor de bewijslasttoedeling bijzondere aandacht als het gaat om de vergoeding van de inboedelschade waarop de verzekerde aanspraak maakt. Daarvoor kent de polis de navolgende clausule:
'Als waarde wordt de nieuwwaarde aangehouden d.w.z. de waarde van naar soort en kwaliteit gelijkwaardige nieuwe goederen. De dagwaarde wordt aangehouden voor:
- goederen onttrokken aan het gebruik waarvoor zij bestemd waren,
- goederen met een dagwaarde van minder dan 50% van de nieuwwaarde,
- goederen met antiquarische of zeldzaamheidswaarde,
- motorrijtuigen (waaronder bromfietsen), caravans, vaartuigen.'
Verzekerde vordert uitkering op basis van de door de expert getaxeerde nieuwwaarde voor een bedrag, groot f 24 814. Zij stelt daartoe dat weliswaar de door verzekeraar ingeschakelde expert de dagwaarde van alle verbrande goederen tezamen heeft getaxeerd op f11 329, dus op minder dan 50% van de nieuwwaarde, maar dat niet elk afzonderlijk voorwerp voor de brand een dagwaarde van minder dan 50% van de nieuwwaarde had. Omdat verzekeraar niet, zoals op zijn weg had gelegen, heeft aangetoond welke van de verloren gegane goederen een zo lage dagwaarde hadden, moet volgens haar, verzekerde, voorshands van een uitkering voor alle zaken op basis van nieuwwaarde worden uitgegaan. Op grond van bovengenoemde clausule handhaaft verzekeraar niettemin het standpunt dat op grondslag van de taxatie van alle goederen tezamen slechts het aldus op minder dan 50% van de totale nieuwwaarde becijferde bedrag behoeft uit te keren. De rechtbank volgt verzekeraar hierin niet:
'In deze controverse is het gelijk aan de zijde van verzekerde, indien en voorzover zal blijken (uit de door verzekeraar te produceren per verbrand voorwerp gespecificeerde opgave van de door haar aangetrokken expert), dat zich onder de verbrande inboedelgoederen voorwerpen bevonden met een hogere dagwaarde dan 50% van de nieuwwaarde. Uit de geciteerde polisvoorwaarde blijkt immers ondubbelzinnig dat de schadeuitkering met inachtneming van de nieuwwaarde zal worden vastgesteld, tenzij - voor zover hier van belang - t.a.v. afzonderlijke goederen een dagwaarde van minder dan 50% van die nieuwwaarde komt vast te staan. Tot overlegging van bedoelde opgave zal verzekeraar ter eerder genoemde comparitie van partijen in de gelegenheid zijn.'
Wat verwarrend is aan de door de rechtbank gekozen overweging, is dat zij niet een duidelijk oordeel geeft over de bewijslastverdeling. Uitgangspunt in algemene zin is vanzelfsprekend, dat het aan verzekerde is om de omvang van de schade als gevolg van waardevermindering of verlies van de verzekerde za(a)k(en) te bewijzen.6 Dat is evenwel anders ingeval een polisbepaling als de hiervoor geciteerde tussen partijen heeft te gelden. Deze bepaling kan immers niet anders gezien worden dan als een waardebepalingsmaatstaf ('waarde=nieuwwaarde') met een daarop geldende beperking ('geen nieuwwaarde indien .'). Het is onder deze opzet aan verzekeraar om per verbrand voorwerp te stellen en zo nodig - zoals hier, waar verzekerde het verweer van verzekeraar weerspreekt - te bewijzen welke voorwerpen onder die beperking vallen.