Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.2.3.1:10.2.3.1 De rekkelijke benadering in art. 7:39 lid 2 BW
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.2.3.1
10.2.3.1 De rekkelijke benadering in art. 7:39 lid 2 BW
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90788:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In de parlementaire geschiedenis wordt deze bepaling, die een afwijking vormt van het recht van reclame onder het BW (oud), niet toegelicht. TM, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7, p. 279; Fikkers 1992, p. 139.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Oneigenlijke vermenging kan ook een obstakel vormen voor de leverancier die het recht van reclame wil inroepen. Hij kan namelijk slechts de door hem geleverde zaken reclameren die onbetaald zijn. Heeft hij meerdere zaken geleverd en is een gedeelte van deze levering niet betaald, dan dient hij in beginsel bewijzen welke zaken onbetaald zijn om deze zaken te kunnen opeisen. Van deze zaken heeft hij namelijk door inroeping van het recht van reclame de eigendom herkregen. Van de betaalde zaken blijft de koper eigenaar. Kan de leverancier de onbetaalde zaken niet precies aanwijzen, dan lijkt oneigenlijke vermenging er in de strikte benadering toe te leiden dat de zaken niet gereclameerd kunnen worden.
Evenals bij het eigendomsvoorbehoud, kan echter ook een meer rekkelijke benadering worden gehanteerd. Deze benadering is bij het recht van reclame zelfs gecodificeerd in art. 7:39 lid 2 tweede zin BW. De wet geeft de leverancier de bevoegdheid om eendeel van het afgeleverde terug te vorderen. De leverancier hoeft niet precies aan te wijzen welk deel onbetaald is. Art. 7:39 lid 2 tweede zin BW bepaalt namelijk dat als een deel van de prijs van het geheel niet is betaald, de leverancier ‘een daaraan evenredig deel’ van het geleverde kan terugvorderen indien dit voor verdeling vatbaar is. Art. 7:39 lid 2 BW vult het individualiseringsvereiste dus minder strikt in.1