Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/265
Veroordeling wegens belediging van wethouder niet in strijd met art. 10 EVRM.
HR 04-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:171
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
4 februari 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer, R. Kuiper
- Zaaknummer
23/03573
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Staatsrecht / Grondrechten
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:171, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1034, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑04‑2024
- Wetingang
Essentie
Veroordeling wegens belediging van wethouder. Het hof kon de uitlatingen van verdachte beschouwen als niet meer dan een ongefundeerde persoonlijke aanval en oordelen dat verdachte niet te goeder trouw een op feiten gebaseerde bijdrage wilde leveren aan het publieke debat; geen ‘chilling effect’.
Samenvatting
Het recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling voor eenvoudige belediging niet in de weg als zo’n veroordeling een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Daarvan is in de regel sprake bij uitlatingen die ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.