HR, 04-02-2025, nr. 23/03573
ECLI:NL:HR:2025:171
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2025
- Zaaknummer
23/03573
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:171, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1034
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2806
ECLI:NL:PHR:2024:1034, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:171
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑04‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0046
NJ 2025/95 met annotatie van N. Rozemond
Mediaforum 2025-3, nr. 8 met annotatie van A.J. Nieuwenhuis
NTS 2025/17
Uitspraak 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Belediging van wethouder door gemeenteraadslid (meermalen gepleegd) door op Facebookpagina van politieke partij wethouder ervan te beschuldigen verantwoordelijk te zijn voor plegen van valsheid in geschrift, hem een “professionele pathologische leugenaar” te noemen en te stellen dat hij “over lijken gaat om zijn leugens te verbergen” en daarbij misbruik maakt van zijn positie en contacten, art. 266.1 Sr. Beroep op recht op vrijheid van meningsuiting, art. 10 EVRM. In art. 10 EVRM gegarandeerd recht op vrijheid van meningsuiting staat aan strafrechtelijke veroordeling voor eenvoudige belediging a.b.i. art. 266 Sr niet in de weg als zo’n veroordeling o.g.v. art. 10.2 EVRM toegelaten (bij wet voorziene, gerechtvaardigd doel dienende en daartoe in democratische samenleving noodzakelijke) beperking van vrijheid van meningsuiting vormt. Daarvan is in de regel sprake bij uitlatingen die aanzetten tot geweld, haat of discriminatie en onverdraagzaamheid, of uitlatingen die om andere redenen strijdig zijn met grondbeginselen van democratische rechtsstaat. Als het gaat om andere uitlatingen moet strafrechter (mede in het licht van rechtspraak van EHRM over art. 10 EVRM) bij beoordeling van strafbaarheid van uitlating wegens eenvoudige belediging in voorkomend geval rekening houden met (i) bewoordingen van die uitlating en vraag of sprake is van waardeoordeel of feitelijke beschuldiging, (ii) context waarin uitlating is gedaan, waaronder ook (functie van) persoon die uitlating deed en (functie van) persoon op wie uitlating betrekking heeft, (iii) manier van openbaarmaking van uitlating, (iv) vraag of uitlating een bijdrage kan leveren aan publiek debat of uiting is van artistieke expressie, en (v) vraag of uitlating onnodig grievend is. Bij beoordeling van vraag of uitlating onnodig grievend is, moet, als het gaat om uitlating door politicus i.h.k.v. publiek debat (politiek debat daaronder begrepen) onder ogen worden gezien enerzijds belang dat betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook verantwoordelijkheid die politicus in publiek debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met wet en met grondbeginselen van democratische rechtsstaat (vgl. HR:2014:3583). Tot slot moet strafrechter zich ervan rekenschap geven dat strafrechtelijk optreden als geheel (waaronder ook bestraffing) niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting. Hof heeft o.b.v. zijn vaststellingen geoordeeld dat uitlatingen van verdachte niet vallen onder bescherming van art. 10 EVRM en als belediging a.b.i. art. 266.1 Sr kunnen worden gekwalificeerd, nu uitlatingen geen bijdrage kunnen leveren aan publiek debat en er niet toe strekken oordeel te geven over behartiging van openbare belangen, maar “louter grievend” zijn en er enkel toe strekken betreffende wethouder in kwaad daglicht te zetten, en onmiskenbaar eer en goede naam van die wethouder aantasten. Daarmee heeft hof ten eerste tot uitdrukking gebracht dat het uitlatingen van verdachte, mede gelet op bewoordingen daarvan, beschouwt als niet meer dan ongefundeerde persoonlijke aanval op wethouder en ten tweede dat hof de verdediging niet volgde v.zv. aan haar betoog ten grondslag lag dat verdachte te goeder trouw een op feiten gebaseerde bijdrage wilde leveren aan publiek debat. ‘s Hofs oordelen geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn, ook in het licht van gevoerd verweer, niet onbegrijpelijk. Ook voor het overige blijkt niet dat hof (dat verdachte heeft veroordeeld tot taakstraf van 20 uren) het hiervoor weergegeven kader heeft miskend. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03573
Datum 4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 september 2023, nummer 20-002949-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Straten, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof het beroep van de verdachte op het in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 23 april 2021 tot en met 27 april 2021 te [plaats] , althans in Nederland, in het openbaar bij geschrift, opzettelijk [aangever] heeft beledigd, immers heeft hij, verdachte, op de facebookpagina "Fractie [verdachte] " berichten geplaatst met de volgende tekst:
- "De wethouder zal zich dan moeten verantwoorden voor valsheid in geschriften en liegen in de raad en ronde" en
- "Wethouder [aangever] is een professionele pathologische leugenaar" en
- "Wethouder [aangever] gaat over lijken om zijn leugens te verbergen. Daarvoor gebruikt hij lokale media, zijn loyale GOB leger, de coalitie, de secretaris, heel veel ambtenaren, een complete juridische afdeling en uiteraard burgemeesters die hem alle ruimte geven om zijn onaantastbare status te behouden".”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Proces-verbaal van aangifte d.d. 2 juni 2021 (...) voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
Ik doe aangifte van (...) opzettelijke belediging.
Ik maak deel uit van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [plaats] en ben wethouder. Als zodanig neem ik deel aan de raadsvergaderingen van de gemeente [plaats] . [verdachte] , de persoon tegen wie ik klacht doe, maakt deel uit van de gemeenteraad van de gemeente [plaats] .
Op 22 april 2021 vond behandeling plaats in de raadsvergadering. Tijdens deze raadsvergadering die openbaar was en dus voor publiek toegankelijk in welke vorm dan ook, werd door [verdachte] medegedeeld dat ik in het verleden rapporten vervalst had. Ook kondigde [verdachte] aan dat hij dit alles via sociale media ging delen. Ik zou in zijn ogen een blok aan het been zijn bij zaken als vertrouwen, misstanden en bestuurscultuur. Ook zou door mij voorstellen niet aan de gemeenteraad en het college zijn voorgelegd. Ook kondigde [verdachte] aan dat hij een deel van zijn bijdragen op Facebook ging delen omdat hij in de gemeenteraad c.q. het college geen gehoor vond.
(...)
Vervolgens uitte [verdachte] op sociale media Facebook middels de pagina’s [verdachte] en Fractie [verdachte] diverse uitingen over mij als wethouder dus ook als persoon. [verdachte] beticht mij van liegen en het bepalen van een bepaalde bestuurscultuur. Ook zegt [verdachte] op Facebook dat hij zich niet door corrupte bestuurders laat voorliegen of de mond snoeren. Hij doelt hierbij duidelijk op mij als persoon.
Ook moedigt Fractie [verdachte] het aan dat ik aangifte ga doen met de mededeling dat ik mij dan zal moeten verantwoorden voor het plegen van valsheid in geschrifte en liegen. In een ander bericht van Fractie [verdachte] word ik weggezet als pathologische leugenaar. Ik zou hierbij gebruik maken van alle middelen die mij ter beschikking staan om mijn gelijk te halen.
(...)
Ik voel mij door de uitlatingen die [verdachte] opzettelijk in een openbare raadsvergadering van de gemeente [plaats] gedaan heeft en door verhalen opzettelijk over mij te publiceren op voor iedereen toegankelijke Facebook sites, in mijn eer en goede naam aangerand. [verdachte] beticht mij ervan corrupt te zijn, rapporten van de gemeente [plaats] vervalst te hebben en de gemeenteraad te hebben voorgelogen. Ook zou ik een pathologische leugenaar zijn.
2. Een geschrift, te weten een hoeveelheid berichten op de Facebookpagina van de Fractie [verdachte] , (...) voor zover inhoudende:
(...)
Fractie [verdachte]
April 27 (het hof begrijpt: 27 april 2021).
Wethouder [aangever] is een professionele leugenaar.
(...)
Wethouder [aangever] gaat over lijken om zijn leugens te verbergen. Daarvoor gebruikt hij lokale media, zijn loyale GOB leger, de coalitie, de secretaris, heel veel ambtenaren, een complete juridische afdeling en uiteraard Burgemeesters die hem alle ruimte geven om zijn onaantastbare status te behouden.
(...)
Fractie [verdachte]
April 23 (het hof begrijpt 23 april 2021)
De wethouder zal zich dan moeten verantwoorden voor valsheid in geschriften en liegen in raad en ronde.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 november 2021 (...) voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
O: Opmerking verbalisant
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: We hebben u verteld waarvan u verdacht wordt, we houden u citaten uit de berichten voor van de facebook berichten.
V: Wie heeft deze berichten geschreven en online gezet?
A: Ik heb de facebookpagina’s Fractie [verdachte] en [verdachte] . Ik ben de enige beheerder van deze sites.
O: Dus alles wat daarop geschreven is, is door u geschreven. (...)
A: Dat klopt.
V: U schrijft ook op deze pagina's dat wethouder [aangever] (het hof begrijpt hier en telkens hierna: [aangever] ) een "professionele pathologische leugenaar" is?
A: Dat klopt, u zegt het goed het is wethouder [aangever] .”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte verklaart:
Ik heb de woorden op facebook geschreven nadat ik dit in de raadszaal had gezegd, maar daar werd mij het woord ontnomen. Het is allemaal ergens op gebaseerd. Er liggen meerdere dossiers aan ten grondslag. Ik sta achter deze woorden. [aangever] is al jaren niet al te best. Het begon al in 2018 met het [naam] dossier. Ik heb een aanklacht tegen hem ingediend, maar die is afgewezen. Ik heb de notulen laten zien onder het mom dat ik het niet mocht uitvechten in het strafrecht. U, voorzitter, vraagt mij of ik daar een procedure over heb gevoerd. Nee. Als je zo’n brief krijgt, word je daar ziek van. Het is een stukje machtsmisbruik. Ik ben daar goed ziek van geweest. Alles is voorgesproken. Ik kan nergens mijn klachten kwijt. Ik heb de woorden niet zomaar geroepen in de raadszaal. Er was een discussie ontstaan over het wel of niet vervalsen van documenten. Een collega gaf aan dat dat echt niet kon. Toen heb ik gerefereerd naar de notulen. Het was de verdediging op een stelling van het college. Volgens mij is dat politiek. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik het daarna wel op facebook heb geplaatst. Dat klopt, maar ik ben vrijgesproken van smaadschrift. U, voorzitter, houdt mij voor dat hetgeen ik heb geschreven niet zo vleiend is. Ik weet niet of het vleiend is, maar ik kan het wel onderbouwen.
(...)
De oudste raadsheer vraagt mij hoe ik mij zou voelen als de in de tenlastelegging genoemde berichten over mij zouden gaan en op facebook zouden worden geplaatst. Ik denk dat [aangever] voor hetere vuren heeft gestaan. Ik heb hem drie keer de kans gegeven. Er zijn tientallen berichten van [aangever] over mij verschenen waarbij ik een en ander moest uitleggen. Dat werkt van twee kanten. Ik heb hem tot drie keer toe de kans gegeven en hem geconfronteerd. Ik heb met mensen aan tafel gezeten die moesten huilen. [aangever] zegt dat er niets is misgegaan. Na mijn derde dossier heb ik gezegd ‘dan bent u een pathologische leugenaar’. Dat heb ik in de raadszaal gezegd en vervolgens op facebook geplaatst.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Het is dan dus de vraag welke eisen art. 10 EVRM aan een inperking van de vrijheid van meningsuiting stelt. In het tweede lid zijn drie voorwaarden opgenomen:
1. De inmenging moet bij wet voorzien zijn,
2. er moet een legitiem doel worden gediend en
3. de inmenging moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.
De eerste twee voorwaarden leveren in deze zaak geen probleem op. De discussie moet dan ook worden toegespitst op de derde voorwaarde. Volgens het EHRM spelen binnen de vraag of de inperking van de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk was in een democratische samenleving drie factoren een belangrijke rol. Er moet:
a. sprake zijn van een ‘pressing social need’ voor de beperking,
b. de beperking moet proportioneel zijn gelet op het beoogde doel en
c. de daarvoor aangevoerde redenen dienen “relevant and sufficient” te zijn.
Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat het enkele feit dat een uitlating grievend is nog niet voldoende is om tot de conclusie te komen dat er een ‘pressing social need’ is om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Dit grondrecht vormt volgens het Europese Hof een van de steunpilaren van een democratische samenleving. Daarom worden niet alleen uitlatingen die ‘inoffensive’ zijn door art. 10 EVRM beschermd, maar ook uitlatingen ‘that offend, shock or disturb the State or any sector of the population’. Dit heeft het Europese Hof overwogen in de zaak Handyside t. het Verenigd Koninkrijk:
(...)
Verder is het voor de onderhavige zaak van belang dat het Europese Hof in de zaak Castells t. Spanje heeft benadrukt dat politici in het bijzonder een sterke bescherming van hun uitingsvrijheid genieten. Het EHRM stelt:
“While freedom of expression is important for everybody, it is especially so for an elected representative of the people. He represents his electorate, draws attention to their preoccupations and defends their interests. Accordingly, interferences with the freedom of expression of an opposition Member of Parliament, like the applicant, call for the closest scrutiny on the part of the Court.”
In de Lindon zaak heeft het Europese Hof benadrukt dat er binnen het politieke debat of bij zaken van publiek belang zeer weinig ruimte is om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Vrijheid van expressie is in die context ‘of the utmost importance’. Dit werkt twee kanten op. Politici genieten zoals gezegd een bijzonder sterke bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Daar komt bij dat het ook van belang kan zijn dat de uitingen waar het om gaat zich richten op een politicus. Volgens het Europese Hof zijn ‘the limits of acceptable criticism’ namelijk ‘wider’ als er niet over een ‘private individual’ maar over een politicus wordt gesproken. Een politicus stelt zich namelijk bewust bloot aan ‘close scrutiny of his every word and deed by both journalists and the public at large’. Volgens het EHRM moet een politicus daarom ‘a greater degree of tolerance’ tonen.
Deze bijzondere bescherming van politieke uitlatingen is niet beperkt tot de politieke arena. Volgens het EHRM strekt deze bescherming zich ook uit tot uitingen die buiten het parlement zijn gedaan. Politieke zaken en zaken van algemeen belang moeten immers onder de aandacht van de bevolking kunnen worden gebracht:
(...)
Cliënt was actief als lokale politicus. Hij maakte deel uit van de oppositie. Vanuit die hoedanigheid heeft hij de uitlatingen over wethouder [aangever] op Facebook geplaatst. Hij heeft de berichten op de pagina van zijn fractie gepost. Cliënt heeft de opmerkingen gemaakt in het kader van het politieke debat. Hij vond het een kwestie van algemeen belang dat de integriteit van wethouder [aangever] bespreekbaar zou worden gemaakt. Cliënt wilde vermeende corruptie binnen de lokale politiek aan de kaak stellen. Tijdens zijn verhoor heeft cliënt aangegeven dat hij het als volksvertegenwoordiger als zijn plicht zag om het volk te informeren over het feit dat wethouder [aangever] leugens zou verkondigen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft cliënt daaraan toegevoegd dat hij zichzelf als een klokkenluider beschouwt. Hij stelt misstanden aan de kaak binnen de bestuurscultuur, omdat hij zich daar ernstige zorgen over maakt. Dat dit het doel was, blijkt ook uit de berichten die cliënt geplaatst heeft. Zo heeft hij het over ‘mijn strijd tegen deze bestuurscultuur van wethouder [aangever] ’ en geeft hij aan dat Fractie [verdachte] blijft vechten tegen fraude, vriendjespolitiek en machtsmisbruik.
Cliënt heeft de op de tenlastelegging genoemde uitlatingen dus gedaan als politicus in het kader van het politieke debat, met het doel om daarmee het algemeen belang te dienen. Uit de hiervoor besproken jurisprudentie van het Europese Hof blijkt dat een inperking van de vrijheid van meningsuiting in dat geval niet snel toelaatbaar is. Dat geldt te meer nu de uitlatingen betrekking hadden op een wethouder, een andere politicus dus. Een politicus moet volgens het EHRM meer tolereren dan een privé persoon.
Dan moet er nog een ander aspect van art. 10 EVRM worden besproken. Als de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting een spanning oplevert met het recht op privéleven van een persoon die beledigd wordt, acht het Europese Hof het voor de vraag of een inperking van art. 10 EVRM toelaatbaar is van belang dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen feitelijke oordelen en waardeoordelen. Feitelijke oordelen moeten in beginsel berusten op een toereikende feitelijke grondslag. Dat geldt niet voor waardeoordelen. Die zijn volgens het EHRM niet ‘susceptible of proof’. Van een verdachte kan in beginsel dus niet worden verwacht dat hij een waardeoordeel feitelijk onderbouwt, in dit geval moet dus worden bekeken of de tenlastegelegde uitlatingen als een feitelijk oordeel of als een waardeoordeel moeten worden aangemerkt.
Daarbij moet worden benadrukt dat het enkele feit dat een uitlating betrekking heeft op een gedraging, nog niet voldoende is om een uitlating als feitelijk oordeel aan te merken. (...)
Cliënt heeft wethouder [aangever] een leugenaar genoemd en hij heeft aangegeven dat de wethouder over lijken gaat om zijn leugens te verbergen, waarbij hij gebruik zou maken van verschillende personen. Deze verwijten leveren volgens de verdediging gelet op de algemene toon en het gebrek aan concretisering een waardeoordeel op. Het feit dat hierin een gedraging te herkennen zou kunnen zijn, doet daar niet aan af, zo blijkt uit de hiervoor besproken Europese jurisprudentie. Dit geldt volgens de verdediging ook voor de onder het eerste gedachtestreepje opgenomen beschuldiging dat wethouder [aangever] valsheid in geschrifte zou hebben gepleegd en dat hij zou hebben gelogen in de raad. Daar ligt wel een gedraging in besloten, maar ook deze beschuldiging is zeer algemeen van toon en in het geheel niet nader geconcretiseerd. (...)
Dan moet nog worden ingegaan op het punt dat een waardeoordeel volgens het EHRM wel van een ‘sufficient factual basis’ moet worden voorzien. In beginsel zijn waardeoordelen vrij en vereisen zij geen feitelijke onderbouwing. Ook niet in het geval dat die oordelen ‘shock, offend or disturb’. Wanneer een waardeoordeel echter niet berust op een ‘sufficient factual basis’, kan dit oordeel excessief zijn.
In deze zaak berustte de door cliënt geuite beschuldiging dat wethouder [aangever] valsheid in geschrifte had gepleegd en dat hij had gelogen wel op een ‘sufficient factual basis’. Cliënt heeft tijdens zijn verhoor namelijk uiteengezet waarop hij dit baseerde. Hij verklaart het volgende:
“Ook het [naam] dossier, ik was daar werkzaam en was ook werkzaam in de politiek, de filiaalmanager vroeg mij of ik eens kon kijken naar een vergunningsaanvraag die al 10 jaar in aanvraag bleef hangen en maar niet verstrekt werd. Er bleek een retail commissie doende mee, daar bleek de voorzitter van drie andere bouwmarkten te hebben. Dat ruikt naar het niet integer zijn van deze retail commissie welke advies geeft over welke bouwmarkten wel en niet mogen/kunnen uitbreiden. Ik maakte daaruit op dat daarom die aanvraag van [naam] zo lang bleef liggen, gezien de belangen van de voorzitter in deze retail commissie. Wethouder [aangever] had dat in zijn portefeuille en was eindverantwoordelijke hiervoor. Ik stond daar toen als vertegenwoordiger vanuit [naam] en niet als tegenstander van wethouder [aangever] . Ik heb toen het [...] rapport opgevraagd. De conclusie van het rapport betrof dat bouwmarkten mochten uitbreiden, echter bleek [naam] niet als bouwmarkt maar tuincentrum betiteld in het definitieve rapport. Uit het concept rapport bleek dat [naam] wel als bouwmarkt stond betiteld met dus de conclusie dat die mochten uitbreiden Dit is dus later aangepast voor het definitieve rapport. Dat leidde er toen naartoe dat ik wethouder [aangever] toen als verantwoordelijke voor heb gehouden en dat de retail commissie voorzitter niet integer was. Dat leidde tot politieke druk bij wethouder [aangever] .”
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft cliënt dit nog nader gespecificeerd. Hij heeft deze opmerking in het kader van het debat omtrent het Groene Net gemaakt. De wethouder had in de vergadering aangegeven dat conclusies uit het rapport omtrent het Groene Net niet beïnvloed konden worden. Cliënt heeft toen aangegeven dat dit in zijn visie in het verleden wel was gebeurd, namelijk binnen het [naam] dossier. Volgens cliënt had wethouder [aangever] binnen dat dossier valsheid in geschrifte gepleegd. Omdat binnen de discussie rondom het Groene Net werd aangegeven dat conclusies uit het rapport niet konden worden beïnvloed, vond cliënt het relevant om te benoemen dat dit volgens hem in het verleden binnen het [naam] dossier wel was gebeurd.
In eerste aanleg heeft de verdediging een pagina uit de notulen van het ‘ [naam] dossier’ overgelegd. Daarin staat aangegeven dat [naam] als bouwmarkt werd aangemerkt, maar dat dit gecorrigeerd moest worden en dat [naam] als tuincentrum moest worden geclassificeerd. Als bouwmarkt mocht [naam] uitbreiden, maar als tuincentrum niet. Omdat de voorzitter van de commissie zelf drie bouwmarkten had, kreeg cliënt op basis hiervan het vermoeden dat er niet integer was gehandeld. [aangever] was hier volgens cliënt eindverantwoordelijke voor. Op basis hiervan heeft hij [aangever] van valsheid in geschrifte beschuldigd.
Dit vormt volgens de verdediging een voldoende ‘factual basis’ voor de door cliënt geuite beschuldigingen. Daarbij dient in het achterhoofd te worden gehouden dat het hier om een waardeoordeel gaat. De waarheid van een waardeoordeel hoeft niet te worden bewezen. Het gaat er slechts om of de verdachte op basis van een ‘sufficient factual basis’ ‘in good faith’ tot het waardeoordeel kon komen. Dit is een terughoudende toets. Daarbij is het ook niet van belang of er juridisch gezien sprake was van valsheid van geschrifte en of kan worden aangetoond dat de wethouder daadwerkelijk heeft gelogen. Het EHRM stelt namelijk het volgende: ‘political debate does not require unanimous agreement on the interpretation of particular words’.
Volgens de verdediging was er in dit geval dus sprake van waardeoordelen die voorzien waren van een ‘sufficient factual basis’. In dat geval kan de uitingsvrijheid slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden ingeperkt.
Mocht u hier anders tegenaan kijken, in de zin dat de beschuldigingen volgens u als feitelijke oordelen moeten worden aangemerkt, of als waardeoordelen die niet van een voldoende feitelijke grondslag waren voorzien, dan geldt nog het volgende. Het EHRM aanvaardt in sommige gevallen een uitzondering op de regel dat feitelijke oordelen en waardeoordelen in meer of mindere mate van een feitelijke basis moeten worden voorzien. (...)
Dus als de beschuldigingen worden geuit binnen de context van een levendig politiek debat op lokaal niveau, dan hoeven dezen niet te berusten op ‘a clear basis in fact’. Deze uitzonderingsgrond doet zich in dit geval voor. Cliënt diende als lokale politicus een grote vrijheid te genieten en mocht ook beschuldigingen uiten jegens de wethouder zonder dat dit berustte op een feitelijke grondslag.
Uiteindelijk dienen volgens het EHRM alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de in de tenlastelegging opgenomen beschuldigingen als waardeoordelen moeten worden aangemerkt en dat deze op een voldoende feitelijke grondslag waren gebaseerd. Bovendien deed zich hier de door het EHRM beschreven uitzonderingssituatie voor waarin beschuldigingen niet van een wettelijke basis hoeven te worden voorzien. Mocht u hier anders tegenaan kijken, dan dient te worden benadrukt dat het ten onrechte ontbreken van een voldoende feitelijke grondslag niet meteen tot de conclusie dient te leiden dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting in dit geval niet in strijd is met art. 10 EVRM. Er dient naar het gehele plaatje te worden gekeken. Het feit dat het EHRM ten aanzien van uitlatingen die zijn gedaan in het politieke debat met het oog op het algemeen belang en ten aanzien van beschuldigingen die jegens een politicus worden geuit een terughoudende opstelling voorschrijft, dient ook te worden meegewogen. Verder dient er acht te worden geslagen op het feit dat de toon van de beschuldigingen niet bijzonder excessief is en dat cliënt de wethouder slechts ‘kaal’ een verwijt heeft gemaakt van valsheid in geschrifte en liegen. Tot slot dient te worden benadrukt dat een beperking van art. 10 EVRM in dit geval zou bestaan uit een strafrechtelijke veroordeling. Lidstaten dienen volgens het EHRM ‘restraint’ te tonen als een beperking van de vrijheid van meningsuiting zou bestaan uit een strafrechtelijke veroordeling.
“268. While the Court accepts, in principle, a criminal response to acts of defamation, it has however held that the dominant position of the State institutions requires the authorities to show restraint in resorting to criminal proceedings (Morice v. France [GC], § 176; De Carolis and France Télévisions v. France, § 44; Otegi Mondragon v. Spain, § 58; Incal v. Turkey, § 54; Öztürk v. Turkey [GC], § 66). It recommends, if necessary, that they resort to other types of measures, such as civil and disciplinary remedies (Raichinov v. Bulgaria, § 50; Ceylan v. Turkey [GC], § 34)”.
Alles afwegende kom ik tot de conclusie dat er in dit geval geen sprake is van een ‘pressing social need’ om de vrijheid van meningsuiting in te perken, en dat een eventuele beperking niet proportioneel zou zijn gelet op het beoogde doel. Dat betekent dat de inperking van de vrijheid van meningsuiting niet noodzakelijk is in een democratische samenleving, zodat de inperking niet op grond van het tweede lid van art. 10 EVRM gerechtvaardigd kan worden geacht.”
2.2.5
Het hof heeft over het beroep op artikel 10 EVRM overwogen:
“Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft, voor zover nog aan de orde, op gronden zoals nader in de pleitnota vermeld, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem subsidiair tenlastegelegde belediging. Daartoe is samengevat aangevoerd dat een strafrechtelijke veroordeling ter zake van belediging in strijd zou zijn met artikel 10 EVRM. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte de uitlatingen heeft gedaan in het kader van het publieke debat en dat hij zich daarbij niet onnodig grievend heeft uitgelaten. Hij heeft een waardeoordeel over wethouder [aangever] geveld, maar heeft daarbij geen gebruik gemaakt van scheldwoorden. De context waarin de uitlatingen door de verdachte zijn gedaan, leidt er aldus toe dat geen sprake is van strafbare belediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat het in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting niet aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 Sr in de weg staat indien zo een veroordeling op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van de uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is (vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541).
Het recht op vrijheid van meningsuiting wordt naar Nederlands recht onder meer begrensd door de strafbaarstelling van belediging in artikel 266 Sr. Artikel 266, tweede lid Sr bepaalt dat niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.
Deze strafbaarstelling valt dus onder de beperkingen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid EVRM: de beperking is voorzien bij de wet, dient een gerechtvaardigd doel en is daartoe in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte op 23 april 2021 en 27 april 2021 op de Facebook-pagina van Fractie [verdachte] een drietal berichten heeft geplaatst, te weten: ‘Wethouder [aangever] is een professionele leugenaar’, ‘Wethouder [aangever] gaat over lijken om zijn leugens te verbergen. Daarvoor gebruikt hij lokale media, zijn loyale GOB leger, de coalitie, de secretaris, heel veel ambtenaren, een complete juridische afdeling en uiteraard Burgemeesters die hem alle ruimte geven om zijn onaantastbare status te behouden’ alsmede 'De wethouder zal zich dan moeten verantwoorden voor valsheid in geschriften en liegen in raad en ronde’.
Het hof is van oordeel dat de berichten van de verdachte geen bijdragen kunnen leveren aan het publieke of maatschappelijke debat en niet ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, hetgeen onder de bescherming van artikel 10 EVRM en artikel 266, tweede lid, Sr valt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de berichten eenzijdige uitlatingen van de verdachte betreffen die zonder enige context of onderbouwing op een openbare facebookpagina zijn geplaatst. Ze nodigen derhalve geenszins uit tot een publiek debat en geven wethouder [aangever] ook geen handvatten zich daartegen gemotiveerd teweer te stellen. De berichten zijn naar het oordeel van het hof louter grievend, strekken ertoe wethouder [aangever] in een kwaad daglicht te zetten en tasten onmiskenbaar de eer en goede naam van die [aangever] aan.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer in alle onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het hof verwijst voor wat betreft de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en hetgeen de raadsman daarover heeft aangevoerd naar het hiervoor overwogene. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.”
- Artikel 10 EVRM in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
2.4.1
Het, onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling voor eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 Sr niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.
2.4.2
Daarvan is in de regel sprake bij uitlatingen die aanzetten tot geweld, haat of discriminatie en onverdraagzaamheid, of uitlatingen die om andere redenen strijdig zijn met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat.
2.4.3
Als het gaat om andere uitlatingen moet de strafrechter – mede in het licht van de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over artikel 10 EVRM – bij de beoordeling van de strafbaarheid van een uitlating wegens eenvoudige belediging in voorkomend geval rekening houden met (i) de bewoordingen van die uitlating en de vraag of sprake is van een waardeoordeel of een feitelijke beschuldiging, (ii) de context waarin de uitlating is gedaan, waaronder ook (de functie van) de persoon die de uitlating deed en (de functie van) de persoon op wie de uitlating betrekking heeft, (iii) de manier van openbaarmaking van de uitlating, (iv) de vraag of de uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie, en (v) de vraag of de uitlating onnodig grievend is.Bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, moet, als het gaat om een uitlating door een politicus in het kader van het publieke debat – het politieke debat daaronder begrepen – onder ogen worden gezien enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. (Vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583.)Tot slot moet de strafrechter zich ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden als geheel – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
2.4.4
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van de vrijheid van meningsuiting van een politicus die zich uitlaat over (laakbaar) gedrag van een andere politicus heeft het EHRM in zijn uitspraak van 28 juli 2020, nr. 53028/14 (Monica Macovei tegen Roemenië) overwogen:
“72. In this connection, the Court reiterates that freedom of expression constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and for each individual’s self-fulfilment. Subject to paragraph 2 of Article 10, it is applicable not only to “information” or “ideas” that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no “democratic society”. As set forth in Article 10, this freedom is subject to exceptions, which must, however, be construed strictly, and the need for any restrictions must be established convincingly (see, among other authorities, Perna v. Italy [GC], no. 48898/99, § 39 (a), ECHR 2003 V; and Paraskevopoulos v. Greece, no. 64184/11, § 29, 28 June 2018).
73. The test of whether the interference was “necessary in a democratic society” requires the Court to determine whether it corresponded to a “pressing social need”. The Contracting States have a certain margin of appreciation in assessing whether such a need exists, but it goes hand in hand with European supervision, embracing both legislation and the decisions applying it, even those given by an independent court. The Court is therefore empowered to give the final ruling on whether a “restriction” is reconcilable with freedom of expression as protected by Article 10 (see, for example, Tuşalp v. Turkey, nos. 32131/08 and 41617/08, § 41, 21 February 2012; and Paraskevopoulos, cited above, § 30).
74. The Court’s task in exercising its supervisory function is not to take the place of the competent domestic courts, but rather to review under Article 10 the decisions they have taken pursuant to their power of appreciation. In particular, the Court must determine whether the reasons adduced by the national authorities to justify the interference were “relevant and sufficient” and whether the measure taken was “proportionate to the legitimate aims pursued”. In doing so, the Court has to satisfy itself that the national authorities applied standards which were in conformity with the principles embodied in Article 10 and, moreover, that they relied on an acceptable assessment of the relevant facts (see Lindon, Otchakovsky-Laurens and July v. France [GC], nos. 21279/02 and 36448/02, § 45, ECHR 2007 IV; and Frisk and Jensen v. Denmark, no. 19657/12, § 51, 5 December 2017).
75. In this connection, the Court reiterates that in order to assess the justification of an impugned statement, a distinction needs to be made between statements of fact and value judgments. While the existence of facts can be demonstrated, the truth of value judgments is not susceptible of proof. The requirement to prove the truth of a value judgment is impossible to fulfil and infringes freedom of opinion itself, which is a fundamental part of the right secured by Article 10. The classification of a statement as a fact or as a value judgment is a matter which in the first place falls within the margin of appreciation of the national authorities, in particular the domestic courts. However, even where a statement amounts to a value judgment, there must exist a sufficient factual basis to support it, failing which it will be excessive (see, Pedersen and Baadsgaard v. Denmark [GC], no. 49017/99, § 76, ECHR 2004 XI; Makraduli v. the former Yugoslav Republic of Macedonia, nos. 64659/11 and 24133/13, § 62, 19 July 2018; and Paraskevopoulos, cited above, § 32). In exercising its supervisory jurisdiction, the Court must look at the impugned interference in the light of the case as a whole, including the status of the applicant and that of the plaintiff in the domestic proceedings, the content of the critical comments held against the applicant, as well as the context and the manner in which they were made public (see Lykin v. Ukraine, no. 19382/08, § 25, 12 January 2017; and Makraduli, cited above, § 62), bearing in mind that assertions about matters of public interest may, on that basis, constitute value judgments rather than statements of fact (see Makraduli, cited above, § 62) and that an applicant clearly involved in a public debate on an important issue is required to fulfil a no more demanding standard than that of due diligence as in such circumstances an obligation to prove the factual statements may deprive him or her of the protection afforded by Article 10 (see Makraduli, cited above, § 75, with further references).
76. When called upon to examine the necessity of an interference in a democratic society in the interests of the “protection of the reputation or rights of others”, the Court may be required to ascertain whether the domestic authorities struck a fair balance when protecting two values guaranteed by the Convention which may come into conflict with each other in certain cases, namely, on the one hand, freedom of expression protected by Article 10, and on the other, the right to respect for private life enshrined in Article 8 (see Axel Springer AG v. Germany [GC], no. 39954/08, § 84, 7 February 2012). In order for Article 8 to come into play, however, an attack on a person’s reputation must attain a certain level of seriousness and be carried out in a manner causing prejudice to personal enjoyment of the right to respect for private life (see Axel Springer AG, cited above, § 83; and Bédat v. Switzerland [GC], no. 56925/08, § 72, ECHR 2016).
77. Where the right to freedom of expression is being balanced against the right to respect for private life, the relevant criteria laid down in the Court’s case-law include: (a) contribution to a debate of general interest; (b) how well known the person concerned is and what the subject of the report was; (c) prior conduct of the person concerned; (d) method of obtaining the information and its veracity; (e) content, form and consequences of the report and (f) severity of the sanction imposed (see Von Hannover v. Germany (no. 2) [GC], nos. 40660/08 and 60641/08, §§ 108-13, ECHR 2012; Axel Springer AG, cited above, §§ 89-95, Satakunnan Markkinapörssi Oy and Satamedia Oy v. Finland [GC], no. 931/13, §§ 165-66, ECHR 2017 (extracts); and Falzon v. Malta, no. 45791/13, § 55, 20 March 2018).
78. As regards, in particular, protection of the rights of politicians, the Court has held that while freedom of expression is important for everybody, it is especially so for elected representatives of the people. They represent the electorate, draw attention to their preoccupations and defend their interests. Accordingly, interferences with their freedom of expression call for the closest scrutiny on the part of the Court (see Castells v. Spain, 23 April 1992, § 42, Series A no. 236; Lombardo and Others v. Malta, no. 7333/06, § 53, 24 April 2007; and Lewandowska-Malec v. Poland, no. 39660/07, § 60, 18 September 2012).
79. The Court has also held that a distinction has to be made between private individuals and persons acting in a public context, as political figures or public figures. Accordingly, whilst a private individual unknown to the public may claim particular protection of his or her right to private life, the same is not true of public figures in respect of whom limits of critical comment are wider, as they are inevitably and knowingly exposed to public scrutiny and must therefore display a greater degree of tolerance (see Milisavljević v. Serbia, no. 50123/06, § 34, 4 April 2017; and Prunea v. Romania, no. 47881/11, § 30, 8 January 2019). A politician is certainly entitled to have his reputation protected, even when he is not acting in his private capacity, but in such cases the requirements of that protection have to be weighed against the interests of the open discussion of political issues (see, among other authorities, Lykin, cited above, § 26).
80. The Court has also held that Article 10 of the Convention does not, however, guarantee a wholly unrestricted freedom of expression even in respect of coverage of matters of serious public concern. Under the terms of paragraph 2 of the Article the exercise of this freedom carries with it “duties and responsibilities”, which are liable to assume significance when there is a question of attacking the reputation of private individuals and undermining the “rights of others”. Thereby, the information conveyed on issues of general interest is subject to the proviso that the party concerned is acting in good faith in order to provide accurate and reliable information (see Barata Monteiro da Costa Nogueira and Patrício Pereira v. Portugal, no. 4035/08, § 31, 11 January 2011, with further references; and Kurski v. Poland, no. 26115/10, § 56, 5 July 2016).
81. Lastly, the Court reiterates that where the national authorities have weighed up the freedom of expression with the right to private life in compliance with the criteria laid down in the Court’s case-law, strong reasons are required if it is to substitute its view for that of the domestic courts (see Von Hannover, cited above, § 107; Axel Springer AG, cited above, § 88; and Frisk and Jensen v. Denmark, cited above, § 54).”
2.5
Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging het verweer, zoals weergegeven onder 2.2.3 en 2.2.4, gevoerd dat een strafrechtelijke veroordeling van de verdachte in strijd zou zijn met artikel 10 EVRM. Wat betreft de context van de uitlatingen houdt dit verweer in de kern in dat een ander dan de wethouder, namelijk de voorzitter van een retail commissie, niet integer zou hebben gehandeld bij het opstellen van een adviesrapport over een vergunningsaanvraag van een bedrijf waar de verdachte in het verleden werkzaam was. Omdat de verdachte de vermeende corruptie binnen de lokale politiek aan de kaak wilde stellen, beschuldigde hij wethouder [aangever] ervan verantwoordelijk te zijn voor het plegen van valsheid in geschrift.
2.6.1
Het hof heeft het gevoerde verweer verworpen en in dat verband vastgesteld dat de verdachte – die lid is van de gemeenteraad [plaats] – op de openbare Facebookpagina “Fractie [verdachte] ” een wethouder van die gemeente heeft beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor het plegen van een misdrijf, te weten valsheid in geschrift, hem onder meer een “professionele pathologische leugenaar” heeft genoemd en heeft gesteld dat hij “over lijken gaat om zijn leugens te verbergen” en daarbij, kort gezegd, misbruik maakt van zijn positie en contacten. Het hof heeft verder vastgesteld dat deze beschuldigingen “zonder enige context of onderbouwing” op die openbare Facebookpagina zijn geplaatst.
2.6.2
Op deze vaststellingen heeft het hof zijn oordeel gebaseerd dat de uitlatingen van de verdachte niet vallen onder de bescherming van artikel 10 EVRM en als belediging in de zin van artikel 266 lid 1 Sr kunnen worden gekwalificeerd, nu de uitlatingen geen bijdrage kunnen leveren aan het publieke debat en er niet toe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, maar “louter grievend” zijn en er enkel toe strekken de betreffende wethouder in een kwaad daglicht te zetten, en onmiskenbaar de eer en goede naam van die wethouder aantasten.Daarmee heeft het hof ten eerste tot uitdrukking gebracht dat het de uitlatingen van de verdachte, mede gelet op de bewoordingen daarvan, beschouwt als niet meer dan een ongefundeerde persoonlijke aanval op de wethouder en ten tweede dat het hof de verdediging niet volgde voor zover aan haar betoog ten grondslag lag dat de verdachte te goeder trouw een op feiten gebaseerde bijdrage wilde leveren aan het publieke debat. Deze oordelen van het hof geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn, ook in het licht van het gevoerde verweer, niet onbegrijpelijk. Ook voor het overige blijkt niet dat het hof – dat de verdachte heeft veroordeeld tot een taakstraf van twintig uren – het onder 2.4 weergegeven kader heeft miskend.
2.7
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.
Conclusie 08‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Belediging (art. 266 Sr) van een wethouder door een gemeenteraadslid. Het middel klaagt dat de veroordeling van de verdachte voor belediging in strijd is met art. 10 EVRM en faalt, omdat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zijn aantijgingen niet heeft voorzien van voldoende feitelijke basis niet onbegrijpelijk is. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03573
Zitting 8 oktober 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 4 september 2023 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, wegens "eenvoudige belediging, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
1.4
Voordat ik aan de bespreking van het middel toekom, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de bewijsoverwegingen van het hof en, voor zover relevant, de ter terechtzitting overgelegde pleitnota weer.
2. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 23 april 2021 tot en met 27 april 2021 te [plaats] , althans in Nederland, in het openbaar bij geschrift, opzettelijk [aangever] heeft beledigd, immers heeft hij, verdachte, op de facebookpagina "Fractie [verdachte] " berichten geplaatst met de volgende tekst:
- "De wethouder zal zich dan moeten verantwoorden voor valsheid in geschriften en liegen in de raad en ronde” en
- "Wethouder [aangever] is een professionele pathologische leugenaar" en
- "Wethouder [aangever] gaat over lijken om zijn leugens te verbergen. Daarvoor gebruikt hij lokale media, zijn loyale GOB leger, de coalitie, de secretaris, heel veel ambtenaren, een complete juridische afdeling en uiteraard burgemeesters die hem alle ruimte geven om zijn onaantastbare status te behouden".”
2.2
Het hof heeft in het arrest de volgende bewijsmiddelen opgenomen (met weglating van verwijzingen naar dossierpagina’s):
“1.
Proces-verbaal van aangifte d.d. 2 juni 2021 (…) voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
Ik doe aangifte van (...) opzettelijke belediging.
Ik maak deel uit van het college van Burgemeester en Wethouders van de [plaats] en ben Wethouder. Ais zodanig neem ik deel aan de raadsvergaderingen van de [plaats] . [verdachte] , de persoon tegen wie ik klacht doe, maakt deel uit van de gemeenteraad van de [plaats] .
Op 22 april 2021 vond behandeling plaats in de raadsvergadering. Tijdens deze raadsvergadering die openbaar was en dus voor publiek toegankelijk in welke vorm dan ook, werd door [verdachte] medegedeeld dat ik in het verleden rapporten vervalst had. Ook kondigde [verdachte] aan dat hij dit alles via sociale media ging delen. Ik zou in zijn ogen een blok aan het been zijn bij zaken als vertrouwen, misstanden en bestuurscultuur. Ook zou door mij voorstellen niet aan de gemeenteraad en het college zijn voorgelegd. Ook kondigde [verdachte] aan dat hij een deel van zijn bijdragen op Facebook ging delen omdat hij in de gemeenteraad c.q. het college geen gehoor vond.
(…)
Vervolgens uitte [verdachte] op sociale media Facebook middels de pagina’s [verdachte] en Fractie [verdachte] diverse uitingen over mij als wethouder dus ook als persoon. [verdachte] beticht mij van liegen en het bepalen van een bepaalde bestuurscultuur. Ook zegt [verdachte] op Facebook dat hij zich niet door corrupte bestuurders laat voorliegen of de mond snoeren. Hij doelt hierbij duidelijk op mij als persoon.
Ook moedigt Fractie [verdachte] het aan dat ik aangifte ga doen met de mededeling dat ik mij dan zal moeten verantwoorden voor het plegen van valsheid in geschrifte en liegen. In een ander bericht van Fractie [verdachte] word ik weggezet als pathologische leugenaar. Ik zou hierbij gebruik maken van alle middelen die mij ter beschikking staan om mijn gelijk te halen.
(...)
Ik voel mij door de uitlatingen die [verdachte] opzettelijk in een openbare raadsvergadering van de [plaats] gedaan heeft en door verhalen opzettelijk over mij te publiceren op voor iedereen toegankelijke Facebook sites, in mijn eer en goede naam aangerand. [verdachte] beticht mij ervan corrupt te zijn, rapporten van de [plaats] vervalst te hebben en de gemeenteraad te hebben voorgelogen. Ook zou ik een pathologische leugenaar zijn.
2. Een geschrift, te weten een hoeveelheid berichten op de Facebookpagina van de Fractie [verdachte] , (…) voor zover inhoudende:
(…)
Fractie [verdachte]
April 27 (het hof begrijpt: 27 april 2021).
Wethouder [aangever] is een professionele leugenaar.
(…)
Wethouder [aangever] gaat over lijken om zijn leugens te verbergen. Daarvoor gebruikt hij lokale media, zijn loyale GOB leger, de coalitie, de secretaris, heel veel ambtenaren, een complete juridische afdeling en uiteraard Burgemeesters die hem alle ruimte geven om zijn onaantastbare status te behouden.
(…)
(…)
Fractie [verdachte]
April 23 (het hof begrijpt 23 april 2021)
De wethouder zal zich dan moeten verantwoorden voor valsheid in geschriften en liegen in raad en ronde.
3.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 november 2021 (…) voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
O: Opmerking verbalisant
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: We hebben u verteld waarvan u verdacht wordt, we houden u citaten uit de berichten voor van de facebook berichten.
V: Wie heeft deze berichten geschreven en online gezet?
A: Ik heb de facebookpagina’s. Fractie [verdachte] en [verdachte] . Ik ben de enige beheerder van deze sites.
O: Dus alles wat daarop geschreven is, is door u geschreven.(...)
A: Dat klopt.
V: U schrijft ook op deze pagina's dat wethouder [aangever] (het hof begrijpt hier en telkens hierna: [aangever]) een '’professionele pathologische leugenaar" is?
A: Dat klopt, u zegt het goed het is wethouder [aangever] .”
2.3
Voorts heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen:
“Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft, voor zover nog aan de orde, op gronden zoals nader in de pleitnota vermeld, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem subsidiair tenlastegelegde belediging. Daartoe is samengevat aangevoerd dat een strafrechtelijke veroordeling ter zake van belediging in strijd zou zijn met artikel 10 EVRM. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte de uitlatingen heeft gedaan in het kader van het publieke debat en dat hij zich daarbij niet onnodig grievend heeft uitgelaten. Hij heeft een waardeoordeel over wethouder [aangever] geveld, maar heeft daarbij geen gebruik gemaakt van scheldwoorden. De context waarin de uitlatingen door de verdachte zijn gedaan, leidt er aldus toe dat geen sprake is van strafbare belediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat het in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting niet aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 Sr in de weg staat indien zo een veroordeling op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van de uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is (vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541).
Het recht op vrijheid van meningsuiting wordt naar Nederlands recht onder meer begrensd door de strafbaarstelling van belediging in artikel 266 Sr. Artikel 266, tweede lid Sr bepaalt dat niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.
Deze strafbaarstelling valt dus onder de beperkingen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid EVRM: de beperking is voorzien bij de wet, dient een gerechtvaardigd doel en is daartoe in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte op 23 april 2021 en 27 april 2021 op de Facebook-pagina van Fractie [verdachte] een drietal berichten heeft geplaatst, te weten: ‘Wethouder [aangever] is een professionele leugenaar’, ‘Wethouder [aangever] gaat over lijken om zijn leugens te verbergen. Daarvoor gebruikt hij lokale media, zijn loyale GOB leger, de coalitie, de secretaris, heel veel ambtenaren, een complete juridische afdeling en uiteraard Burgemeesters die hem alle ruimte geven om zijn onaantastbare status te behouden’ alsmede 'De wethouder zal zich dan moeten verantwoorden voor valsheid in geschriften en liegen in raad en ronde’.
Het hof is van oordeel dat de berichten van de verdachte geen bijdragen kunnen leveren aan het publieke of maatschappelijke debat en niet ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, hetgeen onder de bescherming van artikel 10 EVRM en artikel 266, tweede lid, Sr valt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de berichten eenzijdige uitlatingen van de verdachte betreffen die zonder enige context of onderbouwing op een openbare facebookpagina zijn geplaatst. Ze nodigen derhalve geenszins uit tot een publiek debat en geven wethouder [aangever] ook geen handvatten zich daartegen gemotiveerd teweer te stellen. De berichten zijn naar het oordeel van het hof louter grievend, strekken ertoe wethouder [aangever] in een kwaad daglicht te zetten en tasten onmiskenbaar de eer en goede naam van die [aangever] aan.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer in alle onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverkIaarde
Het hof verwijst voor wat betreft de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en hetgeen de raadsman daarover heeft aangevoerd naar het hiervoor overwogene. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.”
2.4
Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte verweer gevoerd aan de hand van een op schrift gestelde en aan het hof overgelegde pleitnota. Daarvan zijn de volgende passages relevant:
“In deze zaak berustte de door cliënt geuite beschuldiging dat wethouder [aangever] valsheid In geschrifte had gepleegd en dat hij had gelogen wel op een ‘sufficient factual basis’. Cliënt heeft tijdens zijn verhoor namelijk uiteengezet waarop hij dit baseerde. Hij verklaart het volgende:
"Ook het [naam] dossier, ik was daar werkzaam en was ook werkzaam in de politiek, de filiaalmanager vroeg mij of ik eens kon kijken naar een vergunningsaanvraag. Die al 10 jaar in aanvraag bleef hangen en maar niet verstrekt werd. Er bleek een retail commissie doende mee, daar bleek de voorzitter van drie andere bouwmarkten te hebben. Dat ruikt naar het niet integer zijn van deze Retail commissie welke advies geeft over welke bouwmarkten wel en niet mogen/kunnen uitbreiden. Ik maakte daaruit op dat daarom die aanvraag van de [naam] zo lang bleef liggen, gezien de belangen van de voorzitter in deze Retail commissie, Wethouder [betrokkene 1] had dat in zijn portefeuille en was eindverantwoordelijke hiervoor. Ik stond daar toen als vertegenwoordiger vanuit [naam] en niet als tegenstander van wethouder [betrokkene 1] . Ik heb toen het […] rapport opgevraagd. De conclusie van het rapport betrof dat bouwmarkten mochten uitbreiden, echter bleek [naam] niet als bouwmarkt maar tuincentrum betiteld in het definitieve rapport. Uit het concept rapport bleek dat [naam] wel als bouwmarkt stond betiteld met dus de conclusie dat die mochten uitbreiden Dit is dus later aangepast voor het definitieve rapport. Dat leidde er toen naartoe dat ik wethouder [betrokkene 1] toen als verantwoordelijke voor heb gehouden en dat de retail commissie voorzitter niet integer was. Dat leidde tot politieke druk bij wethouder [betrokkene 1] ."
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft cliënt dit nog nader gespecificeerd. Hij heeft deze opmerking in het kader van het debat omtrent het Groene Net gemaakt. De wethouder had in de vergadering aangegeven dat conclusies uit het rapport omtrent het Groene Net niet beïnvloed konden worden. Cliënt heeft toen aangegeven dat dit in zijn visie in het verleden wel was gebeurd, namelijk binnen het [naam] dossier. Volgens cliënt had wethouder [aangever] binnen dat dossier valsheid in geschrifte gepleegd. Omdat binnen de discussie rondom het Groene Net werd aangegeven dat conclusies uit het rapport niet konden worden beïnvloed, vond cliënt het relevant om te benoemen dat dit volgens hem in het verleden binnen het [naam] dossier wel was gebeurd.
In eerste aanleg heeft de verdediging een pagina uit de notulen van het ‘ [naam] dossier’ overgelegd. Daarin staat aangegeven dat de [naam] als bouwmarkt werd aangemerkt, maar dat dit gecorrigeerd moest worden en dat de [naam] als tuincentrum moest worden geclassificeerd. Als bouwmarkt mocht [naam] uitbreiden, maar als tuincentrum niet. Omdat de voorzitter van de commissie zelf drie bouwmarkten had, kreeg cliënt op basis hiervan het vermoeden dat er niet integer was gehandeld. [aangever] was hier volgens cliënt eindverantwoordelijke voor. Op basis hiervan heeft hij [aangever] van valsheid in geschrifte beschuldigd.”
3. Het middel
3.1
Het middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het beroep op de bijzondere exceptie uit art. 266 lid 2 Sr1.op grond waarvan belediging niet strafbaar is indien deze ertoe strekt een oordeel te geven ter behartiging van openbare belangen en er niet op is gericht ook in een ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit de strekking voortvloeit. Daarnaast is de inperking van verdachtes vrijheid van meningsuiting volgens de steller van het middel niet noodzakelijk in een democratische samenleving, zodat zijn veroordeling tevens in strijd is met art. 10 EVRM.
3.2
In de toelichting op het middel wordt daartoe samengevat het volgende aangevoerd. In de eerste plaats heeft het hof niet duidelijk uiteengezet of het de uitlatingen van de verdachte als een feitelijk oordeel of een waardeoordeel heeft aangemerkt, hetgeen van belang is, omdat uit de EHRM-jurisprudentie volgt dat waardeoordelen, in tegenstelling tot feitelijke oordelen, niet hoeven te worden onderbouwd. Zij hoeven, zo meent de steller van het middel, slechts te worden voorzien van een sufficient factual basis.2.Dat maakt dat de overweging van het hof dat de uitlatingen van de verdachte geen bijdrage kunnen leveren aan het publieke debat en er niet toe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, omdat deze niet zijn onderbouwd, getuigt van een te strenge en onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de strekking van art. 10 EVRM. Volgens de steller van het middel zijn de aantijgingen die de verdachte heeft geuit aan te merken als waardeoordelen en had het hof dus moeten onderzoeken of deze oordelen zijn gestoeld op een sufficient factual basis. Het hof had de verdachte hierbij in de gelegenheid moeten stellen om zijn beschuldigingen te onderbouwen. Ook had het hof de context waarin deze uitingen zijn gedaan in zijn oordeel moeten betrekken. In dit verband merkt de steller van het middel op dat de aangever in deze zaak een politicus is en de opmerkingen van de verdachte over diens vermeende corruptie een onderwerp is van publiek belang, hetgeen meebrengt dat art. 10 EVRM verregaande bescherming biedt. Tot slot getuigt de verwerping door het hof van het door de verdediging gedane beroep op art. 266 lid 2 Sr van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk, wederom omdat een veroordeling strijdig is met art. 10 EVRM waardoor het tweede lid van art. 266 Sr had moeten worden toegepast.
Het juridische kader
3.3
In mijn conclusie voor het arrest van 10 april 20183.heb ik het juridische kader dat volgt uit art. 266 Sr en art. 10 EVRM uiteengezet. Gemakshalve citeer ik uit deze conclusie de volgende passage (met weglating van verwijzingen):
“4.1.
De Hoge Raad hanteert in zijn jurisprudentie over art. 266 Sr (eenvoudige belediging) en art. 137c Sr (groepsbelediging) een beslissingsschema, dat aansluit bij het drie-stappenplan dat het EHRM hanteert bij de beoordeling van klachten over schendingen van de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd in art. 10 EVRM. Op grond daarvan kan bij de bespreking van de middelen worden vooropgesteld dat het hof in de onderhavige zaak achtereenvolgens de volgende vragen diende te beantwoorden:
(i)
of de uitlatingen van de verdachte — op zichzelf gezien of gelet op de context waarin deze zijn gedaan — de strekking hadden om [A] bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam;
(ii)
of de uitlatingen van de verdachte — voor zover het oordeel ten aanzien van het onder (i) genoemde criterium bevestigend luidt — werden gedaan in een context die het beledigende karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in art. 10, eerste lid, EVRM verzekerde recht op vrijheid van meningsuiting casu quo de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 266, tweede lid, Sr;
(iii)
en of de uitlatingen van de verdachte — voor zover het oordeel ten aanzien van het onder (ii) genoemde criteria bevestigend luidt — niettemin onnodig grievend moeten worden geacht.
4.1.1.
Van belang is verder dat zowel bij de vraag of een uitlating op zichzelf beledigend is als bij de vraag of deze uitlating in het kader van art. 10 EVRM toelaatbaar moet worden geacht (vraag ii), de “context” waarin deze uitlating is gedaan relevant is. Daarbij dient de weging van de context bij de eerste vraag een ander doel dan de weging ervan bij de tweede vraag. Een uitlating, die op zichzelf niet beledigend hoeft te zijn, kan dat gelet op de context wel zijn. Zo achtte de Hoge Raad het in aanwezigheid van anderen uitmaken van een politieagent voor “mafkees” of “mierenneuker” gelet op deze context beledigend want kennelijk bedoeld om deze politieagenten in hun eer en goede naam aan te tasten. Ook iemand die stottert op stotterende wijze aanspreken in het bijzijn van derden kan als beledigend worden beschouwd, als dat gebeurt met geen ander doel dan de ander te kwetsen.
4.1.2.
Bij de toetsing aan art. 10 EVRM (vraag ii) heeft de context vooral betrekking op de vraag of het gaat om uitlatingen, die zijn gedaan een publiek of maatschappelijk debat. Als dat het geval is, dan kunnen volgens vaste jurisprudentie van het EHRM ook uitingen die “offend, shock or disturb” bescherming van art. 10 EVRM genieten. Deze jurisprudentie is door de Hoge Raad in die zin in de zijne verwerkt dat indien een uitlating gedaan is in het kader van het publieke debat, door die omstandigheid de strafbaarheid van de uitlating kan vervallen. Het publieke debat omvat in deze jurisprudentie niet alleen het politieke debat over maatschappelijke vragen binnen de politieke arena, zoals in casu de gemeenteraad, maar ook daarbuiten zoals uitingen die (in het verlengde daarvan) gedaan worden in een interview met de media of tijdens demonstraties. In het huidige Twittertijdperk mag veilig worden aangenomen dat het publieke debat, waarvan het politieke debat deel uitmaakt, ook via de zogenaamde social media plaatsvindt.”
3.4
Voorts is van belang dat uit de Straatsburgse jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van de vraag of een veroordeling voor een uitingsdelict in strijd is met art. 10 EVRM een onderscheid moet worden gemaakt tussen factual statements en value judgements.4.Hoewel het onderscheid tussen de twee categorieën niet altijd even gemakkelijk te maken is als het gaat om aantijgingen die betrekking hebben op het gedrag van een derde,5.kan uit de rechtspraak van het EHRM worden opgemaakt dat de omstandigheden van het geval en de toon van de aantijgingen bepalend zijn bij het afbakenen van de twee categorieën, waarbij in acht moet worden genomen dat stellingen die zijn ingenomen over zaken die het publiek belang betreffen sneller als waardeoordelen dan als feitelijke oordelen zullen worden aangemerkt.6.
3.5
Met betrekking tot waardeoordelen is van belang dat deze niet kunnen worden ‘bewezen’ en het verlangen van bewijs van een dergelijk oordeel in strijd is met art. 10 EVRM.7.Echter, een waardeoordeel moet wel worden voorzien van een sufficient factual basis en dus op feiten zijn gebaseerd.8.Hierbij geldt: hoe zwaarder de aantijging hoe sterker de feitelijke basis moet zijn. Dat geldt vooral als het gaat om beschuldigingen van strafbare feiten. Dan mag een onderbouwing daarvoor worden verwacht.9.Met betrekking tot de factual basis voor een waardeoordeel is voorts nog van belang dat het niet zo is dat de feitelijke onderbouwing moet zijn opgenomen in de uitlating zelf. In hoeverre er een verband moet zijn tussen het waardeoordeel en de feiten waarop dit is gebaseerd verschilt per geval.10.Het is tevens van belang dat de verdachte of (in civiele zaken) de gedaagde de kans krijgt om zijn waardeoordeel te onderbouwen.11.
3.6
Gaat het om een politicus dan moet volgens het EHRM zijn belang op bescherming worden afgewogen tegen het belang van een open discussie van politieke kwesties.12.Ook valt uit deze jurisprudentie af te leiden dat een politicus, als afgevaardigde van het volk, een grote mate van vrijheid heeft om zich te uiten over publieke zaken. Dit brengt met zich mee dat inbreuk op zijn vrijheid van meningsuiting, zeker als het gaat om een politicus die in de oppositie zit, streng wordt getoetst.13.
3.7
Tot slot verdient opmerking dat de aard en zwaarte van de aan de verdachte opgelegde (strafrechtelijke) sanctie(s) van belang zijn bij de beoordeling van de evenredigheid van de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting.14.Daarbij kan zich ook bij zeer geringe sancties een schending van art. 10 EVRM voordoen.15.
Bespreking van het middel
3.8
Waartoe leidt het voorgaande in de onderhavige zaak?
3.9
De verdachte is gemeenteraadslid en door het hof veroordeeld voor belediging van een andere politicus, namelijk de wethouder. Als de uiting kan worden gekwalificeerd als waardeoordeel dan zal een veroordeling wegens belediging als snel in strijd komen met van art. 10 EVRM, tenzij het waardeoordeel elke feitelijke grondslag ontbeert.
3.10
Het hof heeft conform het geldende stappenplan geoordeeld dat de bewoordingen van de aantijgingen grievend zijn en ertoe strekken de aangever in een kwaad daglicht te stellen en dat deze zijn eer en goede naam aantasten. Daarin ligt besloten dat het hof de aantijgingen als beledigend heeft aangemerkt (stap 1). Voorts heeft het hof geoordeeld dat de context waarin de aantijgingen zijn gedaan het beledigende karakter hiervan niet wegneemt, in welk verband het hof heeft overwogen dat art. 10 EVRM zich niet verzet tegen een veroordeling voor belediging, omdat de berichten zonder enige context of onderbouwing op een openbare internetpagina zijn geplaatst (stap 2). Op deze laatste stap richt zich het middel.
3.11
Ook als ik met de steller van het middel aanneem dat de aantijgingen waardeoordelen zijn, dan volg ik de steller van het middel niet dat deze van voldoende feitelijke basis zijn voorzien. Uit het verweer van de verdediging zoals weergegeven onder randnummer 2.4 van deze conclusie wordt niet duidelijk wat de wethouder zou hebben gedaan om enige grondslag te bieden aan de door de verdachte geuite beschuldigingen. Daaruit blijkt slechts dat de verdachte de aangever verantwoordelijk houdt voor niet integer handelen van de voorzitter van de retail commissie. Het kennelijke oordeel van het hof om deze onderbouwing niet als voldoende feitelijke basis voor de beschuldigingen aan te merken, vind ik derhalve niet onbegrijpelijk.
3.12
In de overwegingen van het hof lees ik evenmin dat het van de verdachte heeft geëist dat hij zijn beschuldigingen bewijst, maar slechts dat hij deze van enige feitelijke onderbouwing zou voorzien. Dat heeft hij nagelaten.
3.13
Ook de vergelijking met de zaken Gorelishvili t. Georgië16.en Brasilier t. Frankrijk17.gaat niet op. In deze zaken was er steeds wel sprake van enige feitelijke grondslag voor de beschuldigingen.18.
3.14
Het voorgaande brengt met zich mee dat naar mijn oordeel het middel faalt voor zover het klaagt dat art. 10 EVRM is geschonden. Nu de klacht over verwerping van het beroep op de exceptie van art. 266 lid 2 Sr volledig is gestoeld op de stelling dat art. 10 EVRM is geschonden, brengt het voorgaande mee dat ook deze klacht faalt.
4. Slotsom
4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑10‑2024
De steller van het middel gebruikt de term suffiient legal basis gebezigd, maar ik neem aan dat het hier wederom om een verschrijving gaat.
HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282, m.nt. Dommering.
EHRM 8 juli 1986, nr. 9815/82 (Lingens t. Oostenrijk), rov. 46 en EHRM 23 mei 1991, nr. 11662/85 (Oberschlick t. Oostenrijk), rov. 63.
EHRM 4 oktober 2010, nr. 29784/06 (Fleury t. Frankrijk), rov. 49.
EHRM 23 april 2015, nr. 29369/10 (Morice t. Frankrijk), rov. 126.
EHRM 5 september 2007, nr. 12979/04 (Gorelishvili t. Georgië), rov. 38.
EHRM 15 februari 2008, nr. 12556/03 (Pfeifer t. Oostenrijk), rov. 46. Zie ook EHRM 27 mei 2001, nr. 26958/95 (Jerusalem t. Oostenrijk), rov. 43. In deze zaak was hieraan voldaan, zie rov. 45.
EHRM 11 april 2011, nr. 4035/08 (Barata Monteiro da Costa Nogueira en Patricio Pereira t. Porutgal), rov. 38 en EHRM 4 oktober 2010, nr. 29784/06 (Fleury t. Frankrijk), rov. 50.
EHRM 12 oktober 2001, nr. 29032/95 (Feldek t. Slovenië), rov. 86.
EHRM 23 april 2015, nr. 29369/10 (Morice t. Frankrijk), rov. 155.
EHRM 23 mei 1991, nr. 11662/85 (Oberschlick t. Oostenrijk), rov. 59.
EHRM 23 april 1992, nr. 11798/85 (Castells t. Spanje), rov. 42; EHRM 27 mei 2001, nr. 26958/95 (Jerusalem t. Oostenrijk), rov. 36; en EHRM 24 juli 2007, nr. 7333/06 (Lombardo e.a. t. Malta), rov. 53.
EHRM 11 juli 2006, nr. 71343/01 (Brasilier t. Frankrijk), rov. 43. In deze zaak ging het om een symbolische boete van één frank. Zie voor een geval waarin het ene gemeenteraadslid het andere gemeenteraadslid beledigd had door hem racist te noemen het arrest HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282, m.nt. Dommering. De HR achtte in dit geval dat gezien de context waarin deze uitlatingen waren gedaan, te weten door een gemeenteraadslid aansluitend aan een in de gemeenteraad gevoerd debat waarin hij de aangever discriminatoir optreden verweet, het oordeel van het hof dat de door de verdachte gebezigde uitlatingen onnodig grievend zijn, zonder nadere motivering, die ontbrak, niet begrijpelijk.
EHRM 5 september 2007, nr. 12979/04 (Gorelishvili t. Georgië).
EHRM 11 juli 2006, nr. 71343/01 (Brasilier t. Frankrijk).
Zie in de zaak Gorelishvili t. Georgië randnummer 40 en in de zaak Brasilier t. Frankrijk randnummer 38.
Beroepschrift 26‑04‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienr.: 23/03573
CASSATIESCHRIFTUUR
INZAKE:
[verdachte],
Advocaat: mr. T. Straten
Wilhelminasingel 97
Postbus 3084
(6202 NB Maastricht).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, mr. T. Straten, advocaat te Maastricht, door requirant tot cassatie bepaaldelijk gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van deze cassatieschriftuur, heeft de eer het navolgende middel van cassatie voor te stellen:
I.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of de niet-naleving zodanige nietigheid met zich meebrengt, in het bijzonder van art. 359, derde lid, Sv, art. 266, tweede lid, Sv en art. 10 EVRM, doordat het hof bewezen heeft verklaard dat requirant in de periode van 23 april 2021 tot en met 27 april 2021 te [a-plaats] in het openbaar bij geschrift opzettelijk [aangever] heeft beledigd en het hof het beroep op de bijzondere exceptie uit het tweede lid van art. 266 Sv heeft verworpen, terwijl de inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting van requirant niet noodzakelijk is in een democratische samenleving, zodat de veroordeling van requirant in strijd is met art. 10 EVRM, uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er sprake was van belediging in de zin van art. 266 Sr en de verwerping van het beroep op de bijzondere exceptie uit het tweede lid van art. 266 Sv door het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Voor zover het hof geoordeeld heeft dat de inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting van requirant in dit geval wel noodzakelijk was in een democratische samenleving, omdat de in de bewezenverklaring genoemde berichten eenzijdige uitlatingen van requirant betreffen die zonder enige context of onderbouwing op een openbare facebookpagina zijn geplaatst, zodat zij geenszins uitnodigen tot een publiek debat en wethouder [aangever] ook geen handvatten geven zich daartegen gemotiveerd teweer te stellen, zodat die berichten louter grievend zijn, ertoe strekken om wethouder [aangever] in een kwaad daglicht te zetten en onmiskenbaar de eer en goede naam van die [aangever] aantasten, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dat oordeel niet begrijpelijk. Het hof heeft hiermee tot uitdrukking heeft gebracht dat de inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting van requirant noodzakelijk was in een democratische samenleving, omdat requirant zijn uitlatingen niet onderbouwd heeft. Daarbij heeft het hof niet duidelijk gemaakt of de uitlatingen als een waardeoordeel of een feitelijk oordeel moeten worden gezien, terwijl volgens het EHRM wel onderscheid moet worden gemaakt tussen feitelijke oordelen en waardeoordelen, omdat waardeoordelen niet onderbouwd hoeven te worden en het daarom voldoende is als een waardeoordeel op een ‘sufficient legal basis’ berust. Op basis van de jurisprudentie van het EHRM kan worden geconcludeerd dat de uitlatingen van requirant als waardeoordelen moete worden aangemerkt, omdat de toon van de berichten algemeen van aard is. Het hof had dan moeten beoordelen of de berichten gelet op de context waarin de berichten waren geplaatst waren berustten op een ‘sufficient legal basis’. Het hof heeft echter geen acht geslagen op de overige inhoud van de op Facebook geplaatste berichten waar de in de bewezenverklaring genoemde uitlatingen deel van uitmaakten. Bovendien heeft het hof geen acht geslagen op de bredere politieke context waarin requirant de uitlatingen heeft gedaan, terwijl uit de voor het bewijs gebezigde aangifte wel blijkt dat de berichten deel uitmaakten van een bredere politieke context, aangezien aangever [aangever] heeft verklaard dat requirant tijdens een openbare raadsvergadering had medegedeeld dat [aangever] in het verleden rapporten vervalst had en dat hij dit via sociale media ging delen. Het EHRM heeft benadrukt dat politici in het kader van art. 10 EVRM een vergaande bescherming van hun vrijheid van meningsuiting genieten. Bovendien dient de vrijheid van meningsuiting volgens het EHRM niet snel te worden ingeperkt als de betreffende uitlatingen betrekking hebben op een politicus. Als er uitlatingen worden gedaan in het kader van een politiek debat, kan het recht op vrijheid van meningsuiting volgens het EHRM ook als de uitlatingen niet gebaseerd zijn op ‘a clear basis of fact’ niet snel worden ingeperkt. In casu zijn de uitlatingen gedaan in het kader van een politiek debat, aangezien requirant zijn uitlatingen als politicus over [aangever] in zijn hoedanigheid als wethouder heeft gedaan. Tot slot heeft het EHRM benadrukt dat een inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting niet snel noodzakelijk in een democratische samenleving kan worden geacht als die inperking bestaat uit een strafrechtelijke veroordeling. Dit tezamen maakt dat de overweging van het hof dat de inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting van requirant noodzakelijk in een democratische samenleving is omdat requirant zijn uitlatingen zonder nadere onderbouwing op een openbare Facebook pagina heeft geplaatst getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.
Toelichting:
In hoger beroep heeft ondergetekende namens requirant betoogd dat requirant niet voor de subsidiair tenlastegelegde eenvoudige belediging kon worden veroordeeld, omdat een veroordeling onverenigbaar zou zijn met art. 10 EVRM. Dat betoog viel onder te verdelen in een aantal punten. Allereerst heeft ondergetekende bij de bespreking van het primair ten laste gelegde betoogd dat volgens requirant art. 10 EVRM zou worden geschonden als hij strafrechtelijk veroordeeld zou worden voor de in de tenlastelegging genoemde uitlatingen:
‘Art. 10 EVRM
Voor het geval dat u wel tot een bewezenverklaring van smaad zou komen, zal ik nu ingaan op het principiële punt of het recht op vrijheid van meningsuiting in dit geval met zich meebrengt dat cliënt niet veroordeeld kan worden voor smaad. We moeten dan kijken naar artikel 10 van het EVRM. In dat artikel is het recht op vrijheid van meningsuiting vastgelegd. Dat recht is niet absoluut, er kunnen uitzonderingen op worden gemaakt. Maar dan moet wel zijn voldaan aan de voorwaarden uit het tweede lid. Is dat niet het geval, dan kan er geen veroordeling voor smaad volgen, nu art. 10 EVRM op grond van artikel 94 van de Grondwet voorrang heeft op de nationale wet. Art. 10 EVRM functioneert in die zin binnen de Nederlandse rechtsorde als kwalificatie uitzonderingsgrond. Als de beperking van de vrijheid van meningsuiting niet op grond van het tweede lid van art. 10 EVRM gerechtvaardigd kan worden geacht, kan het bewezenverklaarde niet worden gekwalificeerd als smaad. Er dient dan ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
Het is dan dus de vraag welke eisen art. 10 EVRM aan een inperking van de vrijheid van meningsuiting stelt. In het tweede lid zijn drie voorwaarden opgenomen:
- 1.
De inmenging moet bij wet voorzien zijn,
- 2.
er moet een legitiem doel worden gediend en
- 3.
de inmenging moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.
De eerste twee voorwaarden leveren in deze zaak geen probleem op. De discussie moet dan ook worden toegespitst op de derde voorwaarde. Volgens het EHRM spelen binnen de vraag of de inperking van de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk was in een democratische samenleving drie factoren een belangrijke rol. Er moet:
- a.
Sprake zijn van een ‘pressing social need’ voor de beperking,
- b.
de beperking moet proportioneel zijn gelet op het beoogde doel en
- c.
de daarvoor aangevoerde redenen dienen ‘relevant and sufficient’ te zijn.
Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat het enkele feit dat een uitlating grievend is nog niet voldoende is om tot de conclusie te komen dat er een ‘pressing social need’ is om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Dit grondrecht vormt volgens het Europese Hof een van de steunpilaren van een democratische samenleving. Daarom worden niet alleen uitlatingen die ‘inoffensive’ zijn door art. 10 EVRM beschermd, maar ook uitlatingen ‘that offend, shock or disturb the State or any sector of the population’. Dit heeft het Europese Hof overwogen in de zaak Handyside t. het Verenigd Koninkrijk:
‘The Court's supervisory functions oblige it to pay the utmost attention to the principles characterising a ‘democratic society’. Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of such a society, one of the basic conditions for its progress and for the development of every man. Subject to paragraph 2 of Article 10 (art. 10-2), it is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no ‘democratic society’. This means, amongst other things, that every ‘formality’, ‘condition’, ‘restriction’ or ‘penalty’ imposed in this sphere must be proportionate to the legitimate aim pursued.’
Verder is het voor de onderhavige zaak van belang dat het Europese Hof in de zaak Castells t. Spanje heeft benadrukt dat politici in het bijzonder een sterke bescherming van hun uitingsvrijheid genieten. Het EHRM stelt:
‘While freedom of expression is important for everybody, it is especially so for an elected representative of the people. He represents his electorate, draws attention to their preoccupations and defends their interests. Accordingly, interferences with the freedom of expression of an opposition Member of Parliament, like the applicant, call for the closest scrutiny on the part of the Court.’
In de Lindon zaak heeft het Europese Hof benadrukt dat er binnen het politieke debat of bij zaken van publiek belang zeer weinig ruimte is om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Vrijheid van expressie is in die context ‘of the utmost importance’. Dit werkt twee kanten op. Politici genieten zoals gezegd een bijzonder sterke bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Daar komt bij dat het ook van belang kan zijn dat de uitingen waar het om gaat zich richten op een politicus. Volgens het Europese Hof zijn ‘the limits of acceptable criticism’ namelijk ‘wider’ als er niet over een ‘private individual’ maar over een politicus wordt gesproken. Een politicus stelt zich namelijk bewust bloot aan ‘close scrutiny of his every word and deed by both journalists and the public at large’. Volgens het EHRM moet een politicus daarom ‘a greater degree of tolerance’ tonen.
Deze bijzondere bescherming van politieke uitlatingen is niet beperkt tot de politieke arena. Volgens het EHRM strekt deze bescherming zich ook uit tot uitingen die buiten het parlement zijn gedaan. Politieke zaken en zaken van algemeen belang moeten immers onder de aandacht van de bevolking kunnen worden gebracht:
‘In the case under review Mr Castells did not express his opinion from the senate floor as he might have done without fear of sanctions, but chose to do so in a periodical. That does not mean, however, that he lost his right to criticise the Government.
In this respect, the pre-eminent role of the press in a State governed by the rule of law must not be forgotten. Although it must not overstep various bounds set, inter alia, for the prevention of disorder and the protection of the reputation of others, it is nevertheless incumbent on it to impart information and ideas on political questions and on other matters of public interest. Freedom of the press affords the public one of the best means of discovering and forming an opinion of the ideas and attitudes of their political leaders. In particular, it gives politicians the opportunity to reflect and comment on the preoccupations of public opinion; it thus enables everyone to participate in the free political debate which is at the very core of the concept of a democratic society.’
Cliënt was actief als lokale politicus. Hij maakte deel uit van de oppositie. Vanuit die hoedanigheid heeft hij de uitlatingen over wethouder [aangever] op Facebook geplaatst. Hij heeft de berichten op de pagina van zijn fractie gepost. Cliënt heeft de opmerkingen gemaakt in het kader van het politieke debat. Hij vond het een kwestie van algemeen belang dat de integriteit van wethouder [aangever] bespreekbaar zou worden gemaakt. Cliënt wilde vermeende corruptie binnen de lokale politiek aan de kaak stellen. Tijdens zijn verhoor heeft cliënt aangegeven dat hij het als volksvertegenwoordiger als zijn plicht zag om het volk te informeren over het feit dat wethouder [aangever] leugens zou verkondigen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft cliënt daaraan toegevoegd dat hij zichzelf als een klokkenluider beschouwt. Hij stelt misstanden aan de kaak binnen de bestuurscultuur, omdat hij zich daar ernstige zorgen over maakt. Dat dit het doel was, blijkt ook uit de berichten die cliënt geplaatst heeft. Zo heeft hij het over ‘mijn strijd tegen deze bestuurscultuur van wethouder [aangever]’ en geeft hij aan dat Fractie [verdachte] blijft vechten tegen fraude, vriendjespolitiek en machtsmisbruik.
Cliënt heeft de op de tenlastelegging genoemde uitlatingen dus gedaan als politicus in het kader van het politieke debat, met het doel om daarmee het algemeen belang te dienen. Uit de hiervoor besproken jurisprudentie van het Europese Hof blijkt dat een inperking van de vrijheid van meningsuiting in dat geval niet snel toelaatbaar is. Dat geldt te meer nu de uitlatingen betrekking hadden op een wethouder, een andere politicus dus. Een politicus moet volgens het EHRM meer tolereren dan een privé persoon.
Dan moet er nog een ander aspect van art. 10 EVRM worden besproken. Als de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting een spanning oplevert met het recht op privéleven van een persoon die beledigd wordt, acht het Europese Hof het voor de vraag of een inperking van art. 10 EVRM toelaatbaar is van belang dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen feitelijke oordelen en waardeoordelen. Feitelijke oordelen moeten in beginsel berusten op een toereikende feitelijke grondslag. Dat geldt niet voor waardeoordelen. Die zijn volgens het EHRM niet ‘susceptible of proof’. Van een verdachte kan in beginsel dus niet worden verwacht dat hij een waardeoordeel feitelijk onderbouwt. In dit geval moet dus worden bekeken of de tenlastegelegde uitlatingen als een feitelijk oordeel of als een waardeoordeel moeten worden aangemerkt.
Daarbij moet worden benadrukt dat het enkele feit dat een uitlating betrekking heeft op een gedraging, nog niet voldoende is om een uitlating als feitelijk oordeel aan te merken. Het EHRM lijkt veel betekenis toe te kennen aan de mate van concretisering van de. beschuldiging. Wanneer de beschuldiging betrekking heeft op een gedraging, maar deze gedraging slechts in het algemeen wordt benoemd, zonder dit verder te concretiseren, kan er nog steeds sprake zijn van een waardeoordeel.
Er kan dan worden gewezen op de zaak Brasilier t. Frankrijk. In die zaak had de applicant een politiek tegenstander ervan beschuldigd tijdens een verkiezing stemmen te hebben vervreemd. Omdat deze beschuldiging betrekking had op een bepaalde gedraging, had de Franse rechter dit als een feitelijk oordeel aangemerkt. Het EHRM gaat daar niet in mee. Omdat de applicant de beschuldigingen met het oog op het algemeen belang had geuit, en gelet op de algemene toon van de beschuldigingen, beschouwde het Europese Hof deze beschuldiging als een waardeoordeel.
Daarnaast is in dit kader ook de zaak Lombardo e.a. t. Malta relevant. De applicant in deze zaak had de ‘local council’ ervan beschuldigd dat deze de publieke opinie negeerde. Dat was volgens het EHRM een waardeoordeel. Daarnaast had de applicant ook aangegeven dat de ‘council ’ de bevolking niet had geraadpleegd. Ook dit kon volgens het EHRM in deze zaak als een waardeoordeel worden gezien.
Met deze uitspraken in het achterhoofd, kan worden bekeken of de uitlatingen die in deze zaak op de tenlastelegging zijn opgenomen een feitelijk oordeel of een waardeoordeel opleveren.
Mocht u tot een bewezenverklaring van het primaire feit komen, dan verzoek ik u om deze beschuldigingen als waardeoordeel aan te merken. Cliënt heeft wethouder [aangever] een leugenaar genoemd en hij heeft aangegeven dat de wethouder over lijken gaat om zijn leugens te verbergen, waarbij hij gebruik zou maken van verschillende personen. Deze verwijten leveren volgens de verdediging gelet op de algemene toon en het gebrek aan concretisering een waardeoordeel op. Het feit dat hierin een gedraging te herkennen zou kunnen zijn, doet daar niet aan af, zo blijkt uit de hiervoor besproken Europese jurisprudentie. Dit geldt volgens de verdediging ook voor de onder het eerste gedachtestreepje opgenomen beschuldiging dat wethouder [aangever] valsheid in geschrifte zou hebben gepleegd en dat hij zou hebben gelogen in de raad. Daar ligt wel een gedraging in besloten, maar ook deze beschuldiging is zeer algemeen van toon en in het geheel niet nader geconcretiseerd. Als de algemene beschuldiging dat iemand stemmen heeft vervreemd volgens het EHRM een waardeoordeel oplevert, dan dient dat volgens de verdediging ook te gelden voor de algemene beschuldiging dat iemand valsheid van geschrifte heeft gepleegd en heeft gelogen.
Het EHRM heeft benadrukt dat als politici die deelnemen aan een publiek debat over een zaak van algemeen belang een waardeoordeel verkondigen, hen een zeer ruime uitingsvrijheid toekomt. Wanneer die uitingen niet aanzetten tot haat of geweld, kan de vrijheid van meningsuiting in beginsel niet beperkt worden.
Dan moet nog worden ingegaan op het punt dat een waardeoordeel volgens het EHRM wel van een ‘sufficient factual basis’ moet worden voorzien. In beginsel zijn waardeoordelen vrij en vereisen zij geen feitelijke onderbouwing. Ook niet in het geval dat die oordelen ‘shock, offend or disturb’. Wanneer een waardeoordeel echter niet berust op een ‘sufficient factual basis’, kan dit oordeel excessief zijn.
In deze zaak berustte de door cliënt geuite beschuldiging dat wethouder [aangever] valsheid In geschrifte had gepleegd en dat hij had gelogen wel op een ‘sufficient factual basis’. Cliënt heeft tijdens zijn verhoor namelijk uiteengezet waarop hij dit baseerde. Hij verklaart het volgende:
‘Ook het [naam] dossier, ik was daar werkzaam en was ook werkzaam in de politiek, de filiaalmanager vroeg mij of ik eens kon kijken naar een vergunningsaanvraag. Die al 10 jaar in aanvraag bleef hangen en maar niet verstrekt werd. Er bleek een retail commissie doende mee, daar bleek de voorzitter van drie andere bouwmarkten te hebben. Dat ruikt naar het niet integer zijn van deze Retail commissie welke advies geeft over welke bouwmarkten wel en niet mogen/kunnen uitbreiden. Ik maakte daaruit op dat daarom die aan vraag van de [naam] zo lang bleef liggen, gezien de belangen van de voorzitter in deze Retail commissie. Wethouder [betrokkene 1] had dat in zijn portefeuille en was eindverantwoordelijke hiervoor. Ik stond daar toen als vertegenwoordiger vanuit [naam] en niet als tegenstander van wethouder [betrokkene 1]. Ik heb toen het DTNP rapport opgevraagd. De conclusie van het rapport betrof dat bouwmarkten mochten uitbreiden, echter bleek [naam] niet als bouwmarkt maar tuincentrum betiteld in het definitieve rapport. Uit het concept rapport bleek dat [naam] wel als bouwmarkt stond betiteld met dus de conclusie dat die mochten uitbreiden Dit is dus later aangepast voor het definitieve rapport. Dat leidde er toen naartoe dat ik wethouder [betrokkene 1] toen als verantwoordelijke voor heb gehouden en dat de retail commissie voorzitter niet integer was. Dat leidde tot politieke druk bij wethouder [betrokkene 1].’
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft cliënt dit nog nader gespecificeerd. Hij heeft deze opmerking in het kader van het debat omtrent het Groene Net gemaakt. De wethouder had in de vergadering aangegeven dat conclusies uit het rapport omtrent het Groene Net niet beïnvloed konden worden. Cliënt heeft toen aangegeven dat dit in zijn visie in het verleden wel was gebeurd, namelijk binnen het [naam] dossier. Volgens cliënt had wethouder [aangever] binnen dat dossier valsheid in geschrifte gepleegd. Omdat binnen de discussie rondom het Groene Net werd aangegeven dat conclusies uit het rapport niet konden worden beïnvloed, vond cliënt het relevant om te benoemen dat dit volgens hem in het verleden binnen het [naam] dossier wel was gebeurd.
In eerste aanleg heeft de verdediging een pagina uit de notulen van het ‘[naam] dossier’ overgelegd. Daarin staat aangegeven dat de [naam] als bouwmarkt werd aangemerkt, maar dat dit gecorrigeerd moest worden en dat de [naam] als tuincentrum moest worden geclassificeerd. Als bouwmarkt mocht [naam] uitbreiden, maar als tuincentrum niet. Omdat de voorzitter van de commissie zelf drie bouwmarkten had, kreeg cliënt op basis hiervan het vermoeden dat er niet integer was gehandeld. [aangever] was hier volgens cliënt eindverantwoordelijke voor. Op basis hiervan heeft hij [aangever] van valsheid in geschrifte beschuldigd.
Dit vormt volgens de verdediging een voldoende ‘factual basis’ voor de door cliënt geuite beschuldigingen. Daarbij dient in het achterhoofd te worden gehouden dat het hier om een waardeoordeel gaat. De waarheid van een waardeoordeel hoeft niet te worden bewezen. Het gaat er slechts om of de verdachte op basis van een ‘sufficient factual basis’ ‘in good faith’ tot het waardeoordeel kon komen. Dit is een terughoudende toets. Daarbij is het ook niet van belang of er juridisch gezien sprake was van valsheid van geschrifte en of kan worden aangetoond dat de wethouder daadwerkelijk heeft gelogen. Het EHRM stelt namelijk het volgende:
‘political debate does not require unanimous agreement on the interpretation of particular words’.
Volgens de verdediging was er in dit geval dus sprake van waardeoordelen die voorzien waren van een ‘sufficient factual basis’. In dat geval kan de uitingsvrijheid slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden ingeperkt.
Mocht u hier anders tegenaan kijken, in de zin dat de beschuldigingen volgens u als feitelijke oordelen moeten worden aangemerkt, of als waardeoordelen die niet van een voldoende feitelijke grondslag waren voorzien, dan geldt nog het volgende. Het EHRM aanvaardt in sommige gevallen een uitzondering op de regel dat feitelijke oordelen en waardeoordelen in meer of mindere mate van een feitelijke basis moeten worden voorzien. Deze uitzondering heeft het EHRM in de zaak Lombardo e.a. t. Malta geformuleerd. Het Hof overwoog het volgende:
- ‘60.
The Court would in any event observe that the distinction between statements of fact and value judgments is of less significance in a case such as the present, where the impugned statement is made in the course of a lively political debate at local level and where elected officials and journalists should enjoy a wide freedom to criticise the actions of a local authority, even where the statements made may lack a clear basis in fact.’
Dus als de beschuldigingen worden geuit binnen de context van een levendig politiek debat op lokaal niveau, dan hoeven dezen niet te berusten op ‘a clear basis in fact’. Deze uitzonderingsgrond doet zich in dit geval voor. Cliënt diende als lokale politicus een grote vrijheid te genieten en mocht ook beschuldigingen uiten jegens de wethouder zonder dat dit berustte op een feitelijke grondslag.
Uiteindelijk dienen volgens het EHRM alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de in de tenlastelegging opgenomen beschuldigingen als waardeoordelen moeten worden aangemerkt en dat deze op een voldoende feitelijke grondslag waren gebaseerd. Bovendien deed zich hier de door het EHRM beschreven uitzonderingssituatie voor waarin beschuldigingen niet van een wettelijke basis hoeven te worden voorzien. Mocht u hier anders tegenaan kijken, dan dient te worden benadrukt dat het ten onrechte ontbreken van een voldoende feitelijke grondslag niet meteen tot de conclusie dient te leiden dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting in dit geval niet in strijd is met art. 10 EVRM. Er dient naar het gehele plaatje te worden gekeken. Het feit dat het EHRM ten aanzien van uitlatingen die zijn gedaan in het politieke debat met het oog op het algemeen belang en ten aanzien van beschuldigingen die jegens een politicus worden geuit een terughoudende opstelling voorschrijft, dient ook te worden meegewogen. Verder dient er acht te worden geslagen op het feit dat de toon van de beschuldigingen niet bijzonder excessief is en dat cliënt de wethouder slechts ‘kaal’ een verwijt heeft gemaakt van valsheid in geschrifte en liegen. Tot slot dient te worden benadrukt dat een beperking van art. 10 EVRM in dit geval zou bestaan uit een strafrechtelijke veroordeling. Lidstaten dienen volgens het EHRM ‘restraint’ te tonen als een beperking van de vrijheid van meningsuiting zou bestaan uit een strafrechtelijke veroordeling:
- ‘268.
While the Court accepts, in principle, a criminal response to acts of defamation, it has however held that the dominant position of the State institutions requires the authorities to show restraint in resorting to criminal proceedings (Morice v. France [GC], § 176; De Carolis and France Télévisions v. France, § 44; Otegi Mondragon v. Spain, § 58; Incal v. Turkey, § 54; Öztürk v. Turkey [GC], § 66). It recommends, if necessary, that they resort to other types of measures, such as civil and disciplinary remedies (Raichinov v. Bulgaria, § 50; Ceylan v. Turkey [GC], § 34).’
Alles afwegende kom ik tot de conclusie dat er in dit geval geen sprake is van een ‘pressing social need’ om de vrijheid van meningsuiting in te perken, en dat een eventuele beperking niet proportioneel zou zijn gelet op het beoogde doel. Dat betekent dat de inperking van de vrijheid van meningsuiting niet noodzakelijk is in een democratische samenleving, zodat de inperking niet op grond van het tweede lid van art. 10 EVRM gerechtvaardigd kan worden geacht. Een veroordeling wegens smaad zou dan in strijd met art. 10 EVRM. Zoals ik eerder al heb aangegeven dient de nationale wetgeving dan op grond van art. 94 van de Grondwet te wijken voor deze verdragsbepaling, zodat de kwalificatie uitzonderingsgrond aan de orde is. Ik verzoek u om cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het bewezenverklaarde niet als smaad kan worden gekwalificeerd.’
Vervolgens heeft ondergetekende uiteen gezet dat er niet tot een bewezenverklaring van belediging in de zin van art. 266 Sr kan worden gekomen als de uitlatingen onder de bescherming van art. 10 EVRM vallen. Daarbovenop is betoogd dat de bijzondere exceptie uit het tweede lid van art. 266 Sr zich eveneens voordoet als een veroordeling voor eenvoudige belediging in strijd zou moeten worden geacht met art. 10 EVRM. Primair is dus verzocht om requirant vrij te spreken van de tenlastegelegde eenvoudige belediging. Subsidiair verzocht de verdediging om requirant op grond van het tweede lid van art. 266 Sr te ontslaan van alle rechtsvervolging:
‘De context waarin de uitlating is gedaan
Dan moet er nog worden stilgestaan bij de onder feit 2 ten laste gelegde eenvoudige belediging. Uit de jurisprudentie blijkt dat het mede van de context afhangt of een uitlating als belediging in de zin van art. 266 Sr kan worden aangemerkt. A-G Bleichrodt heeft in een conclusie uit 2019 uiteengezet dat er een ‘driestapsbenadering’ kan worden ontwaard. Er moet worden gekeken naar: (i) de uitlating als zodanig, (ii)de context waarin de uitlating is gedaan, in het bijzonder of het gaat om een uitlating in het politieke debat of als vorm van artistieke expressie (iii) en de vraag of de uitlating niet onnodig grievend is. Het recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van art. 10 EVRM werkt door in dit toetsingskader. De context kan er volgens Bleichrodt toe leiden dat een op zichzelf kwetsende uitlating geen strafbare belediging oplevert. Art. 10 EVRM biedt immers ook bescherming aan Uitlatingen die ‘offend, shock or disturb’:
- ‘10.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr acht dient te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. In de literatuur wordt in deze overwegingen een zogenoemde ‘drietrapsbenadering’ ontwaard. Centraal daarin staan: (i) de uitlating als zodanig, (ii) de context waarin de uitlating is gedaan, in het bijzonder of het gaat om een uitlating in het publieke debat of als vorm van artistieke expressie (iii) de vraag of de uitlating niet onnodig grievend is. Het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting is in dit toetsingskader ingepast. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 10 EVRM niet in de weg staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr indien zodanige veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting vormt. Daarbij gaat het om een inmenging die bij wet is voorzien, een gerechtvaardigd doel dient en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijk is. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van (onder meer) de context waarin de uitlating is gedaan. Daarbij is van belang of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat, of sprake is van een uiting van artistieke expressie en of deze niet onnodig grievend is
- 11.
Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorts dat een uitlating — of een feitelijkheid — beledigend is als deze de strekking heeft om een ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Daarvan is in het algemeen sprake indien de uitlating woorden bevat die als zodanig een beledigend karakter hebben, zoals scheldwoorden. Het oordeel dat van belediging sprake is, zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. Zo kon het hof volgens de Hoge Raad oordelen dat het in aanwezigheid van veel winkelend publiek luidkeels en herhaaldelijk tegen verbalisanten roepen van de woorden ‘ Wat moetje nou mafkees ’ de strekking had hen in hun eer en goede naam aan te tasten. Ook het gebruik van de term ‘mierenneuker’ kon het hof volgens de Hoge Raad, gelet op de context waarin de uitlating was gedaan, als beledigend beschouwen.
- 12.
De context kan aldus aan een uitlating een beledigend karakter verlenen. De context kan er evenwel ook toe leiden dat een op zichzelf kwetsende uitlating geen strafbare belediging oplevert. Daarbij moet worden bedacht dat de vrijheid van meningsuiting ook bescherming biedt aan uitlatingen die ‘offend, shock or disturb’. In een zaak waarin de verdachte werd vervolgd voor groepsbelediging (art. 137c Sr) had het hof geoordeeld dat de uitlating in direct verband stond met de uiting van een geloofsopvatting en voor de verdachte van betekenis was voor een maatschappelijk debat. Het hof achtte de gewraakte uitlating in het licht van de context niet beledigend in de zin van art. 137c Sr. De Hoge Raad oordeelde dat het hof aldus geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de term ‘beledigend’ in de betekenis die daaraan toekomt in art. 137c Sr. De context stond ook aan een veroordeling wegens groepsbelediging in de weg in een zaak waarin de volgende in een column geuite tekst centraal stond: ‘Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen’. Het hof had geoordeeld dat de uitlating ‘op zichzelf beschouwd beledigend is voor Joodse mensen’, maar dat ‘gelet op het onderwerp van de column, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, in het licht van dat onderwerp, column en de inhoud van de column, niet gezegd kan worden dat de betreffende uitlating nodeloos grievend was’. De Hoge Raad overwoog dat het hof als zijn oordeel tot uitdrukking had gebracht dat de verdachte met deze uitlating niet de grenzen had overschreden van hetgeen in het licht van het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting toelaatbaar moet worden geacht en dat die uitlating niet als ‘beledigend jegens een groep mensen wegens hun ras’ als bedoeld in art. 137c, eerste lid, Sr kon worden aangemerkt. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.’
Ik heb zojuist uitgebreid betoogd dat een strafrechtelijke veroordeling in de onderhavige zaak in strijd zou zijn met art. 10 EVRM. Omdat het recht op vrijheid van meningsuiting doorwerkt in de vraag of er tot een bewezenverklaring van eenvoudige belediging kan worden gekomen, verzoek ik u om cliënt van dit feit vrij te spreken. Cliënt heeft de uitlatingen gedaan in het kader van het publieke debat. Als politicus wilde hij zich uitlaten over de integriteit van een andere politicus. Daarbij heeft hij zich niet onnodig grievend uitgelaten. Hij heeft een waardeoordeel over wethouder [aangever] geveld, maar daarbij heeft hij geen gebruik gemaakt van scheldwoorden. Volgens het EHRM genieten opmerkingen in het kader van het publieke debat dan een zeer vergaande bescherming, ook als die waardeoordelen verder niet onderbouwd zijn. De context waarin cliënt de uitlatingen heeft gedaan leidt er dus toe dat deze opmerkingen geen strafbare belediging opleveren. De verdediging stelt zich dus op het standpunt dat cliënt moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde.
De bijzondere exceptie van art. 266 lid 2 Sr
Als u toch tot een bewezenverklaring van feit 2 zou komen, dan verzoek ik u om cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van de bijzondere exceptie uit het tweede lid van art. 266 Sr. Die rechtvaardigingsgrond doet zich voor als de gedragingen ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit. Deze exceptie is dus breder toepasbaar dan de bijzondere rechtvaardigingsgrond uit het derde lid van art. 261 Sr. Niet noodzakelijk is dat de verdachte te goeder trouw aannam dat de opmerkingen op waarheid berusten, of dat het algemeen belang het noodzakelijk maakte om de opmerkingen te maken. Het is voldoende als de opmerkingen een oordeel geven over de behartiging Van openbare belangen en niet onnodig grievend zijn. Ook op dit punt werkt het recht op vrijheid van meningsuiting door, zo blijkt uit een conclusie van A-G Spranken:
- ‘4.4.
Het, onder meer in art. 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting, dat voor een deel ook in art. 266 lid 2 Sr tot uitdrukking is gebracht, staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van art. 10 lid 2 EVRM toegelaten — te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke — beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.’
Omdat een strafrechtelijke veroordeling in dit geval in strijd zou zijn met art. 10 EVRM, moet worden geconcludeerd dat deze bijzondere rechtvaardigingsgrond van toepassing is. Cliënt heeft een oordeel gegeven over de integriteit van wethouder [aangever] bij de uitoefening van zijn politieke functie. Hij heeft dus bij uitstek een oordeel gegeven over de behartiging van openbare belangen. Daarbij heeft cliënt zich ook niet onnodig grievend uitgelaten. Hij heeft enkel omschreven waarom [aangever] niet integer zou zijn, zonder gebruik te maken van scheldwoorden. Mocht u tot een bewezenverklaring komen van het onder 2 tenlastegelegde, dan dient cliënt dus op grond van het tweede lid van art. 266 Sr te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.’
Het hof heeft bewezen verklaard dat requirant in de periode van 23 april 2021 tot en met 27 april 2021 te [a-plaats] in het openbaar bij geschrift, opzettelijk [aangever] heeft beledigd, door op de facebookpagina ‘Fractie [verdachte]’ berichten te plaatsen met de volgende tekst:
- —
‘De wethouder zal zich dan moeten verantwoorden voor valsheid in geschriften en liegen in de raad en ronde’ en
- —
‘Wethouder [aangever] is een professionele pathologische leugenaar’ en
- —
‘Wethouder [aangever] gaat over lijken om zijn leugens te verbergen. Daarvoor gebruikt hij lokale media, zijn loyale GOB leger, de coalitie, de secretaris, heel veel ambtenaren, een complete juridische afdeling en uiteraard burgemeesters die hem alle ruimte geven om zijn onaantastbare status te behouden’.
In een bewijsoverweging is het hof ingegaan op het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van art. 10 EVRM:
‘De raadsman van de verdachte heeft, voor zover nog aan de orde, op gronden zoals nader in de pleitnota vermeld, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem subsidiair tenlastegelegde belediging. Daartoe is samengevat aangevoerd dat een strafrechtelijke veroordeling ter zake van belediging in strijd zou zijn met artikel 10 EVRM. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte de uitlatingen heeft gedaan in het kader van het publieke debat en dat hij zich daarbij niet onnodig grievend heeft uitgelaten. Hij heeft een waardeoordeel over wethouder [aangever] geveld, maar heeft daarbij geen gebruik gemaakt van scheldwoorden. De context waarin de uitlatingen door de verdachte zijn gedaan, leidt er aldus toe dat geen sprake is van strafbare belediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat het in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting niet aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 Sr in de weg staat indien zo een veroordeling op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten — te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke — beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van de uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is (vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541).
Het recht op vrijheid van meningsuiting wordt naar Nederlands recht onder meer begrensd door de strafbaarstelling van belediging in artikel 266 Sr. Artikel 266, tweede lid Sr bepaalt dat niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.
Deze strafbaarstelling valt dus onder de beperkingen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid EVRM: de beperking is voorzien bij de wet, dient een gerechtvaardigd doel en is daartoe in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte op 23 april 2021 en 27 april 2021 op de Facebook-pagina van Fractie [verdachte] een drietal berichten heeft geplaatst, te weten: ‘Wethouder [aangever] is een professionele leugenaar’, ‘Wethouder [aangever] gaat over lijken om zijn leugens te verbergen. Daarvoor gebruikt hij lokale media, zijn loyale GOB leger, de coalitie, de secretaris, heel veel ambtenaren, een complete juridische afdeling en uiteraard Burgemeesters die hem alle ruimte geven om zijn onaantastbare status te behouden’ alsmede ‘De wethouder zal zich dan moeten verantwoorden voor valsheid in geschriften en liegen in raad en ronde’.
Het hof is van oordeel dat de berichten van de verdachte geen bijdragen kunnen leveren aan het publieke of maatschappelijke debat en niet ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, hetgeen onder de bescherming van artikel 10 EVRM en artikel 266, tweede lid, Sr valt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de berichten eenzijdige uitlatingen van de verdachte betreffen die zonder enige context of onderbouwing op een openbare facebookpagina zijn geplaatst. Ze nodigen derhalve geenszins uit tot een publiek debat en geven wethouder [aangever] ook geen handvatten zich daartegen gemotiveerd teweer te stellen. De berichten zijn naar het oordeel van het hof louter grievend, strekken ertoe wethouder [aangever] in een kwaad daglicht te zetten en tasten onmiskenbaar de eer en goede naam van die [aangever] aan.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer in alle onderdelen.’
Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof de inperking van de vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling voor eenvoudige belediging in dit geval noodzakelijk acht in een democratische samenleving. Dat betekende niet alleen dat er volgens het hof tot een bewezenverklaring van belediging in de zin van art. 266 Sr kon worden gekomen, ook het beroep op het tweede lid van art. 266 Sr is om die reden verworpen.
Uit de bewijsoverweging van het hof kan worden afgeleid dat het hof geoordeeld heeft dat de inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting van requirant noodzakelijk was in een democratische samenleving, omdat requirant zijn uitlatingen niet onderbouwd heeft. Het hof heeft immers overwogen dat de berichten van requirant eenzijdige uitlatingen betreffen die zonder enige context of onderbouwing op een openbare facebookpagina zijn geplaatst. Daarom nodigen die berichten volgens het hof niet uit tot een publiek debat en geven ze wethouder [aangever] geen handvatten zich daartegen gemotiveerd te verweren, zodat de berichten naar het oordeel louter grievend zijn.
In feite draagt het gegeven dat requirant zijn uitlatingen niet van een onderbouwing voorzien heeft dus in belangrijke, al dan niet doorslaggevende, mate bij aan het oordeel van het hof dat de inperking van zijn vrijheid van meningsuiting noodzakelijk was in een democratische samenleving.
Daarbij heeft het hof niet duidelijk uiteengezet of het de uitlatingen van requirant als een feitelijk oordeel of een waardeoordeel heeft aangemerkt. Uit de jurisprudentie van het EHRM op het gebied van art. 10 EVRM blijkt dat dit onderscheid volgens het Europese Hof wel zeer belangrijk is. Het EHRM benadrukt namelijk dat feitelijke oordelen wel van een zeker onderbouwing voorzien moeten worden, maar dat dit niet voor waardeoordelen geldt. De waarheid van waardeoordelen is immers niet ‘susceptible of proof’. Als er van een verdachte verwacht wordt dat hij de waarheid van een waardeoordeel aantoont, wordt hem een verplichting opgelegd die onmogelijk te vervullen is, zodat er volgens het EHRM in een dergelijk geval inbreuk wordt gemaakt op art. 10 EVRM:
- ‘126.
Furthermore, in its judgments in Lingens v. Austria (8 July 1986, § 46, Series A no. 103) and Oberschlick v. Austria (no. 1) (23 May 1991, § 63, Series A no. 204), the Court drew a distinction between statements of fact and value judgments. The existence of facts can be demonstrated, whereas the truth of value judgments is not susceptible of proof. The requirement to prove the truth of a value judgment is impossible to fulfil and infringes freedom of opinion itself, which is a fundamental part of the right secured by Article 10 (see De Haes and Gijsels v. Belgium, 24 February 1997, § 42, Reports 1997-I).’
In casu heeft het hof zonder te overwegen of de uitlatingen van requirant als feitelijke oordelen of waardeoordelen moeten worden gezien overwogen dat de uitlatingen geen bijdrage kunnen leveren aan het publieke debat, omdat requirant zijn uitlatingen niet heeft onderbouwd. Een dergelijke benadering is onverenigbaar met art. 10 EVRM. Er kan dan worden gewezen op de zaak Gorelishvili t. Georgië. De Georgische rechter had de uitlatingen waar het in die zaak om ging als ‘defamatory’ aangemerkt omdat ze ‘untrue’ waren. Zonder dat de Georgische rechter had onderzocht of de uitlatingen als waardeoordeel moesten worden aangemerkt, werd er dus van de betrokkene verwacht dat hij zijn stellingen zou onderbouwen. Volgens het EHRM had de Georgische rechter daarmee impliciet geoordeeld dat de uitlatingen als feitelijke oordelen moesten worden aangemerkt, omdat enkel dergelijke oordelen ‘susceptible of proof’ zijn. Een dergelijke ‘indiscriminate approach’ is volgens het EHRM onverenigbaar met art. 10 EVRM:
- ‘38.
The Supreme Court found these phrases defamatory since they were, in its view, untrue. Thus, without examining the question whether they could be considered to be value-judgments (see, a contrario, Katamadze (dec.), cited above), the Supreme Court concluded that they were statements of fact, since only the latter are susceptible of proof (see Grinberg, cited above, § 30). The state of the Georgian law on defamation at the material time led to this incomplete analysis. Notably, Article 18 of the Civil Code made no distinction between value-judgments and statements of fact, referring uniformly to ‘information’ (cnobebi), and required that the truth of any such ‘information’ be proved by the respondent party. Such an indiscriminate approach to the assessment of speech is, in the eyes of the Court, per se incompatible with freedom of opinion, a fundamental element of Article 10 of the Convention (see, Zakharov V. Russia, no. 14881/03, §§ 29 and 30, 5 October 2006; Karman v. Russia, no. 29372/02, §§ 42 and 43, 14 December 2006).’
In casu doet zich in feite dezelfde situatie voor. Zonder in te gaan op de vraag of het hier om een feitelijk oordeel of een waardeoordeel gaat, stelt het hof dat de uitlatingen van requirant geen bijdragen kunnen leveren aan het publieke of maatschappelijke debat en niet ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, omdat de berichten eenzijdige uitlatingen van requirant betreffen die zonder enige context of onderbouwing op een openbare facebookpagina zijn geplaatst. Volgens het hof moet daarom worden geconcludeerd dat de berichten geenszins uitnodigen tot een publiek debat en dat ze wethouder [aangever] ook geen handvatten bieden zich daartegen gemotiveerd teweer te stellen, zodat de berichten louter grievend zijn. Eigenlijk zegt het hof dan dat de bescherming van art. 10 EVRM alleen opgaat als de betreffende uitlatingen van een onderbouwing voorzien zijn, zodat degenen waarop de opmerkingen betrekking hebben zich daartegen kan verweren. Anders zouden de uitlatingen niet bijdragen aan het publieke debat. Hiermee heeft het hof miskend dat er volgens het EHRM onderscheid moet worden gemaakt tussen feitelijke oordelen en waardeoordelen. Bij feitelijke oordelen mag inderdaad worden verwacht dat de betreffende uitlatingen van een onderbouwing voorzien worden, maar voor waardeoordelen geldt dat niet. Dergelijke uitlatingen lenen zich daar niet voor, zo heeft het Europese Hof benadrukt. Als de gedachtegang van het hof over wordt genomen, dan vallen sommige waardeoordelen per definitie niet onder de bescherming van art. 10 EVRM. Het kenmerkende van waardeoordelen is nu immers dat ze een mening bevatten, en meningen lenen zich niet zelden in het geheel niet voor onderbouwing. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt echter duidelijk dat ook waardeoordelen in beginsel onder de bescherming van art. 10 EVRM vallen. Wanneer in het arrest van het hof de gedachten besloten ligt dat inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving als de betreffende uitlatingen niet van een onderbouwing voorzien zijn, omdat die uitlatingen dan niet kunnen bijdragen aan het publieke debat, dan gaat het hof uit van een verkeerde interpretatie van art. 10 EVRM. Een dergelijke ‘indiscriminate approach’ is gelet op het voorgaande onverenigbaar met het recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van art. 10 EVRM, zodat de inperking van de vrijheid van meningsuiting in casu alleen al om die reden niet noodzakelijk kan worden geacht in een democratische samenleving. Volgens het EHRM dient de rechter te beoordelen of de uitlating als een waardeoordeel of een feitelijk oordeel moet worden aangemerkt. Als het gaat om een waardeoordeel, mag volgens het EHRM van de betrokkene niet worden verwacht dat hij dat oordeel onderbouwt. Daarmee zou een eis worden gesteld waar de betrokkene niet aan kan voldoen. In casu heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat de opmerkingen als een waardeoordeel moeten worden beschouwd, terwijl het hof het requirant wel aangerekend heeft dat hij zijn uitlatingen niet onderbouwd heeft. De overwegingen van het hof zijn daardoor niet verenigbaar met het bepaalde in art. 10 EVRM.
Wanneer er wordt gekeken naar de jurisprudentie van het EHRM, dan dienen de uitlatingen waar het in casu om gaat als waardeoordelen te worden geclassificeerd. Om onderscheid te maken tussen feitelijke oordelen en waardeoordelen dient er volgens het EHRM te worden gekeken naar de omstandigheden van het geval en de algemene toon van de uitlatingen. Daarbij geldt dat als de uitlatingen betrekking hebben op ‘matters of public interest’, dat op zichzelf voldoende kan zijn om te concluderen dat de uitlatingen als waardeoordelen moeten worden aangemerkt in plaats van feitelijke oordelen.
Het enkele feit dat een uitlating betrekking heeft op een gedraging, is op zichzelf nog niet voldoende om die uitlating als feitelijk oordeel te classificeren. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat er vooral moet worden gekeken naar de mate van concretisering van de uitlatingen. Wanneer de uitlatingen slechts in algemene termen een bepaalde gedraging beschrijven, zonder dat dit verder wordt geconcretiseerd, kan er nog steeds sprake zijn van een waardeoordeel. Daarbij moet ook acht worden geslagen op de context waarin de uitlatingen zijn gedaan. Ter illustratie kan er worden gewezen op Morice t. Frankrijk:
- ‘156.
The Court takes the view that, in the circumstances of the case, the impugned statements were more value judgments than pure statements of fact, in view of the general tone of the remarks and the context in which they were made, as they reflected mainly an overall assessment of the conduct of the investigating judges in the course of the investigation.’
In de zaak Brasilier t. Frankrijk had de applicant een politiek tegenstander ervan beschuldigd dat hij tijdens een verkiezing stemmen had vervreemd. De Franse rechter had dit als een feitelijk oordeel aangemerkt, omdat deze beschuldiging betrekking had op een bepaalde gedraging. Het EHRM ging daar niet in mee, omdat de applicant de beschuldiging met het oog op het algemeen belang had geuit en omdat de uitlating een algemene toon had. Volgens het Europese Hof ging het hier om een waardeoordeel.
Ook de zaak Lombardo e.a. t. Malta is in dit kader relevant. In deze zaak had de applicant de ‘local council’ ervan beschuldigd dat deze de publieke opinie negeerde. Dat was volgens het EHRM een waardeoordeel. De applicant had daarnaast ook aangegeven dat de ‘council’ de bevolking niet had geraadpleegd. Dit moest volgens het EHRM ook als een waardeoordeel worden gezien.
In casu hadden de uitlatingen van requirant een algemene toon. Requirant heeft deze beschuldigingen niet nader geconcretiseerd. Gelet op het voorgaande, dienen deze uitlatingen dan als waardeoordelen te worden beschouwd. Het feit dat hier enkele gedragingen in te ontwaren zijn, doet daar niet aan af. Het EHRM heeft eerder overwogen dat de algemene beschuldiging dat iemand stemmen vervreemd een waardeoordeel oplevert. Volgens ondergetekende dienen de uitlatingen van requirant die in de bewezenverklaring zijn genoemd dan ook als waardeoordeel te gelden. Dat geldt helemaal nu requirant hiermee een zaak van publiek belang aan de orde heeft willen stellen, namelijk de integriteit van wethouder [aangever]. Zoals zojuist al aan bod is gekomen, kan dat op zichzelf al voldoende zijn om een uitlating als waardeoordeel aan te merken.
Dan dient nog te worden benoemd dat een waardeoordeel volgens het EHRM wel van een ‘sufficient factual basis’ moet worden voorzien. Het EHRM benadrukt dat waardeoordelen niet ‘susceptible to proof’ zijn, zodat van de verdachte niet kan worden verwacht dat hij de waarheid van zijn waardeoordelen aantoont. Maar als een waardeoordeel niet op een ‘sufficient factual basis’ berust, kan dat oordeel excessief zijn.
Het hof had dus moeten beoordelen of de uitlatingen van requirant op een ‘sufficient factual basis’ berustten. In dat kader heeft het hof uitsluitend overwogen dat de berichten zonder enige context of onderbouwing op een openbare facebookpagina zijn geplaatst. Voor zover het hof hiermee tot uiting heeft willen brengen dat de ‘sufficient factual basis’ terug te vinden had moeten zijn in de berichten zelf, getuigt dat van een verkeerde interpretatie van art. 10 EVRM. Er kan dan worden gewezen op de zaak Morice t. Frankrijk. In die zaak heeft het EHRM benadrukt dat een ‘defendant’ een realistische kans moet krijgen om aan te tonen dat zijn beschuldigingen op een ‘sufficient factual basis’ berustten. Het is dus niet zo dat enkel op basis van de uitlatingen zelf moet kunnen worden vastgesteld of die op een ‘sufficient factual basis’ berustten. De verdachte moet achteraf in de gelegenheid worden gesteld om aan te tonen dat er een ‘sufficient factual basis’ was voor het waardeoordeel. Volgens het EHRM moet er niet alleen worden gekeken naar de totale inhoud van de berichten waar de uitlatingen deel van uitmaken, er moet ook worden gekeken naar de achtergrond waartegen de uitlatingen zijn gedaan:
- ‘162.
The Court reiterates that, in the context of Article 10 of the Convention, it must take account of the circumstances and overall background against which the statements in question were made (see, among many other authorities, Lingens, cited above, § 40, and Bladet Tromsø and Stensaas v. Norway [GC], no. 21980/93, § 62, ECHR 1999-III). In the present case, the background can be explained not only by the conduct of the investigating judges and by the applicant's relations with one of them, but also by the very specific history of the case, its inter-State dimension and its substantial media coverage. The Court would observe, however, that the Court of Appeal attributed an extensive scope to the impugned remark of the applicant criticising an investigating judge for ‘conduct which [was] completely at odds with the principles of impartiality and fairness’, finding that this was in itself a particularly defamatory accusation, tantamount to saying that there had been a breach of professional ethics and of the judicial oath on the part of that judge (see paragraph 47 above). That quotation should, however, have been assessed in the light of the specific circumstances of the case, especially as it was in reality not a statement made to the author of the article, but an extract from the letter sent by the applicant and his colleague, Mr L. de Caunes, to the Minister of Justice on 6 September 2000. In addition, at the time when the applicant answered his questions the journalist had already been informed of the letter to the Minister of Justice, not by the applicant himself, but by his own sources, as the Criminal Court acknowledged (see paragraph 40 above). The applicant further argued, without this being in dispute, that the article's author was solely responsible for the reference to the disciplinary proceedings against Judge M. in the context of the ‘Scientology’ case. In that connection, the Court reiterates that lawyers cannot be held responsible for everything appearing in an ‘interview’ published by the press or for actions by the press. 163. The Court of Appeal was thus required to examine the impugned remarks with full consideration of both the background to the case and the content of the letter, taken as a whole.
- 164.
For the same reasons, since the impugned remarks could not be assessed out of context, the Court cannot share the view of the Paris Court of Appeal that the use of the term ‘connivance’ constituted ‘in itself’ a serious attack on the honour and reputation of Judge M. and the public prosecutor of Djibouti (see paragraph 47 above).’
Het hof had dus acht moeten slaan op de bredere politieke context zoals die door requirant naar voren is gebracht.
Bij pleidooi heeft de verdediging in hoger beroep uiteengezet wat de ‘factual basis’ voor de uitlatingen van requirant was:
‘In deze zaak berustte de door cliënt geuite beschuldiging dat wethouder [aangever] valsheid In geschrifte had gepleegd en dat hij had gelogen wel op een ‘sufficient factual basis’. Cliënt heeft tijdens zijn verhoor namelijk uiteengezet waarop hij dit baseerde. Hij verklaart het volgende:
‘Ook het [naam] dossier, ik was daar werkzaam en was ook werkzaam in de politiek, de filiaalmanager vroeg mij of ik eens kon kijken naar een vergunningsaanvraag. Die al 10 jaar in aanvraag bleef hangen en maar niet verstrekt werd. Er bleek een retail commissie doende mee, daar bleek de voorzitter van drie andere bouwmarkten te hebben. Dat ruikt naar het niet integer zijn van deze Retail commissie welke advies geeft over welke bouwmarkten wel en niet mogen/kunnen uitbreiden. Ik maakte daaruit op dat daarom die aan vraag van de [naam] zo lang bleef liggen, gezien de belangen van de voorzitter in deze Retail commissie. Wethouder [betrokkene 1] had dat in zijn portefeuille en was eindverantwoordelijke hiervoor. Ik stond daar toen als vertegenwoordiger vanuit [naam] en niet als tegenstander van wethouder [betrokkene 1]. Ik heb toen het DTNP rapport opgevraagd. De conclusie van het rapport betrof dat bouwmarkten mochten uitbreiden, echter bleek [naam] niet als bouwmarkt maar tuincentrum betiteld in het definitieve rapport. Uit het concept rapport bleek dat [naam] wel als bouwmarkt stond betiteld met dus de conclusie dat die mochten uitbreiden Dit is dus later aangepast voor het definitieve rapport. Dat leidde er toen naartoe dat ik wethouder [betrokkene 1] toen als verantwoordelijke voor heb gehouden en dat de retail commissie voorzitter niet integer was. Dat leidde tot politieke druk bij wethouder [betrokkene 1].’
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft cliënt dit nog nader gespecificeerd. Hij heeft deze opmerking in het kader van het debat omtrent het Groene Net gemaakt. De wethouder had in de vergadering aangegeven dat conclusies uit het rapport omtrent het Groene Net niet beïnvloed konden worden. Cliënt heeft toen aangegeven dat dit in zijn visie in het verleden wel was gebeurd, namelijk binnen het [naam] dossier. Volgens cliënt had wethouder [aangever] binnen dat dossier valsheid in geschrifte gepleegd. Omdat binnen de discussie rondom het Groene Net werd aangegeven dat conclusies uit het rapport niet konden worden beïnvloed, vond cliënt het relevant om te benoemen dat dit volgens hem in het verleden binnen het [naam] dossier wel was gebeurd.
In eerste aanleg heeft de verdediging een pagina uit de notulen van het ‘[naam] dossier’ overgelegd. Daarin staat aangegeven dat de [naam] als bouwmarkt werd aangemerkt, maar dat dit gecorrigeerd moest worden en dat de [naam] als tuincentrum moest worden geclassificeerd. Als bouwmarkt mocht [naam] uitbreiden, maar als tuincentrum niet. Omdat de voorzitter van de commissie zelf drie bouwmarkten had, kreeg cliënt op basis hiervan het vermoeden dat er niet integer was gehandeld. [aangever] was hier volgens cliënt eindverantwoordelijke voor. Op basis hiervan heeft hij [aangever] van valsheid in geschrifte beschuldigd.’
In de door het hof voor het bewijs gebezigde aangifte van [aangever] wordt ook gerefereerd aan deze feitelijke context:
‘Op 22 april 2021 vond behandeling plaats in de raadsvergadering. Tijdens deze raadsvergadering die openbaar was en dus voor publiek toegankelijk in welke vorm dan ook, werd door [verdachte] medegedeeld dat ik in het verleden rapporten vervalst had. Ook kondigde [verdachte] aan dat hij dit alles via sociale media ging delen. Ik zou in zijn ogen een blok aan het been zijn bij zaken als vertrouwen, misstanden en bestuurscultuur. Ook zou door mij voorstellen niet aan de gemeenteraad en het college zijn voorgelegd. Ook kondigde [verdachte] aan dat hij een deel van zijn bijdragen op Facebook ging delen omdat hij in de gemeenteraad c.q. het college geen gehoor vond.’
Volgens requirent vormde deze feitelijke context een ‘sufficient factual basis’ voor de door hem geuite waardeoordelen. Daarbij gaat het immers om een terughoudende toets. Het gaat er niet om of er juridisch gezien sprake was van valsheid in geschrifte en of kan worden aangetoond dat [aangever] daadwerkelijk heeft gelogen. Het EHRM stelt namelijk het volgende: ‘political debate does not require unanimous agreement on the interpretation of particular words’. Er moet worden bekeken of de waardeoordelen van requirant op een feitelijke basis gebaseerd waren. Dat is volgens requirant het geval.
Het hof heeft niet naar de door requirant aangedragen bredere feitelijke context gekeken om te beoordelen of zijn uitlatingen berustten op een ‘sufficient factual basis’. Uit het arrest blijkt niet dat het hof de uitlatingen beoordeeld heeft binnen de context van de overige inhoud van de berichten waar de uitlatingen deel van uitmaakten en de bredere feitelijke context die aan de berichten vooraf ging. Het hof is in diens overwegingen ook niet ingegaan op de notulen die door de verdediging overlegd zijn en waarop requirant zijn uitlatingen naar eigen zeggen gebaseerd had. Terwijl uit de aangifte die het hof voor het bewijs heeft gebezigd wel blijkt dat de berichten deel uitmaakten van een bredere context. Het hof heeft slechts overwogen dat requirant de uitlatingen zonder context en onderbouwing op zijn facebookpagina heeft geplaatst. Daarmee heeft het hof gelet op de jurisprudentie van het EHRM een te strenge eis aangelegd. Omdat het hier gaat om waardeoordelen, had het hof niet van requirant mogen verwachten dat hij zijn uitlatingen van een onderbouwing zou voorzien. Het EHRM heeft namelijk benadrukt dat de waarheid van waardeoordelen niet kan worden aangetoond. Het hof had slechts mogen beoordelen of de uitlatingen op een ‘sufficient legal basis’ berustten. Daarbij had het hof niet alleen acht mogen slaan op de uitlatingen zelf, maar had het hof naar de bredere context moeten kijken. Het hof heeft in het arrest echter geen acht geslagen op de door requirant geschetste bredere feitelijke context. Dat getuigt gelet op het voorgaande van een onjuiste rechtsopvatting, althans, dat is onbegrijpelijk.
Daar komt nog bij dat politici in het bijzonder een sterke bescherming van hun uitingsvrijheid genieten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Castells t. Spanje:
‘While freedom of expression is important for everybody, it is especially so for an elected representative of the people. He represents his electorate, draws attention to their preoccupations and defends their interests. Accordingly, interferences with the freedom
of expression of an opposition Member of Parliament, like the applicant, call for the closest scrutiny on the part of the Court.’
In Stoll t. Zwitserland heeft het EHRM overwogen dat er onder het tweede lid van art. 10 EVRM weinig ruimte is om ‘political speech’ of een ‘debate of questions of public interest’ in te perken:
- ‘106.
Furthermore, there is little scope under Article 10 § 2 of the Convention for restrictions on political speech or on debate of questions of public interest (see, for example, Wingrove v. the United Kingdom, 25 November 1996, § 58, Reports 1996-V). The most careful scrutiny on the part of the Court is called for when, as in the present case, the measures taken or sanctions imposed by the national authority are capable of discouraging the participation of the press in debates over matters of legitimate public concern (see, for example, Bladet Tromsø and Stensaas, cited above, § 64, and Jersild v. Denmark, 23 September 1994, § 35, Series A no. 298).’
In de Lindon zaak heeft het Europese Hof benadrukt dat er binnen het politieke debat of bij zaken van publiek belang zeer weinig ruimte is om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Vrijheid van expressie is in die context ‘of the utmost importance’. Dit werkt twee kanten op. Politici genieten zoals gezegd een bijzonder sterke bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Daar komt bij dat het ook van belang kan zijn dat de uitingen waar het om gaat zich richten op een politicus. Volgens het Europese Hof zijn ‘the limits of acceptable criticism’ namelijk ‘wider’ als er niet over een ‘private individual’ maar over een politicus wordt gesproken. Een politicus stelt zich namelijk bewust bloot aan ‘close scrutiny of his every word and deed by both journalists and the public at large’. Volgens het EHRM moet een politicus daarom ‘a greater degree of tolerance’ tonen.
Deze bijzondere bescherming van politieke uitlatingen is niet beperkt tot de politieke arena. Volgens het EHRM strekt deze bescherming zich ook uit tot uitingen die buiten het parlement zijn gedaan. Politieke zaken en zaken van algemeen belang moeten immers onder de aandacht van de bevolking kunnen worden gebracht:
‘In the case under review Mr Castells did not express his opinion from the senate floor as he might have done without fear of sanctions, but chose to do so in a periodical. That does not mean, however, that he lost his right to criticise the Government.
In this respect, the pre-eminent role of the press in a State governed by the rule of law must not be forgotten. Although it must not overstep various bounds set, inter alia, for the prevention of disorder and the protection of the reputation of others, it is nevertheless incumbent on it to impart information and ideas on political questions and on other matters of public interest. Freedom of the press affords the public one of the best means of discovering and forming an opinion of the ideas and attitudes of their political leaders. In particular, it gives politicians the opportunity to reflect and comment on the preoccupations of public opinion; it thus enables everyone to participate in the free political debate which is at the very core of the concept of a democratic society.’
In Lombardo e.a. t. Malta heeft het Europese Hof benadrukt dat het vereiste dat waardeoordelen gebaseerd moeten zijn op een ‘sufficient factual basis’ dient te worden afgezwakt en dat het onderscheid tussen feitelijke oordelen en waardeoordelen niet zo relevant is als de uitlatingen gedaan zijn in het kader van ‘a lively political debate at local level’. In een dergelijk geval kan de bescherming van art. 10 EVRM zelfs als de uitlatingen geen feitelijke basis hebben toch van toepassing zijn:
- ‘60.
The Court would in any event observe that the distinction between statements of fact and value judgments is of less significance in a case such as the present, where the impugned statement is made in the course of a lively political debate at local level and where elected officials and journalists should enjoy a wide freedom to criticise the actions of a local authority, even where the statements made may lack a clear basis in fact.’
Uit de door hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat requirant op het moment dat hij de uitlatingen deed gemeenteraadslid was in de gemeente [gemeente], hetgeen hij nu nog steeds is, en dat de uitlatingen betrekking hadden op [aangever], die op dat moment wethouder was in de gemeente [gemeente]. In de berichten trok requirant de integriteit van wethouder [aangever] in twijfel. De uitlatingen hadden dus betrekking op een onderwerp van publiek belang, zodat de uitlatingen deel uitmaakten van een politiek debat op lokaal niveau. In dat geval geldt dat art. 10 EVRM een zeer vergaande bescherming biedt. Zelfs als in het arrest van het hof voldoende besloten ligt dat de uitingen als feitelijke oordelen moeten worden gezien, of dat er sprake is van waardeoordelen die niet op een ‘sufficient factual basis’ berusten, kan de inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting in dit geval niet noodzakelijk worden geacht in een democratische samenleving, gelet op de politieke context waarbinnen requirant zijn uitlatingen heeft gedaan.
Hierbij dient ook te worden meegewogen dat de inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van art. 10 EVRM in dit geval bestaat uit een strafrechtelijke veroordeling. Het EHRM heeft benadrukt dat lidstaten ‘restraint’ dienen te tonen als een beperking van de vrijheid van meningsuiting zou bestaan uit een strafrechtelijke veroordeling:
- ‘268.
While the Court accepts, in principle, a criminal response to acts of defamation, it has however held that the dominant position of the State institutions requires the — authorities to show restraint in resorting to criminal proceedings (Morice v. France [GC], § 176; De Carolis and France Télévisions v. France, § 44; Otegi Mondragon v. Spain, § 58; Incalv. Turkey, § 54; Öztürk v. Turkey [GC], § 66). It recommends, if necessary, that they resort to other types of measures, such as civil and disciplinary remedies (Raichinov v. Bulgaria, § 50; Ceylan v. Turkey [GC], § 34).’
Het voorgaande tezamen maakt dat de veroordeling van requirant voor eenvoudige belediging een inperking op het recht op vrijheid van meningsuiting vormt die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving, zodat art. 10 EVRM is geschonden. De overweging op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat de veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans, deze overweging is niet begrijpelijk.
Het feit dat de veroordeling van requirant onverenigbaar is met het bepaalde in art. 10 EVRM, dient te leiden tot de conclusie dat het arrest van het hof nietig is.
Bovendien kan het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, aangezien er geen sprake is van belediging in de zin van art. 266 Sr als een veroordeling onverenigbaar is met het bepaalde in art. 10 EVRM. Uit de jurisprudentie blijkt namelijk dat het mede van de context afhangt of een uitlating als belediging in de zin van art. 266 Sr kan worden aangemerkt. A-G Bleichrodt heeft in een conclusie uit 2019 uiteengezet dat er een ‘driestapsbenadering’ kan worden ontwaard. Er moet worden gekeken naar: (i) de uitlating als zodanig, (ii) de context waarin de uitlating is gedaan, in het bijzonder of het gaat om een uitlating in het politieke debat of als vorm van artistieke expressie (iii) en de vraag of de uitlating niet onnodig grievend is. Het recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van art. 10 EVRM werkt door in dit toetsingskader. De context kan er volgens Bleichrodt toe leiden dat een op zichzelf kwetsende uitlating geen strafbare belediging oplevert. Art. 10 EVRM biedt immers ook bescherming aan Uitlatingen die ‘offend, shock or disturb’:
- ‘10.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr acht dient te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. In de literatuur wordt in deze overwegingen een zogenoemde ‘drietrapsbenadering’ ontwaard. Centraal daarin staan: (i) de uitlating als zodanig, (ii) de context waarin de uitlating is gedaan, in het bijzonder of het gaat om een uitlating in het publieke debat of als vorm van artistieke expressie (iii) de vraag of de uitlating niet onnodig grievend is. Het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting is in dit toetsingskader ingepast. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 10 EVRM niet in de weg staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr indien zodanige veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting vormt. Daarbij gaat het om een inmenging die bij wet is voorzien, een gerechtvaardigd doel dient en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijk is. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van (onder meer) de context waarin de uitlating is gedaan. Daarbij is van belang of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat, of sprake is van een uiting van artistieke expressie en of deze niet onnodig grievend is
- 11.
Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorts dat een uitlating — of een feitelijkheid — beledigend is als deze de strekking heeft om een ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Daarvan is in het algemeen sprake indien de uitlating woorden bevat die als zodanig een beledigend karakter hebben, zoals scheldwoorden. Het oordeel dat van belediging sprake is, zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. Zo kon het hof volgens de Hoge Raad oordelen dat het in aanwezigheid van veel winkelend publiek luidkeels en herhaaldelijk tegen verbalisanten roepen van de woorden ‘ Wat moetje nou mafkees ’ de strekking had hen in hun eer en goede naam aan te tasten. Ook het gebruik van de term ‘mierenneuker’ kon het hof volgens de Hoge Raad, gelet op de context waarin de uitlating was gedaan, als beledigend beschouwen.
- 12.
De context kan aldus aan een uitlating een beledigend karakter verlenen. De context kan er evenwel ook toe leiden dat een op zichzelf kwetsende uitlating geen strafbare belediging oplevert. Daarbij moet worden bedacht dat de vrijheid van meningsuiting ook bescherming biedt aan uitlatingen die ‘offend, shock or disturb’. In een zaak waarin de verdachte werd vervolgd voor groepsbelediging (art. 137c Sr) had het hof geoordeeld dat de uitlating in direct verband stond met de uiting van een geloofsopvatting en voor de verdachte van betekenis was voor een maatschappelijk debat. Het hof achtte de gewraakte uitlating in het licht van de context niet beledigend in de zin van art. 137c Sr. De Hoge Raad oordeelde dat het hof aldus geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de term ‘beledigend’ in de betekenis die daaraan toekomt in art. 137c Sr. De context stond ook aan een veroordeling wegens groepsbelediging in de weg in een zaak waarin de volgende in een column geuite tekst centraal stond: ‘Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen’. Het hof had geoordeeld dat de uitlating ‘op zichzelf beschouwd beledigend is voor Joodse mensen’, maar dat ‘gelet op het onderwerp van de column, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, in het licht van dat onderwerp, column en de inhoud van de column, niet gezegd kan worden dat de betreffende uitlating nodeloos grievend was’. De Hoge Raad overwoog dat het hof als zijn oordeel tot uitdrukking had gebracht dat de verdachte met deze uitlating niet de grenzen had overschreden van hetgeen in het licht van het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting toelaatbaar moet worden geacht en dat die uitlating niet als ‘beledigend jegens een groep mensen wegens hun ras’ als bedoeld in art. 137c, eerste lid, Sr kon worden aangemerkt. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.’
Omdat een veroordeling gelet op het voorgaande in strijd met art. 10 EVRM moet worden geacht, had het hof niet bewezen mogen verklaren dat er sprake was van belediging in de zin van art. 266 Sr, zodat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dit brengt op grond van art. 359, derde en achtste lid, Sv de nietigheid van het arrest van het hof met zich mee.
Tot slot getuigt de overweging op grond waarvan het hof het beroep op het tweede lid van art. 266 Sr heeft verworpen van gelet op het voorgaande van een onjuiste rechtsopvatting, althans die overweging is niet begrijpelijk, aangezien het bepaalde in art. 10 EVRM doorwerkt in het tweede lid van art. 266 Sr. De bijzondere exceptie uit het tweede lid van art. 266 Sr doet zich voor als de gedragingen ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit. Ook op dit punt werkt het recht op vrijheid van meningsuiting door, zo blijkt uit een conclusie van A-G Spronken:
- ‘4.
Het, onder meer in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting, dat voor een deel ook in art. 266 lid 2 Sr tot uitdrukking is gebracht, staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van art, 10 lid 2 EVRM toegelaten — te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke — beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.’
Hiervoor is uiteengezet dat de overweging op grond waarvan het hof oordeelde dat de beperking van de vrijheid van meningsuiting in dit geval niet onverenigbaar is met art. 10 EVRM, en op grond waarvan het hof het beroep op het tweede lid van art. 266 Sr dus heeft verworpen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet begrijpelijk is. Ook dat dient te leiden tot de conclusie dat het arrest van het hof nietig is.
Maastricht, 26 April 2024
mr. T. Straten