Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.4.4
6.4.4 Omvang van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS459094:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Geerts 2004, p. 162.
Vz OK 19 mei 2009, ARO 2009/88 (KPNQwest). Zo ook Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 37.
SER-advies 89/21, p. 16.
Zo ook Geerts 2004, p. 162.
Anders: Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 37.
Dit blijkt wel uit het feit dat het pas twee keer is voorgekomen dat een onderzoeker een verzoek heeft gedaan een niet tot het verstrekken van inlichtingen verplichte persoon als getuige te horen. Zie § 6.6.
Van Hassel 2010, p. 145-146.
Zie § 6.4.5.
Zie § 6.1.1.
Ik wil niet uitsluiten dat er situaties kunnen zijn waarin de rechtspersoon er een gerechtvaardigd belang bij heeft de tot het verstrekken van inlichtingen verplichte persoon aan zijn geheimhoudingsplicht te houden en het evenredigheidsbeginsel meebrengt dat de onderzoekers behoren af te zien van het horen van de desbetreffende persoon.
De verplichting om inlichtingen te verstrekken rust uitsluitend op de in artikel 2:351 BW genoemde personen.1 In de KPNQwest-zaak heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer echter overwogen dat de voormalige accountants van KPNQwest gehouden waren om vragen van de onderzoekers met betrekking tot KPNQwest te beantwoorden, hetgeen volgens hem besloten zou liggen in het wettelijk voorschrift dat de Ondernemingskamer op verzoek van de benoemde onderzoeker derden, onder wie accountants, als getuigen kan horen.2 Een en ander zou bevestiging vinden in SER-advies 89/21, waarin is vermeld dat “personen die door de onderzoekers in staat worden geacht tot het geven van opheldering over – naar hun oordeel relevante – feiten betreffende de rechtspersoon op wiens beleid en gang van zaken het onderzoek zich richt doch die niet bereid zijn tot het geven van die opheldering (...) tot het afleggen van getuigenis (moeten) kunnen worden verplicht (...)”, waarbij onder anderen moet worden gedacht aan “(...) buitenstaanders die tot de rechtspersoon in enigerlei (zakelijke) relatie staan of stonden (accountants, adviseurs e.d.)”.3 Dit oordeel is niet in overeenstemming met de tekst van artikel 2:351 BW. Het argument dat een derde verplicht is inlichtingen te verstrekken omdat hij als getuige kan worden gehoord en dan tot antwoorden is verplicht is niet valide. In een gewone civiele procedure kan ook eenieder als getuige worden opgeroepen. Daaruit vloeit nog niet voort dat een als getuige op te roepen of zelfs opgeroepen persoon ook verplicht is om buiten rechte aan de procespartijen inlichtingen te verschaffen.4 Om dezelfde reden meen ik dat andere personen als bedoeld in artikel 2:8 BW, bijvoorbeeld aandeelhouders, certificaathouders en bestuurders van een stichting administratiekantoor niet verplicht zijn om inlichtingen aan de onderzoekers te verstrekken.5 Veel praktische betekenis heeft het antwoord op de vraag of de kring van tot het verstrekken van inlichtingen verplichte personen ruimer is dan de personen genoemd in artikel 2:351 BW niet, omdat de ervaring leert dat de meeste personen die de onderzoekers willen spreken, ook wel onverplicht bereid zijn inlichtingen te verstrekken.6 Anders dan Van Hassel zie ik geen aanleiding de plicht tot het verstrekken van inlichtingen ook te leggen op niet statutaire functionarissen en adviseurs.7 De huidige regeling voldoet in de praktijk.
Indien de te horen persoon een wettelijke (advocaat, notaris) of contractuele (accountant) geheimhoudingsplicht heeft, zal hij die in beginsel moeten eerbiedigen.8 In dit verband merk ik op dat indien een persoon die de onderzoekers willen interviewen, een contractuele geheimhoudingsverplichting heeft waaruit de rechtspersoon hem kan ontslaan, de rechtspersoon mijns inziens in beginsel gehouden is dat desgevraagd ook te doen teneinde een interview met de desbetreffende persoon door de onderzoekers mogelijk te maken. Dit vloeit voort uit de algemene verplichting van de rechtspersoon om mee te werken aan het onderzoek.9 Indien de rechtspersoon hiertoe niet bereid zou zijn, zou de raadsheer-commissaris op verzoek van de onderzoekers hem hiertoe op de voet van artikel 2:352 BW kunnen veroordelen.10 Ten slotte wijs ik nog op artikel 20 lid 3 WOR, dat, kort gezegd, bepaalt dat de geheimhoudingsplicht van de leden van (de commissies van) de ondernemingsraad niet geldt ten opzichte van de onderzoekers.