Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.2.6
5.4.2.6 Benaming niet beslissend
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS583079:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De NVvR is immers niet te beschouwen als een bevoegd orgaan voor de vaststelling van rechtersregelingen. Zie hierover ook § 4.4.4.4.
Behoudens de ('inherente') mogelijkheid tot afwijking in bijzondere gevallen. Zie daarover § 4.4.5.3 en § 6.2.2.
Zie over dit rapport van de NVvR, dat 'aanbevelingen' bevat inzake de vergoeding van (bedongen en niet-bedongen) buitengerechtelijke kosten, uitgebreider § 2.5.
Zie bijv. HR 3 april 1998 (Lindeboom/Beusmans), NJ 1998, 571 (r.o. 3.3) en - impliciet -HR 1 december 1995, NJ 1996, 272.
Zie § 4.4.5.3.
Zie hierover § 5.3.3.
Bij een beoordeling aan de hand van de hiervóór genoemde gezichtspunten of een rechtersregeling zich naar inhoud en strekking leent voor toepassing als rechtsregel, dient de benaming van de regeling niet beslissend te zijn. Zo zijn rechtersregelingen als de alimentatienormen, het liquidatietarief of het rapport Voor-werk II door de opstellers ervan gepresenteerd als 'aanbevelingen' of 'richtlijnen'. Het is natuurlijk zo dat al deze regelingen afkomstig zijn van de NWR en dus reeds daarom niet voldoen aan de eisen voor recht in de zin van art. 79 RO.1 Mogelijk is dat tevens de reden voor de gekozen benaming: aan te nemen valt dat de nvvr zich ook bewust is van het feit dat zij rechters of rechterlijke instellingen niet kan binden. Indien echter dergelijke rechtersregelingen onder dezelfde benaming door (bijvoorbeeld) alle rechtbanken zouden worden overgenomen als eigen regeling, zouden zij zich dan louter vanwege de benaming niet lenen voor toepassing als rechtsregel?
Wanneer we kijken naar de formulering en vormgeving zien we in al deze gevallen regelingen die een sterke gelijkenis vertonen met 'echte' wetgeving. Ik doel hierbij met name op de mate van uitwerking en de onvoorwaardelijke formulering, die weinig of geen ruimte voor de rechter overlaat.2 Zo luidt bijvoorbeeld de eerste aanbeveling uit het rapport Voor-werk II:3
"Een vordering ter zake van bedongen buitengerechtelijke kosten, waaromtrent onweersproken wordt gesteld dan wel na betwisting wordt bewezen dat kosten zijn gemaakt, wordt - zonodig met toepassing van art. 57ab Rv4 - forfaitair gematigd tot twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg met een maximum van 15% van de hoofdsom, te vermeerderen met de tot aan de dagvaarding vervallen rente voorzover deze in een bedrag is uitgedrukt (-), een en ander tenzij de schuldeiser gemotiveerd stelt en zo nodig bewijst dat de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan het forfaitaire bedrag als hiervoor bedoeld en deze redelijk zijn."
Veel uitgewerkter en concreter kan een regel bijna niet zijn. Een 'aanbeveling' als deze leent zich naar inhoud en strekking wel degelijk voor toepassing als rechtsregel en kan niet enkel vanwege de benaming buiten het bereik van art. 79 RO vallen. Onjuist is dan ook de redenering die soms - ook door de Hoge Raad - wel gevolgd wordt: bepaalde rechtersregelingen, zoals de alimentatienormen of de liquidatietarieven, zijn geen recht in de zin van art. 79 RO omdat het slechts (niet-bindende) aanbevelingen zijn.5 Deze redenering komt, teruggebracht tot de kern, neer op: 'ze binden niet omdat ze niet binden'. Afgezien van het feit dat dit een cirkelredenering is, wordt aldus voorbijgegaan aan het feit dat binding aan een rechtersregeling rechtens reeds kan ontstaan door vaststelling door het bevoegde orgaan, in combinatie met een behoorlijke bekendmaking die heeft plaatsgevonden met goedvinden van de betrokken rechters of gerechten.6
Wel moet hierbij worden aangetekend, dat een bekendmaking 'onder voorbehoud' zal kunnen verhinderen dat een rechtersregeling (indien deze ook aan de overige eisen daarvoor voldoet) de rechter bindt en als recht in de zin van art. 79 RO kan worden aangemerkt.7 In die zin kan de bedoeling van de opstellers van een rechtersregeling wel degelijk invloed hebben op het ontstaan van binding daaraan. Aan het hier bedoelde voorbehoud zal mijns inziens echter de eis gesteld moeten worden, dat dit ondubbelzinnig wordt gemaakt. Ook hierbij is de benaming van de regeling niet beslissend. In feite zou dit alles overigens ook reeds uit het rolrichtlijnen-arrest kunnen worden afgeleid: de benaming van de desbetreffende rechtersregeling - rcArichtlijn en niet bijvoorbeeld rolreglement - stond immers geenszins in de weg aan kwalificatie daarvan als recht in de zin van art. 79 RO.