Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.3:5.4.3 Conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.3
5.4.3 Conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575936:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de beoordeling of een rechtersregeling zich naar inhoud en strekking leent voor toepassing als rechtsregel kunnen verschillende gezichtspunten een rol spelen: (a) de algemene werking; (b) de externe werking; (c) de bindende werking; en (d) de formulering en mate van concretisering van een regeling (zij mag niet een volledig onbepaald of vrijblijvend karakter hebben). Al deze gezichtspunten hebben evenwel weinig tot geen zelfstandige waarde: de hantering hiervan zal slechts zelden leiden tot het oordeel dat een rechtersregeling zich niet ertoe leent, jegens betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast. Van een voldoende algemene werking blijkt al zeer snel sprake te zijn. Externe werking zal bij een gepubliceerde rechtersregeling slechts in uitzonderingsgevallen ontbreken, aangezien dergelijke regelingen vrijwel steeds de strekking hebben, de rechtspositie van partijen (mede) te beïnvloeden. De bindende werking van een rechtersregeling kan ontstaan op grond van het feit dat de regeling berust op zelfbinding en behoorlijk bekendgemaakt is; beide voorwaarden vormen echter al afzonderlijke eisen voor kwalificatie van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO. Ook de zelfstandige betekenis van het onder (d) genoemde gezichtspunt is (zeer) gering: niet spoedig kan op deze grond worden aangenomen dat een rechtersregeling, althans een bepaling daaruit, zich in het geheel niet leent voor toepassing als rechtsregel.
Net zoals dat bij de bekendmakingseis het geval was, zal ook ten aanzien van de 'toepasbaarheid als rechtsregel' uiteindelijk van geval tot geval beoordeeld moeten worden of hieraan voldaan is. De benaming van een rechtersregeling is in dit verband niet beslissend; het gaat om de inhoud en strekking van de regeling. Het is hierbij bovendien denkbaar - zo kan althans uit de jurisprudentie met betrekking tot beleidsregels worden afgeleid - dat een rechtersregeling zich slechts gedeeltelijk leent voor toepassing als rechtsregel. Een en ander betekent dat het in deze paragraaf besproken criterium in feite noodzaakt tot een inhoudelijk onderzoek van de desbetreffende regeling, alvorens de vraag kan worden beantwoord of deze wel of geen recht in de zin van art. 79 RO vormt. Mede gelet op de geringe zelfstandige waarde ervan is dan ook de vraag of de eis van het 'zich naar inhoud en strekking lenen voor toepassing als rechtsregel' niet beter zou kunnen vervallen.