Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.1:5.4.1 Algemeen
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.1
5.4.1 Algemeen
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575937:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Savornin Lohman 1978, p. 17-18.
De Savornin Lohman bepleit daarnaast gelijkstelling in het kader van art. 48 (oud, thans art. 25) Rv. In het Leidraad-arrest heeft de Hoge Raad daaromtrent anders geoordeeld: de rechter is niet gehouden tot ambtshalve toepassing van de door een bestuursorgaan vastgestelde beleidsregels (zie HR 28 maart 1990, NJ 1991,118 m.nt. MS, r.o. 4.8; zie ook § 4.2.3). Zie over de vraag of zulks voor rechtersregelingen eveneens heeft te gelden § 6.4.
Zie § 4.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het laatste door de Hoge Raad gestelde vereiste waaraan een rechtersregeling moet voldoen om als recht in de zin van art. 79 RO te kunnen gelden, is dat deze zich 'naar inhoud en strekking ertoe leent, jegens de daarbij betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast'. De formulering is mogelijk geïnspireerd door een artikel van De Savornin Lohman.1 Hij schrijft hierin onder meer:
"Wanneer het bestuur naar buiten toe regels uitvaardigt op een terrein dat de wetgever open heeft gelaten, hangt het van inhoud en strekking van die regels af of zij in de maatschappij fungeren als rechtsregels. Indien zij in de dagelijkse omgang tussen overheid en burgers als zodanig worden gehanteerd, is er geen goede reden om dit anders te laten zijn wanneer het tot een proces komt." [cursiveringen van mij, KT]
De Savornin Lohman doelt in deze passage op beleidsregels, die in veel gevallen niet alleen op 'officieel' aandoende wijze gepubliceerd worden, maar er meestal ook niet anders uitgezien zouden hebben indien zij niet van het bestuur, maar van de wetgever afkomstig waren geweest. Zijn betoog komt erop neer dat wanneer bepaalde (beleids)regels zodanig op wetgeving (in materiële zin) lijken dat zij in de maatschappij een vergelijkbare werking en functie hebben, zij ook in rechte, in het bijzonder bij de toepassing van art. 79 RO,2 daarmee gelijkgesteld dienen te worden. Zoals bekend is de Hoge Raad in de 'beleidsregel'-arresten uit 1990 hiertoe inderdaad expliciet overgegaan.3