Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.2.3
5.4.2.3 Naar buiten toe werkende regel
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575938:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een korte weergave hiervan § 4.2.
Zie bijv. HR 10 juni 1919, NJ 1919, 647 en 650.
Zie bijv. HR 25 april 1969 (Pluvier), NJ 1969, 303 m.nt. D.J.V., alsmede HR 29 juni 1979 (Stein/Gem. Meeden), NJ 1981, 562 m.nt. MS.
HR 28 maart 1990, NJ 1991,118 m.nt. MS; HR 19 juni 1990, NJ 1991,119 m.nt. ThWvV en MS; HR 29 juni 1990, NJ 1991, 120.
Vgl. over interne en externe werking van beleidsregels Van Ommeren 1996, p. 268-285.
Een rechtersregeling met een zodanige inhoud zal waarschijnlijk worden vastgesteld bij of krachtens het reglement dat het gerechtsbestuur ingevolge art. 19 lid 1 RO dient vast te stellen. Zo bepaalt bijv. het 'Reglement als bedoeld in artikel 4.3 bestuursreglement rechtbank Maastricht' (Stcrt. 2002, nr. 93), dat de voorzitters van de verschillende sectoren het aantal, de samenstelling en het rooster van de kamers binnen hun sector bepalen.
Gepubliceerd op www.rechtspraak.nl (onder 'Reglementen').
Zie ook § 1.3.
Vgl. de in hoofdstuk 2 besproken voorbeelden van rechtersregelingen.
Een tweede gezichtspunt voor de invulling van het hier besproken vereiste kan gevonden worden in de historische context van art. 79 RO.1 In de periode dat art. 79 (toen overigens nog art. 99) RO nog van 'wet' in plaats van 'recht' sprak, moest het daarbij gaan om 'naar buiten toe werkende, tot een ieder gerichte algemene regelingen'.2 Na de wetswijziging van 1963, waarbij de cassatiegrond 'schending van de wet' werd verruimd tot 'schending van het recht', is de Hoge Raad als eis gaan stellen dat sprake is van 'naar buiten werkende, voor de bij die regeling betrokkenen bindende voorschriften'.3 Sinds de in 1990 gewezen arresten inzake beleidsregels als recht in de zin van art. 79 RO4 is deze formulering vervangen door de zinsnede 'zich naar inhoud en strekking ertoe lenen jegens de bij de desbetreffende regeling betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast'.
Hoewel de formuleringen verschillen is de achterliggende ratio van art. 79 RO min of meer dezelfde gebleven, namelijk dat de controle van de cassatierechter zich (uitsluitend) dient uit te strekken tot die regelingen die niet slechts een 'interne' betekenis (bijvoorbeeld binnen een bestuursorgaan), maar tevens een bepaalde externe werking hebben. Uit de vervanging van de formulering 'tot een ieder gerichte regel' door het criterium 'naar buiten werkende, voor betrokkenen bindende' voorschriften blijkt dat het, zoals in § 5.4.2.2 al werd aangestipt, niet noodzakelijk is dat deze externe werking 'algemeen' is in die zin dat zij zich in potentie uitstrekt tot alle rechtssubjecten.
Wanneer kan nu worden aangenomen dat een (rechters)regeling de hier bedoelde externe werking heeft, zodat zij zich in zoverre leent voor toepassing als rechtsregel? Een eerste voorwaarde hiervoor zal zijn dat de desbetreffende regeling gepubliceerd is, ook buiten de kring van de betrokken rechters of gerechten. In dit opzicht is derhalve sprake van een overlap met het in § 5.3 besproken vereiste van behoorlijke bekendmaking. Bekendmaking is echter niet, althans niet in alle gevallen, voldoende om externe werking (en daarmee: toepasbaarheid als rechtsregel) te kunnen aannemen. Er bestaan namelijk ook rechtersregelingen die, zelfs wanneer zij bekendgemaakt zouden zijn, een louter interne betekenis binnen een of meer gerechten hebben, waarmee ik bedoel dat zij uitsluitend gericht zijn tot de betrokken rechters en naar hun aard niet ertoe strekken de (procesrechtelijke of materieelrechtelijke) rechtspositie van partijen (mede) te beïnvloeden.5
Zo zal een rechtersregeling waarin wordt geregeld op welke wijze zaken die tot de competentie van een bepaalde sector van een rechtbank behoren, over de binnen die sector functionerende kamers worden verdeeld,6 geen 'externe werking' hebben, anders gezegd: zich niet ertoe lenen om jegens partijen als rechtsregel te worden toegepast. Wanneer een dergelijke regeling niet of onjuist wordt toegepast (de zaak wordt bijvoorbeeld aan een andere kamer binnen dezelfde sector toebedeeld), is immers niet goed denkbaar dat een der partijen in cassatie met succes een beroep op deze regeling zou kunnen doen, met als gevolg dat de bestreden uitspraak wegens 'schending van het recht' (te weten de bewuste rechtersregeling) zou moeten worden vernietigd.
Een soortgelijk voorbeeld vormt de 'Persrichtlijn voor de Rechtspraak 2003',7 waarin onder meer is aangegeven in welke gevallen en op welke wijze het maken van geluids-, film- of foto-opnamen in de rechtszaal zal worden toegestaan. Voor deze rechtersregeling geldt eveneens dat niet goed voorstelbaar is dat een der partijen, in het kader van hoger beroep of beroep in cassatie tegen een bepaalde uitspraak, met succes een beroep zou kunnen doen op de eventuele schending van de Persrichtlijn door de (lagere) rechter. Hooguit zou een onjuiste toepassing van de Persrichtlijn op een meer indirecte wijze een rol kunnen spelen, bijvoorbeeld in het kader van de vraag of art. 6 EVRM (in het bijzonder de eis van openbaarheid van de rechtspleging) is geschonden. Niettemin kan ook van deze rechtersregeling worden gezegd dat zij zich niet ertoe leent, rechtstreeks als rechtsregel te worden toegepast jegens de partijen in een bepaalde procedure.
Overigens komt het mij voor dat het bij de hier genoemde voorbeelden om uitzonderingsgevallen gaat. Verreweg de meeste rechtersregelingen hebben immers niet uitsluitend een interne betekenis maar hebben, nu zij uit de aard der zaak steeds betrekking hebben op de wijze van behandeling of beslissing van zaken,8 juist (mede) de strekking, de procesrechtelijke of materieelrechtelijke rechtspositie van partijen te beïnvloeden.9 Het zal zich dus slechts zelden voordoen dat een rechtersregeling op déze grond - wegens het ontbreken van externe werking - buiten het kader van art. 79 RO komt te vallen.