Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/9.3
9.3 Roekeloosheid (art. 7:952 BW)
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS359377:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nadere MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, E, p. 13. Zie voor een bespreking van roekeloosheid in breder, privaatrechtelijk verband I. Haazen, Roekeloosheid en bewuste roekeloosheid in de systematiek van het Burgerlijk Wetboek (I), WPNR 2004/6569, p. 193. Zie voor een bespreking van deze materie ook K.F. Haak, 'Roekeloosheid in het nieuwe verzekeringsrecht: oude wijn in nieuwe zakken?', in: de Wansink-bundel 2006, p. 261 e.v.
Vgl. Wansink, AV&S 2004, p. 68, waarin hij erop wijst dat de onbewustheid voor het categorie merkelijke schuld door de Hoge Raad reeds is aangenomen in zijn arrest van 4 april2003, NJ 2004, 536. Zie ook Van Eijk-Graveland (diss.), t.a.p., p. 40.
De bescherming, die de brandverzekeraar onder de thans geldende regeling in titel 7.17 BW wordt geboden, is minder dan voorheen; de verzekeraar immers kan op grond van art. 7:952 BW vergoeding van brandschade nog slechts afwijzen indien de verzekerde met opzet of roekeloos gehandeld heeft. In die zin is de positie van de verzekeraar dus in enige mate verzwaard ten opzichte van de 'oude' regeling. Een troost daarbij is dat de wetgever - om te voorkomen dat de verzekeraar in een onmogelijke bewijspositie wordt gebracht - er binnen het verzekeringsrecht oog voor heeft gehad dat van roekeloosheid (de in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld) ook sprake kan zijn indien de dader zich niet bewust is van de schade die zijn handeling kan meebrengen.1 Er is mitsdien sprake van een uitsluiting voor zowel bewuste als onbewuste roekeloosheid.2 De verwachting is - zoals hiervoor reeds aangestipt - evenwel dat verzekeraars ondanks het wettelijk regiem van art. 7:952 BW in hun polisvoorwaarden aansluiting zullen (blijven) zoeken bij de - in de jurisprudentie behoorlijk uitgekristalliseerde - regeling omtrent merkelijke schuld, juist ook om de door Van der Grinten3 benoemde schaduwzijde van 7:952, te weten dat deze ruimere dekking 'slordigheid van de verzekerde in de hand werkt en dat de premie voor de verzekering stijgt', te voorkomen.