Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.2.4:5.4.2.4 Bindende regel
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.2.4
5.4.2.4 Bindende regel
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575957:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 5.4.2.2 en § 5.4.2.3.
Vgl. Poortinga 2001, p. 15.
Zie § 4.4.5.3 en § 6.2.2.
Zoals HR 28 maart 1990, NJ 1991,118 m.nt. MS (r.o. 4.6) het voor beleidsregels formuleert.
Zie § 4.5.5.
Aldus bijv. Bok 1997, p. 238-239.
Vgl. HR 26 februari 1999 (Ajax/Reule), NJ 1999,717 m.nt. HJS; zie over dit arrest ook § 6.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een verder gezichtspunt waaraan bij de invulling van het vereiste 'zich naar inhoud en sfrekking lenen voor toepassing als rechtsregel' kan worden gedacht is het volgende. Het karakter van een regeling als rechtsregel wordt - naast de eerder besproken algemene en externe werking daarvan1 - in belangrijke mate bepaald door feit dat deze regeling (voor betrokkenen) in juridische zin bindend is.2 In § 4.4.5.2 is al gebleken dat een rechtersregeling die is vastgesteld door het daartoe bevoegde orgaan én behoorlijk bekendgemaakt is, reeds vanwege de combinatie van deze twee elementen de rechter ten opzichte van partijen kan binden, en wel op grond van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging. Het gaat hierbij strikt genomen om een zwakkere binding dan aan de wet bestaat: van rechtersregelingen kan bijvoorbeeld in bijzondere omstandigheden steeds worden afgeweken.3 De aard van deze (beperktere) gebondenheid doet echter aan de mogelijkheid tot 'toepassing als rechtsregel' niet af.4 In dit opzicht mist het vereiste 'zich lenen voor toepassing als rechtsregel' derhalve zelfstandige waarde: het berusten op zelfbinding en een behoorlijke bekendmaking vormen immers al afzonderlijke voorwaarden voor kwalificatie van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO.
Bij het voorgaande moet overigens worden opgemerkt, dat de mogelijkheid tot (voorafgaande) zelfbinding niet in alle gevallen kan worden aangenomen. Wanneer het gaat om de beantwoording van rechtsvragen is naar mijn mening een dergelijke vorm van binding niet goed mogelijk, zodat een wetsinterpreterende rechtersregeling ook niet als recht in de zin van art. 79 RO aangemerkt zal kunnen worden.5 Anders dan in de literatuur wel is betoogd,6 berust dit echter niet op de grond dat dergelijke regelingen zich niet zouden lenen voor toepassing als rechtsregel. Integendeel: ook een wetsinterpreterende rechtersregeling, bijvoorbeeld inhoudend 'een kort geding kan gelden als een eis in de hoofdzaak als bedoeld in art. 700 lid 3 Rv'7 leent zich (objectief bezien) zeer wel voor toepassing als rechtsregel - eigenlijk beter dan de wet zelf, die op dit punt immers voor meerdere uitleg vatbaar bleek.