Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/5.15
5.15 Een beroep op de uitstelregeling ingeval niet aan alle voorwaarden van de uitstelregeling is voldaan
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS493883:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie het AFM-rapport Ruim een jaar toezicht op marktmisbruik (2007), p. 29.
Voor een soortgelijke benadering heb ik ook gepleit in mijn annotatie onder het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement 7 mei 2004, JOR 2004/208 m.nt. G.T.J. Hoff (Koninklijke Ahold N.V.). Op voorwaarde dat beleggers ervan op aan kunnen dat de achtergehouden informatie vertrouwelijk zal worden gehouden door de uitgevende instelling, heb ik steun betuigd aan de gedachte dat aan uitgevende instellingen iets meer largesse gegund dient te worden bij een beoordeling van de vraag of zij in algemene bewoordingen een mededeling moeten doen over een fraude of een winstontwikkeling. Beleggers hebben er immers baat bij dat eerst een afgewogen beoordeling daarvan plaatsvindt, zodat voorkomen wordt dat overhaaste en daardoor misschien wel misleidende mededelingen worden gedaan. Eenzelfde redenering gaat ook op in het kader van de uitstelregeling van art. 5:25i lid 3 Wft.
De AFM verwijst wat flauw naar koersgevoelige informatie die bijvoorbeeld vervat is in een uitgeprint e-mailbericht dat per ongeluk is blijven zitten in de binnenzak van een pak dat naar de stomerij is gebracht.
Een rechtmatig beroep op de uitstelregeling veronderstelt dat de uitgevende instelling in staat is te voldoen aan alle hiervoor besproken voorwaarden van art. 5:25i lid 3 Wft. Het uitstel mag namelijk slechts voortduren zolang aan elk van de drie in art. 5:25i lid 3 Wft genoemde voorwaarden wordt voldaan. Zodra dit niet langer het geval is, verliest de uitgevende instelling haar aanspraak op uitstel en dient de koersgevoelige informatie alsnog onverwijld openbaar te worden gemaakt.
Ondanks deze ogenschijnlijk mechanische werking van de uitstelregeling, heeft de AFM laten blijken dat bij de toepassing daarvan rekening mag worden gehouden met het doel van de wettelijke regeling.1 Het welhaast overdadige gebruik van open normen in de aan de uitstelregeling verbonden voorwaarden geeft voor een minder mechanische werking daarvan bovendien ook alle ruimte. Het voorgaande impliceert dat een beroep op de uitstelregeling ook kan worden gedaan indien aan één of meer van de voorwaarden niet (geheel) wordt voldaan maar de handelwijze van de uitgevende instelling desalniettemin geen gevaar oplevert voor de met de wettelijke regeling van de openbaarmakingsplicht nagestreefde doelstellingen.
In § 3.4.6 hebben wij gezien dat met de wettelijke regeling van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie onder meer wordt nagestreefd de informatieongelijkheid tussen verschillende groepen van beleggers te voorkomen en, in meer abstracte zin, de marktintegriteit te waarborgen en het vertrouwen van de beleggers in de effectenmarkt te vergroten waardoor de adequate functionering van deze markt wordt bevorderd. Mede in het licht van deze doelstellingen van de wettelijke regeling van de openbaarmakingsplicht zullen de drie in art. 5:25i lid 3 Wft genoemde voorwaarden uitgelegd dienen te worden, en zal op basis daarvan een eindoordeel moeten worden gegeven over de vraag of de uitgevende instelling al dan niet terecht heeft besloten tot uitstel van openbaarmaking. Volgens de AFM kunnen de drie aan de uitstelregeling verbonden voorwaarden soms zelfs tegen elkaar worden afgewogen.2 De aard van deze voorwaarden is namelijk zodanig dat ze niet uitsluitend binair kunnen worden benaderd, maar ook gradueel. Wanneer bijvoorbeeld de informatie niet strikt vertrouwelijk wordt gehouden, kan het risico op informatieongelijkheid desondanks klein zijn. Bij beoordeling of een uitgevende instelling rechtmatig tot uitstel heeft besloten, vinkt de AFM niet louter de genoemde voorwaarden af, maar worden deze in onderlinge samenhang bezien en gewogen. Zo kan in een geval waarin het rechtmatige belang van de uitgevende instelling bij uitstel erg groot is en er geen misleiding van het publiek te duchten is, een besluit van de uitgevende instelling tot uitstel van openbaarmaking eventueel toch rechtmatig zijn, ook al is de informatie niet strikt vertrouwelijk gebleven.3