Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/6.3.10
6.3.10 Frauduleuze handelingen
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS496279:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bedacht moet worden dat het plegen van fraude niet als zodanig strafbaar is gesteld. Frauduleuze handelingen worden in het strafrecht omschreven als opzettelijke valsheids- en bedrogsmisdrijven, of als handelen in strijd met strafbepalingen van economisch ordeningsrecht, zoals fiscaal of economisch strafrecht.
Nieuwe Weme en Stevens noemen 'fraude of bedrog' ook als één van de voorbeelden van koersgevoelige informatie. Zie Nieuwe Weme/Stevens, Serie OO&R, deel 34(2008), p. 224-225. Mijns inziens hebben deze auteurs ten onrechte slechts oog voor de financiële gevolgen die aan fraude of bedmg (kunnen) zijn verbonden.
Zie het persbericht van 24 februari 2003 van Koninklijke Ahold N.V. (Ahold armounces significantly reduced earnings expected for 2002).
Zie het persbericht van 18 april 2007 van Heineken N.V. (Heineken finds European Commission decision excessive and unjustified) en van Grolsch N.V. (Grolsch gaat in beroep tegen uitspraak Europese Commissie).
Zie het persbericht van 9 januari 2004 van (de rechtsvoorgangster van) Shell Petroleum N.V. (Proved reserve recategorisation following internal review: No material effect on financial statements.). De afdeling Compliance & Investigation van Euronext Amsterdam heeft naar aanleiding van dit persbericht onderzoek gedaan naar de naleving door Shell van de publicatieplicht van art. 28h Fondsenreglement in de periode direct voorafgaand aan de publicatie van het persbericht. Blijkens haar besluit van 7 maart 2006 heeft de Adviescommissie Fondsenreglement besloten de behandeling van het verzoek om advies van Euronext Amsterdam voor onbepaalde tijd aan te houden. De motivering van het besluit was hierin gelegen dat Shell inmiddels in een juridische procedure was betrokken, waarbij in Nederland gevestigde eisers Shell ten overstaan van een buitenlandse rechter aansprakelijk stelden voor feiten die minstens gedeeltelijk samenvielen met de feiten die Euronext Amsterdam aan het oordeel van de Commissie wenste te onderwerpen. De Commissie nam van Shell aan dat er een gerede mogelijkheid was dat in dit geschil met partijen die zich (ook) tot de Nederlandse rechter kunnen of zullen wenden aan de bevindingen van deze Commissie betekenis zal worden toegedicht die geen rechtvaardiging vindt in de aard van de procedure ten overstaan van deze Commissie. De Commissie heeft zich daarbij mede beroepen op de strekking van art. 10 lid 2 van het Reglement Adviescommissie Fondsenreglement. Die bepaling schrijft aan de ene kant voor dat een adviesverzoek van Euronext Amsterdam wordt aangehouden door de Commissie in geval van een procedure die aanhangig is of vermoedelijk aanhangig zal worden gemaakt bij een bevoegde Nederlandse rechter, maar bepaalt aan de andere kant dat van aanhouding in bijzondere omstandigheden kan worden afgezien. Tot die bijzondere omstandigheden worden gerekend: (i) dat de aard en de ernst van de overtreding van dien aard zijn dat een noteringsmaatregel als bedoeld in art. 65 Fondsenreglement geboden is of (ii) dat een dergelijke aanhouding niet gewenst is met het oog op de verantwoordelijkheden van Euronext Amsterdam als bevoegde autoriteit in de zin van de Europese richtlijnen of de adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van beleggers op die markten. Met dit oordeel heeft de Adviescommissie Fondsenreglement mijns inziens aan het einde van haar bestaan alsnog blijk gegeven van een te enge taakopvatting. Ook ingeval de uitgevende instelling een persbericht heeft uitgebracht en de effectenmarkt inmiddels adequaat is geïnformeerd, is het wenselijk dat een daartoe speciaal door Euronext Amsterdam in het leven geroepen commissie een oordeel velt over de naleving van de publicatieplicht door een uitgevende instelling indien — zoals hier — er meer dan gerede twijfel over bestaat of de bewuste uitgevende instelling zich daar wel meerjarig aan heeft gehouden. In schril contrast hiermee staat de voortvarendheid en beslistheid waarmee de Britse Financial Services Authorio., bij besluit van 24 augustus 2004 een boete van maar liefst £ 17 miljoen aan Shell heeft opgelegd wegens market abuse en een overtreding van de listing rules (zie www.fsa.gov.uk).
Ook Wakkie wijst erop dat de noodzaak kan bestaan om reeds het instellen van een intern onderzoek door middel van een persbericht bekend te maken omdat de aard en de ernst van de mogelijke onregelmatigheden koersgevoelig zijn. Indien een dergelijk persbericht is uitgebracht, zal in de regel ook de uitkomst van het intern onderzoek door middel van een persbericht openbaar moeten worden gemaakt. Zie Wakkie, Serie VIS, deel 99(2009), p. 125.
Zie ook Het Financieele Dagblad van 31 januari 2004 (Financiële schade gesjoemel blijft beperkt voor Adecco).
Zie Het Financieele Dagblad van 2 juni 2004 (Onderzoek kost Adecco 100 min).
In het geval een uitgevende instelling zich schuldig heeft gemaakt aan één of andere vorm van frauduleus handelen1 waaraan ingrijpende financiële gevolgen verbonden (kunnen) zijn of dat een bijzonder licht werpt op de integriteit van de ondernemingsleiding, dan zal dit al spoedig koersgevoelige informatie kunnen opleveren.2 Recente voorbeelden zijn de boekhoudfraude bij US Foodservice, een dochtermaatschappij van Koninklijke Ahold N.V.,3 de kartelvorming van een aantal bouwondernemingen (waaronder Heijmans N.V. en Koninklijke BAM Groep N.V.) en bierbrouwers (waaronder Heineken N.V. en Grolsch N.V.),4 de effectenfraude door Van der Moolen Specialists USA, een dochtermaatschappij van Van der Moolen N.V. en de overwaardering van de oliereserves door Shell Petroleum N.V.5 Andere vormen van ondernemingsfraude zijn bijvoorbeeld milieufraude en belastingontduiking.
In haar advies van 7 mei 2004, JOR 2004/208 m.nt. G.T.J. Hoff (Koninklijke Ahold N.V.) heeft de Adviescommissie Fondsenreglement enkele richtsnoeren gegeven hoe met dit soort bijzondere gebeurtenissen in het licht van de openbaarmakingsverplichting van art. 28h Fondsenreglement (oud) moet worden omgegaan.
Aanleiding voor het onderzoek van de afdeling Compliance & Investigation van Euronext Amsterdam in deze zaak was de publicatie van een persbericht door Koninklijke Ahold N.V. op 24 februari 2003 (voorbeurs). In dat persbericht werd vermeld dat het resultaat over 2002 significant lager zou zijn dan verwacht en dat de jaarcijfers over 2000 en 2001 en de interim-resultaten over 2002 moesten worden herzien. De oorzaak hiervan was gelegen in overwaardering van inkomsten in verband met programma's voor promotionele bijdragen bij US Foodservice. Ook werd door Ahold in het persbericht vermeld dat een aantal internationale joint ventures niet langer integraal geconsolideerd kon worden. Het persbericht vermeldt daarover nogal cryptisch dat een besluit tot proportionele consolidatie was genomen naar aanleiding van informatie die voorheen niet voor de controlerende accountants beschikbaar was. Tevens werd aangekondigd dat de heren Van der Hoeven en Meurs, respectievelijk de chief executive officer en de chief financial officer van Ahold, zullen aftreden. In het persbericht werd ten slotte nog melding gemaakt van het feit dat een syndicaat van banken aan Ahold een kredietfaciliteit van € 3,1 miljard had toegezegd. In reactie op dit persbericht daalde de beurskoers van Ahold, bij zeer hoge handelsvolumes, met ongeveer 63%. Nadien verschenen er berichten in de media dat de problemen bij Ahold bij diverse betrokkenen al langer bekend zouden zijn geweest.
In dit door Euronext Amsterdam aan de Adviescommissie Fondsenreglement voorgelegde geval was de Commissie van oordeel dat sprake was van twee kennelijke overtredingen van art. 28h Fondsenreglement door Ahold. In de omstandigheden van het geval ziet de Commissie aanleiding Euronext Amsterdam te adviseren Ahold een ernstige schriftelijke waarschuwing te geven. Euronext Amsterdam heeft dit advies van de Commissie overgenomen. Ahold heeft daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met het besluit van Euronext Amsterdam en evenmin met het advies van de Commissie, dat volgens Ahold gebaseerd zou zijn "op een incomplete en incorrecte interpretatie van de feiten".
Uit het advies blijkt dat de Adviescommissie Fondsenreglement van oordeel is dat Ahold art. 28h Fondsenreglement heeft overtreden door niet op of kort na 13 januari 2003 de gerezen (gerede) twijfel over de mogelijkheid tot consolidatie van de joint venture ICA Ahold AB onder Dutch GAAP voor het boekjaar 2002 openbaar te maken. Op 13 januari 2003 rapporteerden prof. mr. S.E. Eisma en mr. J.M. van Dijk aan het Audit Committee inzake het onderzoek naar de gang van zaken rond de ICA Control Letter en de ICA Sideletter. In het rapport werd onder meer geconcludeerd dat Ahold geen de jure control over ICA heeft en dat de ICA Sideletter bewust door Meurs is achtergehouden voor Deloitte & Touche. Daaraan voorafgaand had prof. dr. J. Klaassen in een brief van 10 januari 2003 aangegeven dat de consolidatie van ICA vanaf de aankoop van het belang in strijd was met Dutch GAAP en dat ook thans nog is. De Commissie overweegt tevens dat naar haar oordeel op dat moment reeds in voldoende mate vaststond, dat consolidatie van ICA onder Dutch GAAP voor de boekjaren 2000 en 2001, alsmede consolidatie van ICA onder US GAAP voor de jaren 2000, 2001 en 2002 niet kon worden gehandhaafd. Onder de gegeven omstandigheden moet de (vermoedelijk) onterechte consolidatie als koersgevoelige omstandigheid worden aangemerkt, omdat de omzet voor een bedrijf als Ahold een kerngegeven is. Deconsolidatie van ICA zou weliswaar geen effect gehad hebben op de nettowinst van Ahold maar zou wel hebben geleid tot een lagere omzet (en marktaandeel). Bij het vaststellen van de concurrentiepositie van een foodretailer als Ahold is marktaandeel een belangrijk gegeven. Na de ontdekking van de ICA-problematiek heeft Ahold aan externe adviseurs opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar de gang van zaken en de gevolgen van het een en ander voor de financiële verslaggeving. Dat Ahold de uitkomsten van dit onderzoek heeft afgewacht, wordt haar door Euronext Amsterdam (terecht) niet verweten. Rekening moet immers worden gehouden met het feit dat een onderneming onverwacht kan worden geconfronteerd met complexe feiten die nader bestudeerd moeten worden alvorens de betekenis en de koersgevoeligheid ervan voor de onderneming kan worden vastgesteld.
Uit de eerder door de Adviescommissie Fondsenreglement gegeven adviezen volgt dat een publicatie op grond van art. 28h Fondsenreglement aangewezen is "zodra de feiten en omstandigheden in voldoende mate vaststaan". Dat dit met betrekking tot de deconsolidatie van ICA op of kort na 13 januari 2003 reeds het geval is geweest, blijkt niet zonder meer uit de door de Commissie daarvoor gegeven motivering. Zo verwijst de Commissie naar "gerezen (gerede) twijfel over de mogelijkheid tot consolidatie" en spreekt zij ook van de "(vermoedelijk) onterechte consolidatie als koersgevoelige omstandigheid". Ahold rechtvaardigt het feit dat eerst op 24 februari 2003 een persbericht werd uitgegeven aldus: "Ahold is van mening dat de feiten aantonen dat op 13 januari 2003 onvoldoende vaststond dat de consolidatie van ICA niet zou zijn toegestaan. De publicatie van een persbericht over deze kwestie op of kort na 13 januari 2003 zou volgens Ahold derhalve mogelijk misleidend zijn geweest. Na 13 januari 2003 heeft Ahold intensief overleg gepleegd met zowel Deloitte & Touche als de overige aandeelhouders in ICA teneinde te kunnen (blijven) voldoen aan de vereisten voor consolidatie van ICA en teneinde vast te stellen dat dit ook in het verleden terecht was. Dit overleg was reeds ver gevorderd op zaterdag 22 februari 2003. Ahold is van mening dat zij integrale consolidatie van ICA onder NL GAAP over 2002 zou hebben kunnen handhaven als het overleg niet zou zijn afgebroken door het boven tafel komen van andere joint venture side letters op 22 februari 2003."
Blijkens haar advies is de Commissie voorts van oordeel dat Ahold art. 28h Fondsenreglement heeft overtreden "door de kennelijk in ieder geval omvangrijke fraude bij US Foodservice niet binnen enkele dagen na het bij Ahold bekend worden hiervan op 12 februari 2003, uiterlijk op 14 februari 2003 toen de raad van commissarissen van Ahold deze omvangrijke fraude besprak, althans in algemene bewoordingen openbaar te maken." De Commissie stelt dat Ahold zo nodig later inzicht had kunnen bieden in de exacte omvang van de fraude. Bij dit oordeel van de Commissie is waarschijnlijk uitgangspunt geweest dat de omvangrijke fraude — althans volgens de Commissie — vast stond. Opvallend is overigens dat het verwijt van de afdeling Compliance & Investigation minder ver ging; zij verweet Ahold dat zij niet uiterlijk op 18 februari 2003 — de datum waarop Ahold overging tot melding van de fraude bij het US Department of Justice en de US Securities and Exchange Commission — een publicatie heeft gedaan over de onregelmatigheden in de boekhouding bij US Foodservice. In haar beoordeling heeft de Commissie nog laten meewegen dat Ahold vóór 24 februari 2003 wel, zij het onder oplegging van geheimhouding, een aantal banken heeft geïnformeerd over de ontdekte fraude bij US Foodservice. Hiermee zou Ahold volgens de Commissie het risico van handel met voorwetenschap hebben vergroot. De Commissie legt hier een verband tussen de plicht tot openbaarmaking van koersgevoelige informatie en handel met voorwetenschap en neemt kennelijk aan dat de naleving van de publicatieverplichting dichterbij komt wanneer de uitgevende instelling er zelf voor kiest om de bewuste informatie met 'buitenstaanders' te delen. Uit de uitspraak blijkt niet om welke banken het gaat en met name niet of het mogelijk uitsluitend gaat om de banken die betrokken waren bij de totstandkoming van het noodkrediet van € 3,1 miljard. Als dit laatste het geval is, dan is — en ook al zijn dat veel banken geweest — de door de Commissie gegeven argumentatie niet overtuigend, omdat deze informatieverstrekking een legitiem doel diende en daarbij prudent te werk is gegaan (zie verder § 8.4.4 en § 8.4.6).
In haar verweer heeft Ahold zich er nog op beroepen dat zij van Euronext Amsterdam ten aanzien van de bekendmaking van de fraude bij US Foodservice en het arrangeren van een noodkrediet mogelijk op haar verzoek (tijdelijk) ontheffing van de verplichting tot openbaarmaking had kunnen verkrijgen. De Commissie heeft dat verweer verworpen met het argument dat Ahold een dergelijk ontheffingsverzoek, gegrond op het zwaarwegende belang van voortbestaan van de onderneming, nu eenmaal niet had gedaan. Aangenomen mag worden dat Ahold een dergelijke ontheffing wel zou hebben kunnen verkrijgen. De slotzin van art. 28h Fondsenreglement geeft immers aan dat Euronext Amsterdam ontheffing van de verplichting tot publicatie kan verlenen op grond van het feit dat bekendmaking van bepaalde gegevens de rechtmatige belangen van de uitgevende instelling zou kunnen schaden (zie verder § 5.11.2).
Uit het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement volgt dat openbaarmaking van een — in dit geval kennelijk in ieder geval omvangrijk bevonden — fraude moet plaatsvinden zodra de feiten en omstandigheden in voldoende mate vaststaan. Openbaarmaking mag niet worden opgehouden op grond van de overweging dat de uitgevende instelling nog geen inzicht heeft in de exacte proporties van de fraude en de mogelijke invloed daarvan op de verwachtingen voor de verslagperiode. De Commissie geeft als richtsnoer aan dat Ahold de fraude in algemene bewoordingen openbaar had kunnen maken, later gevolgd door mededelingen over de exacte omvang van de fraude.6 Niet uitgesloten acht ik het dat indien de fraude minder omvangrijk was geweest, de uitgevende instelling wellicht meer tijd had mogen nemen om de feiten vast te stellen.
Soms kan betwijfeld worden of de effectenmarkt daadwerkelijk gediend is met dergelijke halve mededelingen die veelal meer vragen oproepen dan beantwoorden. Dat soort mededelingen zal al snel allerlei speculaties en paniekreacties van beleggers in de hand werken. Uitgangspunt hoort mijns inziens te zijn dat beleggers er baat bij hebben dat eerst een afgewogen beoordeling van de situatie door de uitgevende instelling plaatsvindt, zodat voorkomen wordt dat overhaaste en daardoor misschien juist ook weer misleidende mededelingen worden gedaan. Dat de uitgevende instelling een verwijt van marktmanipulatie als bedoeld in art. 5:58 lid 1 onderdeel d Wft wordt gemaakt, is in het geval van een iets te overhaast gedane mededeling onder omstandigheden ook niet ondenkbeeldig. Openbare mededelingen in algemene bewoordingen behoren dan ook een uitzondering te zijn en zijn alleen dan gerechtvaardigd indien de feiten en omstandigheden in voldoende mate vaststaan.
In mijn annotatie bij het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement in de Ahold-zaak heb ik bijvoorbeeld gewezen op de mededeling van het Zwitserse uitzendconcern Adecco S.A. in een persbericht van 12 januari 2004 dat de aangekondigde publicatie van de jaarcijfers over 2003, die op 4 februari 2004 zou plaatsvinden, moest worden uitgesteld wegens "material weaknesses in internal controls". De beurskoers van het aandeel Adecco ging als gevolg hiervan met 35% onderuit en daarmee verdampte een beurswaarde van ca. € 3,4 miljard. In een aanvullend persbericht van 16 januari 2004 heeft Adecco de onder het beleggend publiek ontstane onzekerheid met een aantal geruststellende mededelingen trachten weg te nemen. Zo stelde het bestuur dat "(...) it firmly believes that while certain material weaknesses in the Adecco's internal controls and practices, have been brought to light, the Board remains strongly confident about the Company and its future." Ook werd een beknopte toelichting gegeven op de aard van de zwakheden in de administratieve procedures.7 Uiteindelijk kon Adecco in een persbericht van 1 juni 2004 en na een € 100 miljoen kostend onderzoek naar mogelijke boekhoudfraude meedelen dat was komen vast te staan dat geen herziening van de gepubliceerde cijfers over de afgelopen jaren nodig was.8