Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/6.3.2
6.3.2 Winstwaarschuwingen
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS497470:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het hier gehanteerde geobjectiveerde kennisbegrip heeft overigens op dit terrein een beperkte betekenis (zie hierna). Zie tevens § 7.3.
Zie Den Boogert, Leerboek Effectenrecht (2002), p. 180; Nieuwe Weme/Stevens, Serie OO&R, deel 34 (2008), p. 223-224.
Indien door de uitgevende instelling eerder al een winstwaarschuwing is afgegeven of wanneer het een zeer verrassende winstwaarschuwing betreft, wordt ook wel de term 'winstalarm' gehanteerd. Zie bijvoorbeeld Het Financieele Dagblad van 28 augustus 2004 (CSM verrast met winstalarm), 18 januari 2006 (Getronics geeft winstalarm na verlies in Italië), 15 juli 2008 (SBM Offshore wekt woede met laat tijdstip winstalarm) en 17 februari 2010 (Zware koersval BAM na nieuw winstalarm).
Zie de AFM-brochure Koersgevoelige informatie, p. 8.
Zie Adviescommissie Fondsenreglement van 6 maart 2000 (NBM-Amstelland N. V).
Andere voorbeelden van adviezen waarin werd aangenomen dat een winstwaarschuwing moest worden afgegeven in verband met een aanmerkelijke afwijking van eerder gepubliceerde resultaten zijn: Adviescommissie Fondsenreglement 22 oktober 2001, JOR 2002/15 m.nt. C.M. Grundmannvan de Krol (UCC Groep N. V), 31 mei 2001 (Tulip Computers N.V.) en 1 juli 2002 (Polynorm N. V). In al deze gevallen wordt het afgeven van een winstwaarschuwing onderbouwd door zowel het argument dat de resultaten aanmerkelijk afweken van eerder gepubliceerde resultaten (en de resultaatontwikkeling dus een trendbreuk liet zien) als het argument dat de resultaten bovendien aanmerkelijk afweken van eerder door de uitgevende instelling afgegeven prognoses. Deze argumenten zijn door de Adviescommissie Fondsenreglement nevenschikkend gebruikt en kunnen mijns inziens dus elk afzonderlijk de uitgevende instelling ertoe nopen een winstwaarschuwing af te geven.
Zie onder meer het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 20 januari 2003, JOR 2003/119 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Petroplus International N. V), 12 januari 2004 (Koninklijke Econosto N.V) en 7 mei 2004, JOR 2004/208 m.nt. G.T.J. Hoff (Koninklijke Ahold N. V).
Zie hiervoor de annotatie van M.J.G.C. Raaijmakers bij het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 20 januari 2003, JOR 2003/119 (Petroplus International NV); Schrews, Uniken Venema-bundel (2003), p. 89 e.v.
In dit verband kan ook worden gewezen op het persbericht van 18 februari 2000 van Amsterdam Exchanges met betrekking tot de conclusies van het onderzoek naar AOT N.V.
Dit is wellicht enigszins napleiten, omdat schrijver dezes als advocaat in deze zaak optrad voor Petroplus International N.V. Ook M.J.G.C. Raaijmakers heeft zich overigens in zijn annotatie kritisch uitgelaten over de uitspraak van de Adviescommissie Fondsenreglement van 20 januari 2003, JOR 2003/119. Zie voor deze kritiek met name onder 7 van de annotatie. Raaijmakers oordeelt dat er aanleiding is de door de Adviescommissie Fondsenreglement gegeven regel te verfijnen in reactie op de aandacht die bestaat voor het toezicht van de raad van commissarissen en zijn audit committee en de voorbereiding van externe informatie, daaronder begrepen het contact met interne en externe accountants.
Zie Nieuwe Weme/Stevens, Serie 008cR, deel 34(2008), p. 261. Een nadere onderbouwing van hun steunbetuiging aan het oordeel van de Adviescommissie Fondsenreglement ontbreekt echter.
Zie onder meer de adviezen van de Adviescommissie Fondsenreglement van 6 maart 2000 (NBMAmstelland N. V), 13 maart 2000 (Weweler N. V), 16 maart 2001 (KSI International N. V), 31 mei 2001 (Smit Internationale N. V), 22 oktober 2001, JOR 2002/15 m.nt. C.M. Grundmann-van de Krol (UCC Groep N.V) en 20 januari 2003, JOR 2003/119 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Petroplus International N.V.).
Zie de AFM-Snelgids koersgevoelige informatie, p. 4.
Zie Jaarverslag over 2000 van de Adviescommissie Fondsenreglement, p. 4.
Zie Adviescommissie Fondsenreglement van 8 juni 2006, JOR 2007/13 (Exact Holding N.V.). Nieuwe Weme en Stevens achten dit oordeel 'opmerkelijk'. Zie Nieuwe Weme/Stevens, Serie OO&R, deel 34(2008), p. 260. Ik sluit mij daarbij aan. Uitgevende instellingen zijn immers nooit ziek en gaan ook niet met vakantie. Als de nood werkelijk aan de man is, kunnen zo nodig financiële interim-managers door de uitgevende instelling worden ingehuurd. Wat daar verder ook van zij, in elk geval is er geen goede reden te bedenken waarom enige terughoudendheid zou moeten worden betracht bij een beoordeling van de tijdigheid van de informatieverschaffing van een uitgevende instelling aan het beleggend publiek.
Zie Adviescommissie Fondsenreglement van 20 maart 2001 (DPA Holding N. V). Dat een dergelijk `strafmaatverweer' werd gevoerd, zal wel verband houden met de omstandigheid dat DPA in dit geval werd bijgestaan door een gerenommeerd strafpleiter.
Zie Adviescommissie Fondsenreglement van 12 januari 2004 (Koninklijke Econosto N. V).
Algemeen wordt aangenomen dat op grond van art. 5:25i lid 2 j° art. 5:53 lid 1 Wft een openbaarmakingsplicht voor de uitgevende instelling ontstaat zodra het bestuur weet of behoort te weten1 dat tegenvallende cijfers geen incidenteel maar een structureel karakter hebben die wijzen op een negatieve ontwikkeling of verwachting met betrekking tot de omzet of het resultaat.2 Een dergelijke openbaarmaking pleegt te worden aangeduid als een winstwaarschuwing.3 De term winstwaarschuwing is overigens neutraal; een uitgevende instelling zal een winstwaarschuwing niet alleen moeten afgeven bij een negatieve ontwikkeling van het resultaat of de omzet, maar ook wanneer zich een opmerkelijk positieve ontwikkeling voltrekt.
Opvallend is dat de AFM als voorbeelden van koersgevoelige informatie slechts vermeldt: (i) de bekendmaking van periodieke fmanciële resultaten en (ii) een significante afwijking van eerdere prognoses.4 Mijns inziens zijn deze door de AFM gegeven voorbeelden in twee opzichten verwarrend. In de eerste plaats is het onder (i) gegeven voorbeeld verwarrend, omdat het suggereert dat de uitgevende instelling slechts periodiek de financiële resultaten bekend dient te maken, zoals bij het gereed komen van jaar-, halfjaar- of kwartaalcijfers. Een winstwaarschuwing zal door de uitgevende instelling juist tussentijds afgegeven dienen te worden, vooruitlopend derhalve op de voldoening aan de periodieke informatieverplichtingen. Ook het voorbeeld onder (ii) kan verwarring wekken, omdat het eraan voorbij gaat dat een winstwaarschuwing niet alleen op haar plaats kan zijn indien de resultaten- of omzetontwikkeling belangrijk afwijkt van een al eerder door de uitgevende instelling gegeven prognose of groeidoelstelling, maar onder omstandigheden óók wanneer door de uitgevende instelling niet eerder een prognose of groeidoelstelling is afgegeven. Zo zal een winstwaarschuwing door de uitgevende instelling afgegeven dienen te worden indien het resultaat of de omzet belangrijk afwijkt van (de) voorgaande verslagperiode(n). Een dergelijke stelregel kan worden afgeleid uit een reeks adviezen van de Adviescommissie Fondsenreglement van Euronext Amsterdam. Gewezen kan bijvoorbeeld worden op het volgende oordeel van de Commissie:
"In het licht van de hiervoor gereleveerde gegevens is de Commissie van oordeel, dat NBM-Amstelland op 9 augustus 1999 beschikte over zodanige feitelijke gegevens over haar bedrijfsactiviteiten in het eerste halfjaar 1999, dat moest worden aangenomen dat hiervan een aanmerkelijke invloed op de koers van het aandeel NBM-Amstelland zou uitgaan. De Commissie meent dat een winstdaling van 43%, vergeleken met het eerste halfjaar 1998 en gezien de eerder afgegeven positieve prognose, onmiskenbaar als koersgevoelige informatie in de zin van artikel 28h Fondsenreglement heeft te gelden. NBM-Amstelland had derhalve naar het oordeel van de Commissie op of althans binnen enkele dagen na 9 augustus 1999 een publieke mededeling dienen te doen omtrent de tegenvallende resultaten over het eerste halfjaar 1999 (cursivering toegevoegd, JH)"5
Uit dit citaat blijkt duidelijk dat de Adviescommissie Fondsenreglement voor een beoordeling van de vraag of een winstwaarschuwing op haar plaats was een winstdaling van 43% vergeleken met het eerste halfjaar als een zelfstandig argument heeft gebruikt.6 Ik heb de indruk overigens dat deze stelregel nog onvoldoende wordt nageleefd door uitgevende instellingen.
Timing van de winstwaarschuwing
Een belangrijke vraag is op welk tijdstip door de uitgevende instelling een winstwaarschuwing afgegeven dient te worden. Uit de door de Adviescommissie Fondsenreglement van Euronext Amsterdam gegeven adviezen blijkt dat de Commissie van oordeel is dat een publicatieplicht ontstaat "zodra de feiten en omstandigheden in voldoende mate vaststaan".7 De te beantwoorden vraag wordt daarmee aldus: wanneer staat een negatieve (of positieve) ontwikkeling van bijvoorbeeld de resultaten voor de uitgevende instelling in voldoende mate vast?
Bij de beantwoording van deze vraag dient er rekening mee te worden gehouden dat de resultaten van een uitgevende instelling niet vanzelf vaststaan. Die resultaten dienen eerst op concernniveau te worden vastgesteld met behulp van de ruwe data die vanuit de bedrijfs- of groepsonderdelen beschikbaar komen. Nadat een vermoeden is gerezen dat bepaalde informatie mogelijk als koersgevoelige informatie kan worden aangemerkt (of op termijn kan 'uitgroeien' tot koersgevoelige informatie) vindt een gecompliceerd beoordelingsproces plaats.8 Op de wijze waarop uitgevende instellingen dit beoordelingsproces organiseren, wordt afzonderlijk ingegaan in § 7.3 e.v.
Geobjectiveerd kennisbegrip
Bij een beoordeling van de vraag of de uitgevende instelling op de hoogte is van een resultaatsontwikkeling — hetzij in positieve, hetzij in negatieve zin — die aanleiding dient te zijn voor het afgeven van een winstwaarschuwing, mag in beginsel worden uitgegaan van de kennis waarover de uitgevende instelling beschikt. In bijzondere omstandigheden mag evenwel rekening worden gehouden met de geobjectiveerde wetenschap van de uitgevende instelling. Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich voor indien het bestuur niet op de hoogte is van de ontwikkeling van de resultaten, omdat niet wordt beschikt over een adequaat rapportagesysteem (zie ook § 7.3).
Zie hiervoor bijvoorbeeld het persbericht van 23 februari 2000 van Amsterdam Exchanges met betrekking tot de conclusies van het onderzoek inzake Nyloplast N.V.9 In dit geval had Nyloplast aangegeven dat de negatieve resultaatontwikkeling in het eerste halfjaar van 1999 met name het gevolg was van aanhoudende productieproblemen bij één van de dochterbedrijven en dat deze ontwikkeling vanwege de bij Nyloplast gehanteerde rapportages op kwartaalbasis pas duidelijk werd na afloop van het tweede kwartaal. Amsterdam Exchanges is evenwel van mening dat de negatieve ontwikkeling van het resultaat eerder had kunnen worden voorzien en aan de markt had kunnen worden gecommuniceerd indien Nyloplast had beschikt over een adequaat rapportagesysteem dat de directie in staat zou hebben gesteld in een eerder stadium inzicht te verkrijgen in de resultaatontwikkeling.
Betrokkenheid van de raad van commissarissen?
Het is vervolgens de vraag of de besluitvorming met betrekking tot het afgeven van een winstwaarschuwing een aangelegenheid is die uitsluitend het bestuur van de uitgevende instelling aangaat of dat ook de raad van commissarissen hier nog een rol van betekenis behoort te vervullen. Raadpleging van de raad van commissarissen zal onvermijdelijk tot enige vertraging in het openbaarmakingsproces kunnen leiden. Dit roept dan weer de vraag op of de uitgevende instelling nog wel blijft binnen de grens die wordt getrokken door de verplichting om koersgevoelige informatie "onverwijld" openbaar te maken (art. 5:25i lid 2 Wft).
Steevast wordt aangenomen dat het bestuur van de uitgevende instelling met het afgeven van een winstwaarschuwing in elk geval niet kan wachten tot de eerstvolgende reguliere vergadering van de raad van commissarissen.
Zie hiervoor het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 31 mei 2001 (Smit Internationale N.V.). De feiten in deze zaak lagen als volgt. Op 30 maart 2000 was door Smit bij de publicatie van de jaarcijfers over 1999 de verwachting uitgesproken dat voor het jaar 2000 het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen belangrijk hoger zou zijn dan in 1999. Vervolgens had Smit een onderzoek laten verrichten naar de vraag of de achterstand in de resultaten van het eerste kwartaal 2000 goed werd gemaakt in de daarop volgende periode. Dit onderzoek mondde uit in een rapport dat omstreeks 23 augustus 2000 beschikbaar kwam. Het rapport is vervolgens verwerkt in de financiële rapportage die op 7 september 2000 door de raad van commissarissen zou worden besproken. De datum van de vergadering van de raad van commissarissen was inmiddels zo nabij, dat het bestuur van Smit het wijs vond eerst een bespreking met de raad van commissarissen te hebben over de zwaarte van de winstwaarschuwing, alvorens externe mededelingen te doen. Op 7 september 2000 is na afloop van de vergadering van de raad van commissarissen een persbericht uitgegeven. De Adviescommissie Fondsenreglement oordeelde: "Met name in het licht van de door Smit laatstelijk afgegeven belangrijk hogere winstverwachting, alsmede de tegenvallers die eind juli en begin augustus 2000 aan het licht waren gekomen en mede in de rapportage van 23 augustus 2000 waren verwerkt, had Smit naar het oordeel van de Commissie op, althans binnen enkele dagen na, 23 augustus 2000 een winstwaarschuwing moeten publiceren. Deze had in algemene bewoordingen kunnen geschieden, zonodig ter toelichting hierop vergezeld van informatie over de achterliggende gebeurtenissen."
Meer principieel kwam deze kwestie voor het eerst aan de orde in het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 20 januari 2003, JOR 2003/119 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Petroplus International N. V).
In deze zaak oordeelde de Adviescommissie Fondsenreglement dat Petroplus uiterlijk op 15 mei 2002 toen de kwartaalcijfers bekend werden bij de raad van bestuur een persbericht had dienen uit te geven. Petroplus publiceerde de resultaten over het eerste kwartaal pas op 28 mei 2002, nadat de resultaten eerst op 21 mei 2002 met de raad van commissarissen waren besproken. De resultaten over het eerste kwartaal 2002 kwamen uit op een verlies van € 8,7 miljoen, terwijl het eerste kwartaal van 2001 een winst had laten zien van € 9,2 miljoen.
De Commissie overwoog als volgt: "Petroplus heeft het één en ander gesteld over de rol van de Raad van Commissarissen in verband met het tijdstip waarop een mededeling ingevolge artikel 28h Fondsenreglement dient te worden gedaan. De Commissie ziet in het door Petroplus gestelde geen aanleiding op haar eerdere adviezen met betrekking tot het tijdstip van een vereiste publicatie terug te komen.
De feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 28h Fondsenreglement stonden in deze zaak vast geruime tijd voordat de Raad van Commissarissen daarover vergaderde op 21 mei 2002. Het is onjuist, zoals Petroplus stelt, dat publicatie van cijfers zoals in deze zaak aan de orde, kan worden uitgesteld tot na de vergadering van de Raad van Commissarissen waarin die cijfers zijn besproken, tenzij sprake is van een noodsituatie waarin de markt terstond van wezenlijke andere informatie dan haar bekend op de hoogte gesteld moet worden. Artikel 28h Fondsenreglement vereist een publicatie zodra de feiten en omstandigheden in voldoende mate vaststaan. Dat was, zoals de Commissie hierboven reeds heeft gesteld, in ieder geval aan de orde op 15 mei 2002, maar wellicht al eerder. Niets had eraan in de weg gestaan dat Petroplus op dat moment telefonisch overleg had gepleegd met de Raad van Commissarissen over de op voet van artikel 28h Fondsenreglement vereiste publicatie. Dat voor de Raad van Commissarissen bij de publicatie van periodieke informatieverstrekking geen rol zou zijn weggelegd, zoals Petroplus stelt, kan de Commissie derhalve geenszins onderschrijven. De wijze waarop een vennootschap precies invulling geeft aan de rol van de Raad van Commissarissen is een interne aangelegenheid die echter los dient te worden gezien van het door de vennootschap voldoen aan externe verplichtingen zoals verwoord in artikel 28h Fondsenreglement"
Met de Adviescommissie Fondsenreglement ben ik van oordeel dat uitgevende instellingen niet mogen talmen met het naar buiten brengen van slecht nieuws. Met het afgeven van een winstwaarschuwing mag dan ook niet worden gewacht tot de eerstvolgende reguliere vergadering van de raad van commissarissen. Wel lijkt mij verdedigbaar dat voor de uitgevende instelling een korte tijd beschikbaar dient te blijven om zich geleidelijk aftekenende gegevens te bestuderen, zodat op basis daarvan een goed beeld kan worden verkregen van die cijfers en van de betekenis daarvan.10 Dit beoordelingsproces is niet slechts een bestuursaangelegenheid. Ook de raad van commissarissen dient daarbij te worden betrokken. Dit vloeit voort uit de recente ontwikkelingen op het terrein van good corporate governance waarbij meer nadruk is komen te liggen op de toezichtfunctie van de raad van commissarissen en zijn audit committee en op zorgvuldige voorbereiding van de informatieverstrekking aan het beleggend publiek.
Waar de Adviescommissie Fondsenreglement in de Petroplus-zaak stelt dat de uitgevende instelling een persbericht had moeten uitgeven uiterlijk op het moment dat de kwartaalcijfers bekend werden bij het bestuur verhindert zij daarmee dat de raad van commissarissen zijn rol met betrekking tot de vaststelling en de publicatie van kwartaalcijfers naar behoren kan vervullen. Deze benadering leidt ertoe dat het bestuur tegenover de raad van commissarissen kan komen te staan, omdat het bestuur 'op eigen houtje' (want zonder voorafgaande raadpleging van de raad van commissarissen) tot publicatie moet overgaan, op gevaar af dat de raad van commissarissen het achteraf met die publicatie niet eens is. Kortom, een zo strikte stelregel als geformuleerd door de Adviescommissie Fondsenreglement — de Commissie stelt nota bene zelfs dat de invulling van de rol van de raad van commissarissen een aangelegenheid is die los dient te worden gezien van de openbaarmakingsverplichting van art. 28h Fondsenreglement — lijkt mij onwenselijk. Ook de regels van het effectenrecht dienen good corporate governance te respecteren. Good corporate governance brengt mee dat geen regels, ook geen regels van effectenrecht, dienen te gelden die daarmee op gespannen voet staan en daardoor de goede verhoudingen tussen het bestuur en raad van commissarissen onnodig in de waagschaal stellen.
Nieuwe Weme en Stevens stemmen in met de door de Adviescommissie Fondsenreglement geformuleerde stelregel dat publicatie van een negatieve koersgevoelige winstontwikkeling niet mag worden uitgesteld totdat overleg tussen het bestuur en de raad van commissarissen heeft plaatsgevonden.11 Daaraan doet volgens deze auteurs niet af dat de raad van commissarissen ingevolge best practice-bepaling V.1.1 van de Corporate Governance Code toezicht moet houden op publicatie door het bestuur van ad hoc fmanciële informatie of dat volgens de interne regels van een uitgevende instelling een persmededeling goedkeuring behoeft van de raad van commissarissen of de auditcommissie.
Uit later gegeven adviezen lijkt te volgen dat de Adviescommissie Fondsenreglement haar stelregel inmiddels heeft genuanceerd. Onder omstandigheden mag het bestuur van de uitgevende instelling, mede gelet op de daarbij geboden zorgvuldigheid, een korte tijd benutten voor een beoordeling van de beschikbaar gekomen cijfers en overleg daarover voeren met (een vertegenwoordiging van) de raad van commissarissen.
Zie het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 14 januari 2005, JOR 2005/93 m.nt. G.T.J. Hoff (Fugro N. V). De feiten lagen in deze zaak als volgt. Hoewel op woensdag 26 november 2003 de cijfers over oktober 2003 in de directievergadering van Fugro N.V. waren besproken, duurde het als gevolg van het feit dat het bestuur nog geen inzicht had in het effect van deze cijfers op het jaarresultaat, tot 2 december 2003 voorbeurs alvorens een persbericht met daarin de aangepaste verwachting omtrent het resultaat over 2003 werd gepubliceerd. Fugro stelde deze periode gebruikt te hebben voor overleg met onder meer de voorzitter van het audit committee van de raad van commissarissen. In dit geval werd door de Adviescommissie Fondsenreglement overwogen: "De Commissie is van oordeel dat de periode van ca. 3 werkdagen die Fugro heeft gebruikt om de op 26 november 2003 beschikbaar gekomen financiële gegevens te beoordelen, mede gelet op de hierbij geboden zorgvuldigheid onder de omstandigheden van dit geval aanvaardbaar is, zodat de openbaarmaking van Fugro op dinsdag 2 december 2003 (voorbeurs) naar het oordeel van de Commissie niet ontijdig is geschied."
De Adviescommissie Fondsenreglement betoonde in haar advies van 8 juni 2006, JOR 2007/13(Exact Holding N.V) mijns inziens zelfs inschikkelijkheid in verband met de voor een uitgevende instelling geboden zorgvuldigheid bij de verificatie van, respectievelijk de communicatie met het beleggend publiek over haar tegenvallende resultaten.
Exact publiceerde op donderdag 28 juli 2005 voorbeurs een persbericht met, kort gezegd, de aankondiging dat het netto resultaat over het eerste halfjaar 2005 fors lager was dan over dezelfde periode van 2004. De oorzaak lag volgens het persbericht in het feit dat geplande investeringen in sales, marketing en research & development met name in Nederland nog niet tot resultaat hadden geleid. Verder meldde Exact dat de omzet voor geheel 2005 naar verwachting zou uitkomen op € 220 miljoen en dat de operationele marge geen € 50 miljoen maar tussen de 18% en 20% van de omzet zou bedragen. Dit in tegenstelling tot het in het persbericht van 7 april 2005 genoemde bedrag aan omzet van € 235 tot € 240 miljoen en de daarin uitgesproken verwachting dat het operationeel resultaat voor amortisatie over 2005 € 50 miljoen zal gaan bedragen.
In deze zaak achtte de Commissie onvoldoende aannemelijk dat Exact al vóór 19 juli 2005 — dat is de datum waarop volgens het bestuur betrouwbare cijfers over het eerste halfjaar 2005 beschikbaar waren — beschikte over zodanig concrete en specifieke informatie over (waarschijnlijk) in belangrijke mate tegenvallende resultaten in het eerste halfjaar 2005, dat zij hierover eerder een openbare mededeling ingevolge art. 28h Fondsenreglement had moeten doen in het licht van de door Exact eerder uitgesproken verwachting ten aanzien van de resultaten over geheel 2005. Daarbij heeft de Commissie laten meewegen dat in het eerste halfjaar van 2005 zich diverse mutaties in het (top)management van Exact hebben voorgedaan, hetgeen voor de Commissie aanleiding was enige terughoudendheid te betrachten bij haar beoordeling. Volgens de Commissie valt echter niet uit te sluiten dat Exact reeds op 19 juli 2005 met het voor haar CEO beschikbaar komen van geverifieerde resultaten over het eerste halfjaar 2005, werd geconfronteerd met een situatie die tot een publicatie noopte. Exact had er volgens de Commissie onder de omstandigheden van dit geval verstandig aan gedaan om op dat moment over de onderhavige kwestie overleg te plegen met de Commissaris voor de Notering van Euronext Amsterdam.
Opmerkelijk is overigens dat Exact vervolgens niet eerder dan op 28 juli 2005 — dat wil zeggen ruim zes werkdagen na het beschikbaar komen van betrouwbare cijfers over het eerste halfjaar 2005 — tot openbaarmaking is overgegaan. De Commissie achtte onvoldoende objectieve aanwijzingen aanwezig om tot een negatief oordeel hierover te komen, "gelet ook op de voor Exact Holding geboden zorgvuldigheid bij de verificatie van, respectievelijk de communicatie met het beleggend publiek over haar tegenvallende resultaten." Tot haar verdediging had Exact aangevoerd dat zij, toen in juli 2005 bleek van tegenvallende resultaten, geanalyseerd heeft of sprake was van een ontwikkeling met een structureel en niet slechts een incidenteel karakter. Daarbij heeft Exact geanalyseerd of sprake was van een afwijking van de gebudgetteerde cijfers die zodanig was dat de op 7 april 2005 door Exact uitgesproken verwachtingen voor geheel 2005 niet meer zouden kunnen worden waargemaakt. Daarbij zijn de gevolgen van de IFRS-conversie voor de financiële resultaten betrokken en heeft overleg met de accountant en de raad van commissarissen plaatsgevonden.
Voor enig uitstel van openbaarmaking van de winstwaarschuwing lijkt in elk geval geen plaats meer te zijn indien het overleg met de raad van commissarissen niet meer tot een andere handelwijze zou kunnen leiden.
Zie hiervoor het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 12 januari 2004 (Koninklijke Econosto N. V). In dit geval had de uitgevende instelling een brief van de accountant ontvangen met betrekking tot het accountantsverslag inzake de accountantscontrole van de jaarrekening 2002 waarbij een (voorlopige) winst- en verliesrekening was gevoegd. De strekking van deze brief, waarvan een concept reeds was goedgekeurd door de raad van bestuur, was dat een bepaalde actieve belastinglatentie niet meer in de jaarrekening kon worden opgenomen, zodat daarmee vaststond dat het eerder aangekondigde verlies aanzienlijk hoger zou uitvallen. Een ander voorbeeld is het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 1 juli 2002 (Polynorm N.V.). Het contact met de raad van commissarissen had slechts tot doel te komen tot een afstemming over de wijze waarop bepaalde kosten in de geconsolideerde cijfers zouden worden opgenomen. Die afstemming doet immers niet af aan de omstandigheid dat de halfjaarcijfers over 2001 reeds inzicht gaven in de operationele gang van zaken bij Polynorm die tot een onverwijlde publicatie noopte.
Winstwaarschuwing in algemene bewoordingen
In een reeks van adviezen heeft de Adviescommissie Fondsenreglement geoordeeld dat een winstwaarschuwing onder omstandigheden in algemene bewoordingen dient plaats te vinden, zo nodig met een toelichting ten aanzien van de achterliggende gebeurtenissen.12 Dit betekent dat de uitgevende instelling openbaarmaking van een winstwaarschuwing niet mag uitstellen door zich erop te beroepen dat zij nog geen inzicht heeft in de exacte omvang van de tegenvallende resultaten (en daarmee op de mate van invloed op de eerder uitgesproken verwachtingen). Evenmin is het toegestaan te wachten op een aanstaande publicatie van periodieke informatie zodat de koersgevoelige informatie in een breder kader geplaatst kan worden.13 De uitgevende instelling mag ook niet enige tijd nemen om bijvoorbeeld koersgevoelige informatie van negatieve aard te voorzien van een doordacht oordeel over oorzaken, remedies of voorzienbare gevolgen voor de resultaten van de uitgevende instelling over een geheel jaar.14 Kortom, een winstwaarschuwing zal onder omstandigheden zo nodig in algemene bewoordingen dienen te geschieden, ook zonder dat het bestuur een min of meer volledig inzicht meent te hebben in oorzaken of exacte omvang van tegenvallende resultaten.
Daarbij is het van belang op te merken dat indien de ontwikkeling van de resultaten zodanig negatief is dat een verliesgevende situatie ontstaat, de uitgevende instelling dat duidelijk kenbaar dient te maken. Niet aanvaardbaar wordt gevonden het bezigen van verhullend taalgebruik, zoals bijvoorbeeld "een fors lagere winst ten opzichte van het voorgaande jaar".
Zie het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 24 december 2004, JOR 2005/92 m.nt. G.T.J. Hoff (Vilenzo International N.V.). In deze zaak werd pas in een persbericht van 15 december 2003 gemeld dat over 2003 een netto verlies voor afschrijving van goodwill werd verwacht van ca. € 11 miljoen. Aan dit persbericht waren drie mededelingen van Vilenzo vooraf gegaan: (i) een mededeling van een fors neerwaartse bijstelling van de verwachtingen omtrent het resultaat voor afschrijving van goodwill over het lopende boekjaar ten opzichte van het boekjaar 2002 in een persbericht van 11 juli 2003, (ii) een herhaling van deze mededeling op 4 september 2003 bij gelegenheid van de publicatie van de halfjaarcijfers en (iii) wederom een herhaling van deze eerder verstrekte guidance (te weten een fors lagere winst voor afschrijving van goodwill) op 26 november 2003. Volgens de Adviescommissie Fondsenreglement had Vilenzo uiterlijk 4 september 2003 kenbaar moeten maken dat voor geheel 2003 sprake zou zijn van een verliesgevende situatie in haar onderneming. Vilenzo heeft echter het risico dat er bij het beleggend publiek een onjuiste indruk zou bestaan tot 15 december 2003 laten voortduren. De Commissie constateert daarom dat Vilenzo gedurende een langere periode in de naleving van art. 28h Fondsenreglement is tekortgeschoten. Vilenzo had zich er nog op beroepen dat volgens de schaal van Mock — dit is een door drs. H. Mock ontwikkelde schaal waarbij woorden gekoppeld worden aan cijfers, bijvoorbeeld fractioneel (tot 2%), sterk (20 tot 30%) en die ten doel heeft het taalgebruik in persberichten te uniformeren (zie hierover verder § 6.3.3) — het woord 'fors' de grootst mogelijke aanpassing van het resultaat is (meer dan 45%), zodat dit ook het ontstaan van een verlies kon betekenen. De Commissie oordeelt echter dat — onder de omstandigheden van dit geval — het gebruik van de schaal van Mock onvoldoende duidelijkheid kon verschaffen.
Invloed van vooraankondigingen
Uit de adviezen van de Adviescommissie Fondsenreglement volgt dat indien een uitgevende instelling in algemene zin reeds heeft gewezen op bepaalde negatieve ontwikkelingen, zij er niet zonder meer van mag uitgaan dat indien deze negatieve ontwikkelingen zich ook daadwerkelijk voordoen, geen publicatie meer zou zijn vereist.
Zie bijvoorbeeld Adviescommissie Fondsenreglement 24 december 2004, JOR 2005/ 92 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Petroplus International N.V.). De Commissie overwoog: "Naar het oordeel van de Commissie heeft Petroplus de belegger middels het persbericht van 13 maart 2002 weliswaar geattendeerd op bepaalde negatieve ontwikkelingen, maar uit het persbericht valt niet af te leiden dat over het eerste kwartaal van 2002 een fors verlies zou worden geleden. Petroplus heeft ervoor gekozen de bewoordingen van het persbericht zo te formuleren (...) dat door de gemiddelde belegger uit het persbericht hooguit kon worden geconcludeerd dat over het eerste halfjaar van 2002 een lager raffinageresultaat werd verwacht dan over dezelfde periode in 2001 en dat deze lagere resultaten niet geheel zouden worden gecompenseerd door de divisie Marketing. Het persbericht rept niet over een mogelijk verlies. De stelling van Petroplus dat het verlies van € 8,7 miljoen over het eerste kwartaal van 2002 reeds was verdisconteerd in het persbericht van 13 maart 2002 kan dan ook niet door de Commissie worden gevolgd. Verwacht kon worden dat de markt door het persbericht van 13 maart 2002 nog niet bijzonder gealarmeerd zou zijn, terwijl dat integendeel bij de mededelingen op 28 mei 2002 wel te verwachten was."
Indien een uitgevende instelling daarentegen in duidelijke bewoordingen wijst op bepaalde voorziene negatieve ontwikkelingen, dan lijkt het mij verdedigbaar om aan te nemen dat er geen publicatieverplichting meer ontstaat op het moment dat deze negatieve ontwikkelingen zich voordoen. Met name is dat het geval indien er tussen deze momenten slechts een korte tijdsspanne is gelegen. Ook mag worden aangenomen dat de timing van een in dat geval af te geven winstwaarschuwing mede zal worden beïnvloed door de inhoud van de eerdere berichtgeving.
Een dergelijke stelregel kan worden afgeleid uit het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 14 januari 2005, JOR 2005/93 m.nt. G.T.J. Hoff (Fugro International NV). De Adviescommissie Fondsenreglement heeft in dit geval bij haar oordeel dat Fugro niet te laat een winstwaarschuwing had afgegeven, laten meewegen dat Fugro in haar halfjaarbericht van 15 augustus 2003 reeds had aangegeven dat de resultaten in 2003 naar verwachting lager zouden zijn dan die in 2002 en daarbij met name had gewezen op het negatieve effect van de waardestijging van de euro op de resultaten van Fugro. Niet te snel mag mijns inziens echter worden aangenomen dat indien een uitgevende instelling in algemene zin heeft gewezen op bepaalde negatieve ontwikkelingen, zij ervan uit mag gaan dat indien deze zich vervolgens ook inderdaad voordoen, geen publicatie meer is vereist. Er is immers nog steeds een groot verschil tussen een verwacht lager resultaat (zoals aangegeven door Fugro) en een uiteindelijke winstdaling van ruim 40%. Daar komt nog bij dat de aanzienlijke daling in dit geval niet uitsluitend verklaard kon worden door de zwakke USD ten opzichte van de euro.
Mogelijkheid van uitstel of afstel van een winstwaarschuwing
Uit enkele adviezen van de Adviescommissie Fondsenreglement kan worden afgeleid dat een beperkte mogelijkheid bestaat om het afgeven van een winstwaarschuwing uit te stellen indien de uitgevende instelling er nog in redelijkheid vanuit kan gaan dat de negatieve ontwikkeling die uit tussentijdse cijfers blijkt op korte termijn kan worden omgebogen. De uitgevende instelling mag in een dergelijk geval tijdelijk een afwachtende houding aannemen en bezien of de negatieve ontwikkeling incidenteel of structureel is. Denkbaar is dat de negatieve ontwikkeling kan worden omgebogen door het treffen van maatregelen, maar dan dient de uitgevende instelling wel meteen doeltreffend op te treden.
Steun voor deze opvatting kan bijvoorbeeld worden gevonden in het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 23 augustus 2000 (Weweler N. V). Weweler had op 17 december 1999 een winstwaarschuwing gepubliceerd inhoudende dat het resultaat over 1999 sterk zou achterblijven bij dat van 1998, zelfs indien rekening gehouden werd met eenmalige buitengewone baten in 1999. In het op 28 juli 1999 gepubliceerde jaarbericht over 1998 maakte Weweler nog melding dat voor het tweede halfjaar van 1999 een licht herstel werd verwacht ten opzichte van het tweede halfjaar van 1998. De Adviescommissie Fondsenreglement is van oordeel dat Weweler niet later dan eind oktober 1999 een winstwaarschuwing had kunnen en moeten publiceren. De Commissie neemt daarbij in aanmerking dat de directie van Weweler eind oktober 1999 beschikte over de kennis dat de operationele bedrijfsresultaten van haar onderneming gedurende het derde kwartaal van 1999 reeds ruim € 1,2 miljoen achterliepen op het budget, alsmede dat de resultaten over het derde kwartaal van 1999 aanzienlijk slechter waren dan die over het derde kwartaal van 1998. Vervolgens oordeelde de Commissie. "Weweler heeft naar het oordeel van de Commissie niet aannemelijk gemaakt dat zij er redelijkerwijze op mocht vertrouwen dat deze achterstand in bedrijfsresultaten in de laatste maanden van 1999 nog zou worden ingelopen." De Adviescommissie Fondsenreglement lijkt met deze formulering niet uit te sluiten dat een gerechtvaardigd vertrouwen van de uitgevende instelling dat een achterstand in de resultatenontwikkeling op korte termijn zal worden ingelopen, op zichzelf enig afwachten kan legitimeren.
Een ander voorbeeld is het door de Adviescommissie Fondsenreglement gegeven advies van 20 maart 2001 (DPA Holding N. V.). In dat geval werd DPA verweten dat zij had nagelaten het beleggend publiek tijdig te informeren over de bij de prognoses ver achterblijvende resultaten. Die prognoses hielden een jaarlijkse gemiddelde groei van omzet en winst met ca. 35% in de drie jaren na de beursintroductie van maart 1999 in. In een persbericht van 4 mei 2000 werd verder nog melding gemaakt van "goede vooruitzichten voor 2000". Volgens de Commissie had DPA uiterlijk op 27 juli 2000, toen de directie van DPA bekend werd met de cijfers over juni 2000 en daarmee met de cijfers over het eerste halfjaar 2000, een winstwaarschuwing moeten publiceren. Uit die cijfers bleek dat de nettowinst over het eerste halfjaar 19% achterbleef bij de nettowinst over 1999. Uit de volgende overweging blijkt dat hoewel de Adviescommissie Fondsenreglement de afwachtende houding van DPA niet billijkte, een andere uitkomst mogelijk was geweest: "DPA heeft zich voorts willen verweren door te stellen dat zij in de loop van het tweede kwartaal van 2000 nog een drietal mogelijke oplossingen zag voor de zogenaamde zelfstandigenproblematiek die de op 17 augustus 2000 bekend gemaakte, tegenvallende cijfers veroorzaakte. Deze 'oplossingen' waren echter naar het oordeel van de Commissie geen van alle zodanig concreet dat DPA in redelijkheid er vanuit kon gaan dat de neerwaartse spiraal op korte termijn kon worden omgebogen en dat er ondanks de ontwikkelingen in het tweede kwartaal van 2000 met een winstwaarschuwing kon worden gewacht. De ontwikkelingen waarmee DPA werd geconfronteerd waren naar het inzicht van de Commissie van dien aard dat DPA slechts had mogen wachten met het geven van een winstwaarschuwing indien haar directie zich onverwijld duidelijkheid en zekerheid had kunnen verschaffen over het daadwerkelijk vinden van een oplossing voor de `zelfstandigenproblematiek'. Het is de Commissie onvoldoende gebleken dat het bestuur van DPA afdoende stappen heeft gezet om zo snel mogelijk die zekerheid te krijgen."
In weer andere bewoordingen heeft Amsterdam Exchanges zich uitgedrukt in een wat oudere zaak uit 1997. Deze zaak heeft destijds heel wat stof doen opwaaien, omdat de winstwaarschuwing kort volgde op een publieke herplaatsing van een omvangrijk belang in N.V. Koninklijke KNP BT. In een persbericht van 3 december 1997 deelde Amsterdam Exchanges mee dat KNP BT met het informatiebeleid over haar resultaat-ontwikkeling 1996 art. 28h Fondsenreglement niet had overtreden. De feiten lagen in deze zaak als volgt. Vermeld wordt nog dat KNP BT geen prognose had afgegeven omtrent de te verwachten resultaten voor het boekjaar 1996. KNP BT werd echter in de loop van het eerste kwartaal van 1996 geconfronteerd met tegenvallende resultaten als gevolg van prijsontwikkelingen op de papiermarkt. Desondanks had KNP BT de overtuiging dat de papiermarkt op korte termijn weer zou aantrekken. Nadat KNP BT medio april 1996 was gebleken dat de in maart gerealiseerde cijfers belangrijk lager waren dan intern werd verwacht, is besloten om vervroegd op 25 april 1996 een persbericht uit te geven. Amsterdam Exchanges stelt in haar persbericht de beleidsvrijheid van uitgevende instellingen voorop. "De beoordeling of sprake is van koersgevoelige informatie in de zin van artikel 28h Fondsenreglement is in de eerste plaats voor de verantwoording van de uitgevende instelling zelf. Als de uitgevende instelling bekend is met bepaalde feiten welke relevant zijn voor de resultaatontwikkeling, zal zij enige voorzichtigheid dienen te betrachten bij de interpretatie daarvan met het oog op toekomstige ontwikkelingen. Dit betekent dat individuele feiten in het kader van een mogelijke ontwikkeling eerst voldoende zeker dienen te zijn alvorens een tussentijds bericht wordt uitgevaardigd. Tevens is van belang dat een uitgevende instelling bij de beoordeling van de koersgevoeligheid van informatie rekening houdt met de verwachting ten aanzien van toekomstige ontwikkelingen en mogelijk in het verleden gedane mededelingen." Amsterdam Exchanges verbindt aan deze beleidsvrijheid van een uitgevende instelling de volgende gevolgtrekkingen: "In het kader van het onderzoek naar de handelwijze van KNP BT heeft AEX niet kunnen vaststellen dat KNP BT de ontwikkelingen van de eerste maanden van 1996 in combinatie met de toekomstverwachtingen had moeten aanmerken als feiten of omstandigheden in de zin van artikel 28h Fondsenreglement waarvan moest worden aangenomen dat deze een aanmerkelijke invloed op de koers zouden hebben. Dat achteraf is gebleken dat de negatieve ontwikkeling van de eerste maanden van 1996 zich in verhevigde mate heeft doorgezet en daarmee een aantoonbaar structureel karakter heeft gekregen, kan — naar het oordeel van AEX — niet maatgevend zijn voor de beoordeling van de handelwijze van KNP BT in de hiervoor genoemde periode. Bij ontwikkelingen als in het onderhavige geval is het tot op zekere hoogte arbitrair wanneer voldoende duidelijk is dat deze geen incidenteel, doch een meer trendmatig karakter krijgen. Nu KNP BT nog in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat de slechte resultaatontwikkeling van de eerste maanden geen aantoonbaar trendmatig karakter hoefde te hebben, is Amsterdam Exchanges van oordeel dat de resultaten van het onderzoek niet tot de conclusie kunnen leiden dat artikel 28h Fondsenreglement is overtreden."
Het is niet aanvaardbaar om het afgeven van een winstwaarschuwing uit te stellen in het geval de uitgevende instelling voor het realiseren van een uitgesproken winstverwachting afhankelijk is van toekomstige onzekere gebeurtenissen en bovendien onvoldoende zekerheid bestaat dat deze gebeurtenissen zich spoedig zullen voordoen.
Zie het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 20 januari 2005, JOR 2005/94 m.nt. G.T.J. Hoff (AND International Publishers N.V.). In deze zaak publiceerde AND op 3 december 2003 voorbeurs een persbericht met als inhoud een neerwaartse bijstelling van de resultaatprognose over het boekjaar 2003. De Adviescommissie Fondsenreglement oordeelde dat AND art. 28h Fondsenreglement had overtreden door niet op of (in elk geval) kort na 21 oktober 2003, toen de raad van commissarissen van AND bijeenkwam, openbaar te maken dat in het licht van de operationele resultaten van AND de eerder dat jaar uitgesproken verwachtingen redelijkerwijze niet meer haalbaar waren. AND was daarbij naar het oordeel van de Commissie op dat moment voor het realiseren van de uitgesproken verwachtingen afhankelijk geworden van enkele onzekere toekomstige gebeurtenissen. Aangezien onvoldoende zekerheid bestond dat deze gebeurtenissen zich (tijdig) zouden voordoen, kon AND hierin geen grond vinden om de publicatie langer uit te stellen. AND kon zich er ook niet achter verschuilen dat over de onzekerheid eerder met de markt was gecommuniceerd, in dit geval door de vermelding in een persbericht van 18 augustus 2003 dat realisatie van de winstprognose zou afhangen van de omzetbijdrage van nieuwe diensten. De Commissie is namelijk van oordeel dat de onzekerheid met betrekking tot de tijdige realisering van de eventuele omzetbijdragen van die nieuwe diensten in de periode augustus tot oktober 2003 alleen maar groter was geworden.
Rechtvaardigingsgronden voor verlate openbaarmaking?
Hiervoor hebben wij gezien dat de uitgevende instelling bij het afgeven van een winstwaarschuwing onder omstandigheden enige tijd mag nemen om op een zorgvuldige wijze de van belang zijnde feiten vast te stellen dan wel te verifiëren. Andere voor een verlate winstwaarschuwing aangevoerde redenen zullen niet spoedig een rechtvaardigingsgrond opleveren.
Zo is ter rechtvaardiging van de verlate openbaarmaking door uitgevende instellingen nog wel eens een beroep gedaan op al dan niet vermeende gebreken in de informatievoorziening binnen de onderneming. De Adviescommissie Fondsenreglement heeft er geen misverstand over laten bestaan dat de uitgevende instelling zich er niet op kan beroepen dat zij niet beschikt over een adequaat functionerend intern rapportagesysteem. Een gebrekkige informatievoorziening binnen de onderneming dient vanzelfsprekend voor risico van de uitgevende instelling te komen.
Zie het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 24 december 2004, JOR 2005/92 m.nt. G.T.J. Hoff (Vilenzo International N.V.). In deze zaak maakte Vilenzo het wel erg bont. Zij stelde dat de administratie en de administratieve procedures er primair op zouden zijn ingericht om achteraf een getrouw beeld te schetsen van de financiële huishouding van Vilenzo aan de hand van een verlies- en winstrekening en een balans.
In algemene zin kan in dit verband gesteld worden dat de uitgevende instelling over een zodanig rapportagesysteem dient te beschikken dat het bestuur in een vroegtijdig stadium in staat is inzicht te verkrijgen in de ontwikkeling van resultaten en omzet (zie verder § 7.3).
Een andere reden die vergeefs door een uitgevende instelling ter rechtvaardiging van een verlate winstwaarschuwing is voorgedragen, was de kennelijk moeizame communicatie met het bureau dat de public relations voor de uitgevende instelling verzorgde. Ook deze omstandigheid komt volgens de Adviescommissie Fondsenreglement in haar advies van 20 maart 2001 (DPA Holding N. V) vanzelfsprekend voor rekening van de uitgevende instelling.
Enige terughoudendheid betrachtte de Adviescommissie Fondsenreglement nog wel in haar beoordeling van een geval waarin zich in het (top)management van een uitgevende instelling diverse mutaties hadden voorgedaan.15 Die wijzigingen verhinderden de uitgevende instelling kennelijk om eerder mededeling te doen van tegenvallende resultaten in het eerste halfjaar, hoewel bij gelegenheid van de jaarvergadering wel een winst- en omzetverwachting was afgegeven.
Een ondeugdelijke redenering om een verlate winstwaarschuwing te rechtvaardigen, is nog de stelling van een uitgevende instelling dat een vertraging bij het afgeven van een winstwaarschuwing niet relevant zou zijn geweest voor het beleggend publiek, aangezien het aandelenbezit slechts over een gering aantal aandeelhouders gespreid was.
Uit het advies van de Adviescommissie Fondsenreglement van 4 juli 2001 (Multihouse NV) blijkt dat de uitgevende instelling erop gewezen heeft dat zij een grootaandeelhouder had die meer dan 90% van haar aandelen bezat. Haar zou ook nagenoeg bekend zijn wie de overige aandelen in Multihouse hielden. Terecht wijst de Commissie erop dat de juistheid van deze stelling van de uitgevende instelling reeds wordt gelogenstraft doordat de publicatie van de halfjaarcijfers en de winstwaarschuwing op 7 december 2000 tot een koersdaling van ca. 30% leidde. Los daarvan geldt dat de stelling dat de resultaatontwikkeling van een onderneming met een beperkte free floot geen invloed zal hebben op de ontwikkeling van de beurskoers van haar aandelen onjuist is. Terzijde merk ik nog op dat het met de timing van de winstwaarschuwing overigens ook ernstig was gesteld. Multihouse maakte pas op 7 december 2000 bekend dat het nettoresultaat over het eerste halfjaar van 2000 gedaald was tot ca. NLG 0,5 miljoen (ter vergelijking: het nettoresultaat over het eerste halfjaar van 1999 bedroeg ca. NLG 2,5 miljoen). Bij de publicatie van de jaarcijfers over 1999 (met een nettowinst van NLG 5,4 miljoen) op 20 juni 2000 was door Multihouse nog medegedeeld dat naar verwachting het positieve resultaat ook in 2000 gehandhaafd zou kunnen worden.
Mitigerende factoren bij het opleggen van maatregelen
Bij haar advisering over het opleggen van maatregelen in geval van overtreding van het Fondsenreglement is de Adviescommissie Fondsenreglement bereid gebleken rekening te houden met bepaalde verzachtende omstandigheden. Hoewel de Commissie van oordeel was dat in een aan haar ter beoordeling voorgelegd geval sprake was van een kennelijke overtreding van art. 28h Fondsenreglement, werd niettemin geen aanleiding gezien Euronext Amsterdam te adviseren een maatregel als bedoeld in art. 65 Fondsenreglement te nemen.16 Daarbij werd door de Commissie rekening gehouden met de omstandigheid dat de uitgevende instelling een tamelijk jong beursfonds was en dat de Commissie was gebleken dat de uitgevende instelling haar organisatie na de overtreding had verbeterd. In een ander geval17 hield de Adviescommissie Fondsenreglement rekening met de omstandigheid dat de uitgevende instelling medegedeeld had zich in te spannen om aan art. 28h Fondsenreglement te voldoen. Ook werd in datzelfde geval rekening gehouden met de omstandigheid dat ten tijde van de geconstateerde overtredingen de raad van bestuur en de raad van commissarissen van de uitgevende instelling nog slechts (betrekkelijk) kort in functie waren.