Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.6.3
II.6.3 Beccaria
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597477:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Nicolas 1682, p. 84: “La principale raison qu’on allegue pour soûtenir la dangereuse pratique des questions, & pour faire perir à quelque prix que ce foit, tous les accusez de fortilege, est, qu’ils peuvent faire du mal si on les relasche. Premierement, pour donner quelque couleur à une raison si foible, & si generale, il faut supposer qu’ils sont forciers; mais c’est faire tort au bons sens & à la Justice, qui veulent qu’on presume tousjours pour l’innocence […].”
Beccaria (1764) 1982, p. 41-44. Vgl. Beccaria (1764) 2016, p. 59-60. De als tekst van Beccaria ook aan de vertaling van Michiels ten grondslag gelegde tekst is echter niet de originele van Beccaria, maar een bewerkte vertaling van Morellet uit 1766. Beccaria stemde met die aanpassingen in, zie over de relatie tussen Beccaria en Morellet nader De Roos 2015. Voor hetgeen hierna is gesteld bestaat tussen de vertaling van Michiels (1982) en die van Stolwijk (Beccaria (1764) 2016) geen wezenlijk verschil. Om de lezer ten dienste te staan, vermeld ik naast de vertaling van Michiels ook de vindplaats bij Stolwijk, maar daaruit is niet geciteerd.
Beccaria (1764) 1982, p. 218. Vgl. Beccaria (1764) 2016, p. 148.
Beccaria (1764) 1982, p. 79-80. Vgl. Beccaria (1764) 2016, p. 86-87.
Dat Beccaria op het sociaal contract doelde (“violati i patti”, zie Beccaria (1764) 1973, p. 39) blijkt uit de vertaling van Michiels minder goed (“geschonden voorwaarden, waaronder die bescherming werd verzekerd”) dan uit die van Stolwijk (“wanneer men besloten heeft dat hij de overeenkomsten heeft geschonden die zij met hem is overeengekomen”, zie Beccaria (1764) 2016, p. 86).
Beccaria (1764) 1982, p. 63. Vgl. Beccaria (1764) 2016, p. 82-83.
Stuckenberg 1998, p. 29, voetnoot 120.
Beccaria (1764) 1982, p. 58-59. Vgl. Beccaria (1764) 2016, p. 117.
Beccaria(1764) 1982, p. 58-61. Vgl. Beccaria (1764) 2016, p. 117-119.
Beccaria (1764) 1995, p. 32. Deze Engelse vertaling sluit beter aan op de originele tekst en stelt meer dan die van Michiels ((1764) 1982, p. 69) buiten twijfel dat op een vermoeden van onschuld wordt gedoeld. Vgl. de Italiaanse versie (Beccaria (1764) 1973, p. 32): “Piú d’un testimonio è necessario, perché fintanto che uno asserisce e l’altro nega niente v’è di certo e prevale il diritto che ciascuno ha d’essere creduto innocente” en ook de nieuwe Nederlandse (Beccaria (1764) 2016, p. 80): “Er is altijd een getuige nodig omdat zodra de een het feit bevestigt en de ander ontkent, er niets zeker is en dan het recht dat eenieder geacht wordt onschuldig te zijn, voorgaat.”
Beccaria (1764) 1982, p. 50. Vgl. Beccaria (1764) 2016, p. 64. Overigens stond vrijspraak er zijns inziens niet zonder meer aan in de weg bij nieuwe aanwijzingen opnieuw te vervolgen, zie daarover Van Hattum 2012, p. 212-213.
Hoewel Cesare Beccaria (1738-1794) niet de eerste was die op grond van de onschuldpresumptie tegen de inrichting van het vooronderzoek in de inquisitoire procedure opponeerde,1 is hij de belangrijkste verantwoordelijke voor een drastische transformatie in de betekenis van het beginsel. In zijn in 1764 verschenen Dei delitti e delle pene trekt Beccaria fel van leer tegen allerlei aspecten van de gevestigde strafrechtelijke orde. Beccaria zoekt en vindt de oorsprong van het recht tot straffen in het sociaal contract. De samenbundeling van alle kleine deeltjes opgeofferde individuele vrijheid ten gunste van het algemeen welzijn, vormt de grondslag van overheidsgezag en daarmee van het recht te straffen. Burgers offeren echter slechts het hoogst noodzakelijke op, zodat elke straf onrechtvaardig is wanneer deze niet strikt noodzakelijk is om het algemeen welzijn te bewaren.2 Deze utilitair-terughoudende benadering van strafrecht brengt volgens Beccaria verschillende voorwaarden voor bestraffing met zich. Hij vat een en ander aan het slot van zijn boek als volgt samen:
“Om te vermijden, dat welke straf ook een daad van geweld zou zijn van een enkel persoon of van velen tegenover één burger in het bijzonder, moet zij werkelijk openbaar zijn, zo spoedig mogelijk worden uitgesproken, noodzakelijk en in de gegeven omstandigheden de minst strenge zijn, in de juiste verhouding staan tot het gepleegde misdrijf en voorgeschreven zijn door de wet.”3
In deze samenvattende afsluiting laat Beccaria een belangrijke door hem wel gestelde voorwaarde voor bestraffing achterwege. Voor bestraffing is in beginsel ook nodig dat het begaan van een door de wet voorgeschreven strafbaar feit daadwerkelijk is vastgesteld. Om die reden keert Beccaria zich tegen het gebruik van de pijnbank:
“Men heeft niet het recht iemand als schuldig te beschouwen zolang de rechtbank geen vonnis heeft geveld. Zo ook mag de maatschappij aan de verdachte haar officiële bescherming niet onttrekken, alvorens wordt vastgesteld, dat hij inderdaad de voorwaarden, waaronder die bescherming hem werd verzekerd, zelf heeft geschonden. Met welk recht – zo niet het recht van de sterkste – mag de rechter aan een burger een straf opleggen op een ogenblik, dat men nog twijfelt, of die mens schuldig of onschuldig is? [...] Ofwel de schuld van de verdachte staat vast ofwel zij staat niet vast. Is het strafbaar feit overtuigend bewezen, dan verdient het geen andere straf dan die welke de wet voorschrijft [...]. Is de schuld van de verdachte niet zeker, dan heeft men niet het recht een onschuldige te folteren, want volgens de wet is wel degelijk onschuldig hij van wie de schuld aan de ten laste gelegde misdaden niet is bewezen.”4
In dit standpunt van Beccaria klinkt door wat ook Hobbes verdedigde: de schending van het sociaal contract5 door het begaan van een delict kan niet zomaar worden aangenomen. Om te mogen straffen dient die schuld te zijn vastgesteld. Gelet op de nadruk die Beccaria in de geciteerde passage legt op de twijfel over de schuld van de verdachte, lijkt het gevaar dat in werkelijkheid onschuldigen aan straf worden blootgesteld, de belangrijkste grond voor dit standpunt. Elders in zijn boek verlangt hij voor een schuldigverklaring dan ook “een waarschijnlijkheid van die aard en graad, dat men de gewoonte heeft ze zekerheid te noemen”.6 Daarmee hangt samen dat de schuldvaststelling zoals hij deze voor zich zag fors minder willekeurig en met meer waarborgen omkleed zou dienen plaats te vinden dan hoe in zijn ogen de rechterlijke beslissingen in het geldende strafproces werden genomen.
Stuckenberg is van mening dat Beccaria’s standpunt over de pijnbank neerkomt op een herformulering van de reeds in de Frankische capitularia aangetroffen waarschuwing een verdachte niet als dader te beschouwen.7 Beccaria voegt mijns inziens echter wezenlijke elementen aan die waarschuwing toe. Ten eerste geeft Beccaria geen waarschuwing, maar een af te dwingen verbod; men heeft het recht niet iemand voor veroordeling als schuldige te behandelen. Daarnaast verbindt Beccaria dit verbod net als Hobbes met een materieel strafbegrip. Processuele handelingen die in hun effect op de betrokkene de straf evenaren, dienen in beginsel in acht te nemen dat de verdachte nog geen schuldige is. Door een materieel strafbegrip te hanteren, terwijl voor bestraffing in beginsel schuldvaststelling ten processe wordt vereist, maakt Beccaria van de toepassing van ingrijpende dwangmiddelen een principieel probleem. Sommige dwangmiddelen acht hij daarom onaanvaardbaar, terwijl de in zijn ogen noodzakelijke dwangmiddelen daarom niet verder mogen reiken dan strikt noodzakelijk. De pijnbank doorstaat de toets aan dat uitgangspunt klaarblijkelijk niet. Het andere door Beccaria als straf aangemerkte dwangmiddel, de voorlopige hechtenis, geeft hij een uitzonderingspositie: “De preventieve vrijheidsberoving is een straf, die in tegenstelling tot elke andere, noodzakelijkerwijze aan de schuldigheidsverklaring dient vooraf te gaan.”8 Het uitgangspunt dat straf eerst na veroordeling mag worden opgelegd, houdt Beccaria dus niet consequent vol. Wel acht hij het een principieel probleem dat voorarrest aan veroordeling voorafgaat. Om die reden mag alleen de wet bepalen onder welke omstandigheden de rechter het voorarrest kan bevelen, dienen daarvoor sterke in de wet genoemde indicaties voor de schuld van de verdachte aanwijsbaar te zijn en moet de tenuitvoerlegging zo humaan mogelijk plaatsvinden. Tegen de opsluiting van verdachten samen met en onder dezelfde omstandigheden als veroordeelden, verzet hij zich daarom.9
De overwegingen van Beccaria voegen nog een derde element toe aan de waarschuwing een verdachte niet als misdadiger te beschouwen. Foltering vóór veroordeling duidt hij niet alleen aan als straf, maar als de bestraffing van een “onschuldige, want volgens de wet is wel degelijk onschuldig hij van wie de schuld aan de ten laste gelegde misdaden niet is bewezen”. Dat Beccaria niet van een vermoeden spreekt, neemt niet weg dat hij hiermee doelt op de onschuldpresumptie. Hij koppelt de bejegening van de verdachte aan de idee dat wie nog niet schuldig is bevonden voor onschuldig dient te worden gehouden. Aldus ziet Beccaria de uitspraak van de rechter over de schuld van de verdachte als een absoluut breekpunt in de tweedeling tussen schuld en onschuld. Zolang twijfel over de schuld van de verdachte kan bestaan, dient hij niet als schuldige te worden bejegend. Uit deze dichotomie, tussen vastgestelde schuld en niet-vastgestelde schuld, trekt Beccaria ook voor het bewijs conclusies:
“More than one witness is needed, because, so long as one party affirms and the other denies, nothing is certain and the right which every man has to be believed innocent preponderates.”10
Beccaria ziet voor een beslissing die het midden houdt tussen vrijspraak en veroordeling dan ook geen ruimte.11 De breuklijn tussen vastgestelde en niet-vastgestelde schuld die Beccaria met het onschuldvermoeden verbindt en de consequenties die een en ander volgens hem niet alleen voor het bewijs, maar juist ook voor de inrichting van het strafrechtelijk vooronderzoek heeft, zijn richtinggevend geweest voor de ontwikkeling van het vermoeden van onschuld op het Europese vasteland.