Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.4
II.4 Goedheidsvermoeden I: vermoeden van goedheid als op empirie gebaseerd bewijsmiddel
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596270:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het gezag van deze glossen was groot. Zie over de geschiedenis van de glossatoren en hun invloed op de interpretatie van het Romeinse recht Kunkel 1975, p. 207-208; Lesaffer 2008, p. 229-237; Lokin & Zwalve 2014, p. 149-158.
Zie Köster 1979, p. 9, die diverse oudere glossen bestudeerde.
Aldus Robinson, Fergus & Gordon 2000, p. 50-52; Lokin & Zwalve 2014, p. 155-156.
Accursius (1487) 1968, p. 523.
Voor nadere analyse zie Köster 1979, p. 11; Henrion 2006, p. 95-96.
Dig. 49.16.5.6: “[...] dat soldaten die door de barbaren zijn teruggestuurd, alleen dan in hun rechten behoren te worden hersteld als zij zullen bewijzen dat zij uit krijgsgevangenschap zijn ontsnapt en dat zij niet waren overgelopen. Maar ook al kan hierover geen volledige zekerheid bestaan, toch dient men dit op basis van de beschikbare aanwijzingen te onderzoeken. En indien iemand tevoren als een goed soldaat gold, ligt het voor de hand dat men geloof hecht aan zijn bewering: indien hij een wegblijver was, of nalatig ten aanzien van zijn plichten, of gemakzuchtig, of een slecht kameraad, dan zal men hem niet geloven.”
Accursius (1487) 1968: “qui semel malus est, et postea praesumitur”. Zie daarover Kiefner 1961, p. 310 e.v.; Köster 1979, p. 11.
Over de vermoedenstheorie van Accursius: Motzenbäcker 1958, p. 80-83; Kiefner 1961, p. 317-318.
Motzenbäcker 1958, p. 152.
Vanaf het eind van de dertiende eeuw werden de commentaren op het Corpus Iuris breder van opzet en was een glosse niet langer de ideale vorm. De Italiaanse analyses hielden losser verband met de tekst van het Corpus, zie nader Kunkel 1975, p. 210-211.
Eeuwenlang was Gandinus daarmee tot in de Nederlanden van grote invloed op het strafrechtelijk bewijsrecht, zie Van Heijnsbergen 1927, p. 7-8; Van der Vrugt 1982, p. 12. Zie over dit bewijsrecht ook Van Hattum 2012, p. 105 e.v.
Van Damme 2016, p. 24.
Van Heijnsbergen 1929a, p. 244; Vallerani 2012, p. 103 e.v.; zie voor een overzicht van indicia indubitata Holtappels 1965, p. 9, voetnoot 13.
Gandinus (1460) 1926, p. 75 en 77. Hij verwijst daarbij uitdrukkelijk naar de door Accursius becommentarieerde digestentekst over de terugkerende militair.
Gandinus (1460) 1926, p. 79.
Zo ook Köster 1979, p. 11-13.
Vgl. Van Damme 2016. De beschermende werking van het vermoeden viel in de praktijk vermoedelijk meestal mager uit. Was sprake van een indicia indubitata dan kwam de rechter – zoals gezegd – dwingend tot een veroordeling. Bovendien gold, wanneer geen indicia indubitata aanwezig waren, een specialiteitsbeginsel. Specifiek op het onderhavige proces toepasselijke indicia dubitata prevaleerden boven de praesumptio bonitatis. Daaronder vielen onder meer niet overtuigende aanwijzingen als de vlucht van de verdachte, een vijandschap tussen verdachte en slachtoffer of dat de verdachte (mogelijkerwijs) voordeel van de misdaad genoot. Slechts indien daarvan geen sprake was, kon het goedheidsvermoeden een verdachte voor de pijnbank behoeden. Zie Köster 1979, p. 17.
Zie met verwijzingen Köster 1979, p. 14.
Zie over de receptie van het Romeinse recht in het algemeen en in Duitsland in het bijzonder Koschaker 2000. Voor Nederland: Van Heijnsbergen 1929b, p. 305 e.v.
Zie over de achtergronden van deze breuk tussen Engeland en het continent Lokin & Zwalve 2014, p. 409 e.v. Zie daarover in de context van de onschuldpresumptie Keijzer 1987, i.h.b. p. 237.
Zie over de indiciënleer van Tengler, Burret 2010, p. 157 e.v. en over de invloed van Gandinus daarop p. 43-44.
De boeken van De Damhouder zijn vrijwel geheel het geesteswerk van zijn voorganger Filips Wielant. De Damhouder pleegde een mate van plagiaat die zijn gelijke in de moderne tijd nauwelijks kent, zie Strubbe 1970, p. 38-39 en het nawoord van Dauwe & Monballyu bij De Damhouder (1555) 1981. Het werk van De Damhouder heeft echter in zijn eigen tijd een grotere bekendheid en bereik genoten dan dat van Wielant.
Zie bijv. De Damhouder (1555) 1981, p. 12: “[...] [indicien] souffissante […].[om te] inquirere / onderzoucken / tortureren ende pijnen, maer niet ghenouch om condemneeren, want op indicien en es niemandt te condemneren criminelick, hoe sterck ook dat zij zijn. Ghemerckt dat de indicien int criminele moeten zijn claerdere dan de lucht.” Zo over het werk van Filips Wielant: Van Heijnsbergen 1929a, p. 246.
Ook in de CCC waren vermoedens bewijsmiddelen die konden leiden tot aanwending van tortuur, vgl. art. 19 en 22 CCC.
Zie art. 143 CCC: ““…] Aber nemlich ist zu merken, das in dissem fall, aller obgemellter vermuttung halb, die beweisung dem thätter uffgelegt werden soll [...”. Anders: De Damhouder (1601) 1978, p. 17, die een zelfstandige onderzoeksplicht voor de rechter zag.
Wielant en De Damhouder achtten de slechte reputatie een ‘verre inditie’, maar handelen niet over de gevolgen van het spiegelbeeld. De slechte reputatie van de verdachte geldt ook als een vermoeden van schuld dat voldoende is voor pijniging krachtens het landrecht van Overijssel van 1559. Zie Van Heijnsbergen 1925, p. 38-43. Evenmin echter als in de belangrijkste Nederlandse strafrechtelijke codificatie van deze tijd, de criminele ordonnantiën van Philips II, vindt men in dat landrecht een goedheidsvermoeden zoals in de Italiaanse bewijsleer en de CCC, vgl. Van der Vrugt 1978.
De tot aan de Franse revolutie geldende regeling van strafprocesrecht in Frankrijk was de Ordonnance Criminelle van 1670. Hierin was de praesumptio bonitatis als bewijsmiddel afwezig. Zie daarover Henrion 2006, p. 124-125.
Zie daarover nader Van Hattum 2012, p. 148.
Zie daarvoor Carpzov/Van Hogendorp 1752, hfdst. 115, § XXXV, p. 1243: “Dit ‘s echter meer dan zeker, dat de onderstelling van geene misdaad de onderstelling van misdaad uytsluyt, en altyd in ’t onzekere voor de zachtste zyde moet ondersteld worden.” Met die zachtste zijde doelt Carpzovius echter niet op vrijspraak, maar op poena extraordinaria. Zie ook Holtappels 1965, p. 50-51.
C.F.G. Meister: “Die für die unschuld des Denunziaten ausfallene Deposition des defensionalszeugen in verbindung mit der für jeden Beschuldigten überhapt streitenden und für den gegenwärtigen Inculpaten in besonderheit aus den hergebrachten sehr vorteilhaften Zeugnissen seines unbescholtenen, friedfertigen Lebenswandels, ferner aus seinem vormaligen Verhalten entspringende Vermutung der unschuld ist für vollständigen Beweis seiner unschuld zu achten.” Geciteerd uit Köster 1979, p. 52. Zie ook de citaten bij Holtappels 1965, p. 60.
Wereldlijke juristen uit de school der legisten becommentarieerden het Corpus Iuris Civilis in zogeheten glossen.1 Aanvankelijk bleven zij in hun commentaren dicht bij de tekst van het Corpus. Een voor dit onderzoek relevant onschuldvermoeden komt daarin niet voor.2 Mettertijd werden de glossen echter meer op zichzelf staande juridische teksten waarin de glossatoren niet alleen taalkundige uitleg maar ook juridische interpretatie van het Corpus verwerkten.
In één van de meest invloedrijke glossen,3 die van Accursius (1182-1260), duikt voor het eerst een vermoeden van goedheid op. In zijn commentaar op een het militair recht betreffende digestentekst stelt hij zeer algemeen: “Si bonus fuit, et bonus praesumitur, sic etiam si malus”.4 Als iemand goed was, wordt hij goed vermoed. Die opmerking is om een aantal redenen opvallend.5 Op de eerste plaats trekt Accursius een algemene lijn, terwijl de oorspronkelijke digestentekst op een specifiek (militair) probleem ziet.6 Dat Accursius generalisering beoogde, blijkt ook eruit dat hij eveneens de tegenovergestelde stelling in algemene zin aandurft, hetgeen leidt tot een soort eens-een-dief-altijd-een-dief-gedachte.7 Ten tweede handelt de digestenpassage over een waarschijnlijkheid (‘ligt voor de hand’). Accursius brengt daarentegen met zijn formulering zijn algemene regel onder bij de rechtsvermoedens. Dit is van belang, omdat Accursius de in opkomst zijnde positief-wettelijke bewijstheorie aanhing, waarin de wet aan de rechter in beginsel dwingend voorschreef wanneer deze tot bewezenverklaring moet overgaan.8 Rechtsvermoedens golden daarin als bewijsmiddel.9 In het door Accursius beschreven geval draagt het eerdere goede gedrag van de militair bij aan het bewijs van diens onschuld aan desertie.
De commentator10 Gandinus (1245-1310) was de eerste die de zogeheten theorie van het positief-wettelijke bewijs naar het strafrecht vertaalde.11 Waar het Romeinse recht een in beginsel vrije bewijswaardering door de rechter kende, was de rechter in de middeleeuwse Italiaanse doctrine – en in het daarop gebaseerde inquisitoire strafproces – aan vele bewijsregels gebonden. Deze bepaalden onder meer onder welke omstandigheden de rechter tot een veroordeling moest komen. De bewijstheorie van Gandinus draait om het onderscheid tussen indicia indubitata en indicia dubitata. Was sprake van indicia indubitata, dan diende de rechter zonder meer tot een veroordeling over te gaan. Zo dwong bijvoorbeeld de bekentenis tot bewezenverklaring. Wanneer indicia indubitata niet konden worden vastgesteld, mocht de rechter geen veroordeling uitspreken. Dan geraakte de rechter, in de woorden van Van Damme, “into a true labyrinth of unsystematised, poorly distinguishable, overlapping, ill-defined, and author-dependant legal concepts indicating minor proof”.12 Zo kon één indicium dubitatum geen veroordeling dragen, maar wel aanleiding geven de verdachte te folteren.13 Het op het eerste gezicht vooruitstrevend ideaal van een inquisitoire procedure waarin alleen bij onomstotelijk bewijs veroordeling plaatsvindt, is op die manier in de praktijk van rechtsbescherming ontbloot.
Gandinus kwalificeert vermoedens als indicia dubitata. Zij kunnen à charge of à décharge functioneren. Onder de vermoedens die als indicia dubitata à décharge functioneren, schaart hij twee goedheidsvermoedens: een praesumptio facti en een praesumptio naturae. De praesumptio facti heeft als vermoedensbasis de morele staat van de verdachte, die bestaat uit zijn handelen (zowel voor als na het feit) en zijn denken.14 De praesumptio naturae is gebaseerd op de sociale status van de verdachte. Is die status hoog, dan wordt hij vermoed goed te hebben gedaan.15 Aldus acht Gandinus als eerste een goedheidsvermoeden onderdeel van het strafrechtelijk bewijsrecht.16
Voor iemand van goeden huize die niet vaker met het strafrecht in aanraking kwam, was het goedheidsvermoeden een interessante bewijsregel, omdat deze in theorie de verdachte voor de pijnbank kon behoeden.17 Collega’s en opvolgers van Gandinus uit dezelfde school hebben de praesumptio bonitatis wel steeds als geldend geaccepteerd, maar daaraan niets voor dit onderzoek wezenlijks toegevoegd.18
Het gebruik van het goedheidsvermoeden door Gandinus staat nog tamelijk ver af van de huidige betekenis. Voor de algemene bekendheid van de onschuldpresumptie is dit goedheidsvermoeden echter waarschijnlijk wel van belang geweest. Het Romeinse recht en de inquisitoire procesvorm hebben zich over het gehele Europese vasteland verspreid.19 Voor wat tegenwoordig het Verenigd Koninkrijk heet en de door de aldaar geldende common law beïnvloedde Angelsaksische rechtsstelsels is dat overigens anders. De onschuldpresumptie is in die rechtsstelsels tamelijk onafhankelijk tot ontwikkeling gekomen.20 Die geschiedenis komt daarom afzonderlijk aan bod in paragraaf 8.
Als empirische bewijsregel verspreidde het goedheidsvermoeden zich ook in de Rijnlanden. Gezaghebbende auteurs als Tengler (1447-1511),21 Wielant (1441-1520) en De Damhouder (1507-1581),22 die zich in hun werk veelvuldig baseerden op de Italiaanse legisten, beschouwden vermoedens als halbbeweis, te vergelijken met de indicia dubitata uit de positief-wettelijke bewijstheorie van Accursius en Gandinus. Op basis van halfbewijzen of indiciën, waartoe het goedheidsvermoeden moet worden gerekend, kon niet worden veroordeeld, maar alleen tot gebruik van de pijnbank worden besloten.23
Het goedheidsvermoeden bleef in dit stelsel een empirische grondslag houden in de sociale status en levenswandel van de verdachte. Zo schrijft artikel 28 van de Constitutio Criminalis Carolina (CCC) (ca. 1530), de belangrijkste Duitse codificatie uit de tijd van Karel de Vijfde,24 voor dat ten gunste van de verdachte werkt wat “guter Vermutung” voor hem spreekt. De verdachte dient de aanwijzingen die vóór hem pleiten zelf aan te dragen.25 In de Nederlandse26 en Franse27 codificaties van die tijd vindt men slechts het negatieve spiegelbeeld terug; als iemand een lage maatschappelijke status heeft of bijvoorbeeld eerder delinquent gedrag vertoonde, vormde dit een belangrijke aanwijzing voor zijn schuld.
Tot aan de Franse revolutie speelde het goedheidsvermoeden als bewijsmiddel in het continentale strafprocesrecht een rol. Sporadisch bracht men het in verband met de Trajanusregel en een enkele keer durfde een auteur daaraan de conclusie te verbinden dat de verdachte bij twijfel dient te worden vrijgesproken.28 De Duitse auteur Carpzov (1595-1666) relateerde een zekere favor defensionis aan de rechtsvermoedens. Hij stelt dat de presumpties ten faveure van de verdachte zwaarder moeten wegen dan die ten nadele van hem.29 Voor Meister (1718-1782) is het goedheidsvermoeden beslissend in geval één getuige zich uitspreekt à charge en één à décharge. De getuigenis à décharge in combinatie met het uit het gedrag en de sociale status van de verdachte voortvloeiende vermoeden van onschuld behelzen een volledig bewijs van onschuld.30 Het onschuldvermoeden lijkt op die manier in het inquisitoire positief-wettelijk bewijsrecht geleidelijk meer gewicht in de schaal te zijn gaan leggen.