Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.6.1
II.6.1 Sociaal contract en het recht tot straffen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598614:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de invloed van het moderne natuurrecht op de Verlichting bijv. Fischl (1913) 1973, p. 12-26; Schmidt 1965, p. 212 e.v.; Stolleis 1977.
Zo ook Groenhuijsen 2002, p. 22-23.
Vgl. Hertz (1887) 1972, p. 122-123; Dupont 1979, p. 23-25. Laatstgenoemde illustreert het contrast tussen de gevestigde juristen van het Ancien régime en verlichte juristen aan de hand van de reacties van twee vooraanstaande strafjuristen van die tijd, Jousse en Muyart de Vouglans, op het werk van Beccaria. Zij trekken fel van leer tegen het gebrek aan onderzoek naar en citering van juridische autoriteiten en wijzen zijn feitelijke vaststellingen over misstanden in het strafrecht op zeer juridische gronden af.
Hobbes (1651) 2006, hfdst. 21, p. 145-148 acht de bescherming van onvervreemdbare rechten van zelfbehoud en veiligheid het enige recht van de Staat. Locke vindt de enige legitimatie voor overheidsoptreden in het algemeen belang. Zie specifiek voor het recht tot vorming van een materieel strafrecht Locke (1690) 2002, p. 2: “Political power [...] I take to be a right of making laws with penalties […] for the regulating and preserving of property, and of employing the force of the community in the execution of such laws, and in the defence of the commonwealth from foreign injury; and all this only for the public good.”
Vgl. Strauss (1953) 1976, p. 181-182.
Vgl. Locke (1690) 2002, p. 68.
Aldus Belfort Bex 1882, hfdst. 2. Vgl. ook Fischl (1913) 1977, p. 22.
Aldus ook Stuckenberg 1998, p. 26; Henrion 2006, p. 192-193. Erkenning zou ook niet goed passen bij het pessimistische mensbeeld van Hobbes. Zie Hobbes (1651) 2006, hfdst. 13, p. 88-89.
Hobbes (1651) 2006, hfdst. 28, p. 215.
Aldus Hüning 2007, p. 225. Vgl. wel ook reeds over tortuur Spee von Langenfeld (1631) 2003, vraag 39, p. 151: “Was the torture a punishment for an offense? Or a path to the truth? It is against the law and completely unheard of that torture be a punishment, for what is it punishing? The one you have not yet proven and are investigating?”
Hobbes (1651) 2006, hfdst. 28, p. 218. Soortgelijk karakteriseert hij de bestraffing van onschuldigen (p. 219): “All punishment of innocent subjects, be they great or little, are against the law of Nature: for punishment is only for transgression of the law.” Henrion 2006, p. 193 stelt dat Hobbes daarmee een duidelijke dichotomie ziet tussen schuld en onschuld. Hij die niet schuldig is verklaard, is onschuldig. Dat lijkt me niet zonder meer juist. Het is niet onaannemelijk, zelfs voor de hand liggend, dat Hobbes het ‘innocent subjects’ gebruikt in feitelijke zin en dat derhalve twee afzonderlijke verboden op bestraffing bestaan, te weten op het bestraffen vóór veroordeling en op het bestraffen van feitelijk onschuldigen.
De vertaling van de op rationaliteit gerichte en minder godsdienstafhankelijke juridisch-wetenschappelijke benadering van het moderne natuurrecht naar een maatschappelijke kritiek met een breder draagvlak, is wat men tegenwoordig pleegt aan de te duiden als de Verlichting.1 Van één ‘verlichtingsfilosofie’ kan niet worden gesproken, want de diversiteit van opvattingen was groot.2 Het kenmerkt het wetenschappelijk klimaat van deze periode dat de juridische dogmatiek van minder zwaarwegend belang wordt geacht, juridische invalshoeken vaker worden verlaten en algemene wijsgerig gefundeerde beginselen een prominentere rol gaan spelen in het rechtsdenken.3
Uit de studie van het moderne natuurrecht, die dogmatisch-juridisch van aard was, ontsproten niet alleen nieuwe ideeën over het individu, maar in het verlengde daarvan ook over de verhouding tussen het individu en de staat. Tegen deze achtergrond kwamen onder meer Hobbes (1588-1679) en Locke (1632-1704) tot hun theorieën over het sociaal contract. Het individualistische aspect in deze contractstheorieën is evident: de samenleving en overheid zijn als zodanig en van nature een afspraak tussen de individuen die haar vormen. Oorspronkelijk zijn de vrijheden van het individu onbeperkt. Dat betekent evenwel dat ook ieder ander vrij is, hetgeen tot onzekerheid, chaos en onveiligheid leidt. Overdracht van persoonlijke rechten aan de gemeenschap waarborgt de veiligheid en orde. De gemeenschap is te herleiden tot deze afgestane rechten van in principe vrije en gelijke individuen. Staat en samenleving bestaan volgens de contractstheorieën in het belang van haar individuele leden.4 Daarmee is de relatie tussen staat en individu niet langer primair te duiden in termen van plichten aan die staat, maar vloeien uit die verhouding nu ook rechten ten opzichte van die Staat voort. De Staat heeft omgekeerd de plicht zich te onthouden van bepaalde handelingen. De staatsmacht over het individu reikt niet verder dan die handelingen die nodig zijn ter bescherming van de natuurlijke rechten van andere individuen.5 Ook het gezag dient zich derhalve aan het sociaal contract te houden en kan op basis daarvan ter verantwoording worden geroepen.6 Bijgevolg komt in het publiekrecht de vraag meer voorop te staan of, en zo ja onder welke omstandigheden en op welke wijze de natuurlijke rechten van de burger mogen worden beperkt of ontzegd. De theorie van het sociaal contract, ‘gospel’ van de Verlichting,7 is daarmee van kardinale betekenis voor de ontwikkeling van de idee van rechtsstatelijkheid, van mensenrechten in het algemeen en van een modern begrip van de onschuldpresumptie in het bijzonder.
Zonder de onschuldpresumptie als zodanig te noemen,8 levert Hobbes een belangrijke bijdrage aan de latere betekenis van het principe. In hoofdstuk 28 van zijn hoofdwerk Leviathan noemt hij een aantal eisen waaraan bestraffing moet voldoen. Straf is alleen het toebrengen van leed door ‘public authority’, voorafgegaan door een publieke vaststelling van overtreding van de wet door een overheidsautoriteit. Leedtoevoeging zonder daaraan voorafgaande veroordeling is geen bestraffing maar een vijandige daad:
“[...] the evill inflicted by publique Authority, without precedent publique condemnation, is not to be stiled by the name of Punishment; but of an hostile act; because the fact for which a man is Punished, ought first to be Judged by publique Authority, to be a transgression of the Law.”9
Schuld alleen is dus voor legitieme bestraffing onvoldoende, die schuld moet ook op legitieme wijze worden vastgesteld. Van op veroordeling anticiperende bestraffing kan derhalve geen sprake zijn, dat is een hostile act.
Dit verbod op aan veroordeling voorafgaande bestraffing was in Hobbes’ zijn tijd verre van evident, zoals de eerder genoemde poena extraordinaria illustreert.10 Hobbes hanteert bovendien een materieel strafbegrip. Bijgevolg heeft dit uitgangspunt ook voor andere leedtoevoeging dan de formele straf gevolgen. Daarover stelt hij in algemene zin:
“[...] no man is supposed to be punisht, before his cause be Judicially heard and declared guilty. And herefore whatsoever hurt a man is made to suffer by bonds, or restraint, before his cause be heard, over and above that which is necessary to assure his custody, is against the Law of Nature.”11
Elke met straf vergelijkbare inbreuk op de rechten van het individu die aan veroordeling voorafgaat, moet volgens Hobbes dus strikt noodzakelijk zijn.