Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.1
II.1 Inleiding
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595118:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Dworkin 1977, p. 40. De passage citeerde ik in § I.5.
De schets die wordt geboden door Keijzer (1987) is fraai, maar verschaft geen volledig beeld.
Zie daarvoor het bronrijke werk van Köster 1979.
Aan de voor dit hoofdstuk geraadpleegde bronnen ben ik op uiteenlopende, soms ook toevallige, wijze gekomen. Enerzijds is algemene rechtshistorische literatuur over het straf(proces)recht in Nederland en in Europa geraadpleegd, anderzijds ben ik veel dank verschuldigd aan de rechtshistorische onderzoeken naar de onschuldpresumptie van hoofdzakelijk Köster (1979) en Henrion (2006), aangevuld door Stuckenberg (1998), Tophinke (2000), Pennington (2003) en Quintard-Morénas (2010). Indien ik niet de beschikking heb kunnen krijgen over de primaire bron, is dat inzichtelijk gemaakt door een vermelding als “zoals aangehaald/geciteerd door...”.
Zie naast het hierna beschreven voorbeeld ter illustratie van de alternatieve benadering Foret 2007, i.h.b. p. 8. Hij beperkt zich bij zijn historisch onderzoek naar de onschuldpresumptie tot “la charge de la preuve et du bénéfice du doute”. Vgl. ook op dergelijke wijze Clementi 1977; Stumer 2010.
Geciteerd uit Van Kempen 2010, p. 1160.
In de Codex Hammurabi zien de onschuldpresumptie: Godbey 1905, p. 210; Feighery, Hasian & Rieke 2011, p. 258.
Zo werd tot in de negentiende eeuw tussen vermoeden van goedheid en onschuld niet altijd scherp onderscheiden. Zie Von Feuerbach (1847) 1973, § 272, p. 455: “quilibet praesumitur bonus et justus, donec probetur contrarium”. Vgl. ook Mittermaier 1809, p. 32; Modderman 1867, p. 61-62.
Rechtsbeginselen zijn doorgaans historisch gegroeide waarden waarover gedurende een langere periode het breed gedragen idee bestaat dat zij relevant, waardevol en wenselijk zijn voor de juridische inrichting van een samenleving.1 Hierna zal blijken dat deze parafrase van hetgeen Dworkin over beginselen heeft opgemerkt ook voor de onschuldpresumptie opgaat. Dat verbaast niet, want hoe anders laat zich verklaren dat een op het eerste gezicht zo curieus uitgangspunt als een vermoeden dat een verdachte onschuldig is aan het feit waarvan hij wordt verdacht, zo algemeen wordt onderschreven?
In dit boek nemen de precieze inhoud en werking van de onschuldpresumptie een centrale plaats in. Voor een dieper begrip en om misverstanden die dit beginsel omgeven te kunnen wegnemen, is van belang waar de onschuldpresumptie vandaan komt en wat zij oorspronkelijk heeft betekend. Blijken zal namelijk dat de sedimentatie ervan in het huidige recht varieert van rechtsorde tot rechtsorde. Dat laat zich in belangrijke mate historisch verklaren. Om deze rechtsculturele verschillen in het vervolg van dit boek te duiden en daarvan te abstraheren, staat in dit hoofdstuk de volgende vraag centraal: Wat zijn de oorspronkelijke betekenissen en functies van de onschuldpresumptie en hoe ziet de historische ontwikkeling daarvan eruit? Hierover is in Nederland nog veel onbekend.2 Een uitputtende beschrijving van de historische ontwikkeling van de onschuldpresumptie is echter niet beoogd.3 Wel zullen aan de hand van primaire en secundaire literatuur de belangrijkste referentiepunten de revue passeren die voor de tegenwoordige betekenis en invloed van het principe bepalend zijn.4
Het gaat mij hierna niet primair erom hoe in het huidige recht aan de onschuldpresumptie gerelateerde rechtsnormen tot stand zijn gekomen, maar hoofdzakelijk erom hoe het gebruik van een op het onschuldvermoeden gelijkend adagium is ontstaan en zich heeft ontwikkeld. De alternatieve benadering, een vertrek vanuit een meer gestolde inhoudelijke betekenis van het beginsel, vormt ten eerste een wankele basis voor onderzoek en is gelet op het doel van dit hoofdstuk bovendien vruchteloos. De inhoud en uitwerking van het onschuldvermoeden in een concreet rechtsstelsel zijn een onvaste basis voor algemene, rechtscultuur overstijgende begripsvorming, vanwege de reeds genoemde diffuse en variërende inhoud van het beginsel. Daarnaast, en dat is belangrijker, laat de oorspronkelijke betekenis van de onschuldpresumptie zich niet achterhalen door een hedendaagse interpretatie daarvan tot uitgangspunt te nemen.5
Een voorbeeld ter illustratie. Tegenwoordig brengt men het vermoeden van onschuld onder andere in verband met normen als ‘een verdachte niet als dader behandelen’, ‘bij twijfel vrijspreken’ en ‘de bewijslast bij de aanklager leggen’. A priori gelijkstelling van de onschuldpresumptie aan bijvoorbeeld laatstgenoemde norm, kan doen concluderen dat zij voortkomt uit de wetboeken van de Babylonische koning Hammurabi (ca. 1795-1750 v. Chr.). Zijn Codex bevatte namelijk een bepaling die luidde: “If any one bring an accusation of any crime before the elders, and does not prove what he has charged, he shall, if it be a capital offense charged, be put to death.”6 De vervolgvraag die ik wens te beantwoorden, namelijk wat van deze ‘onschuldpresumptie’ de betekenis was en hoe deze zich verder heeft ontwikkeld, is dan al op voorhand beantwoord. De regel dat de bewijslast bij de aanklager ligt, is immers als startpunt van het onderzoek ook noodzakelijk het eindpunt.7
Beoordeling van het strafprocesrecht van voorheen langs door de onschuldpresumptie ingegeven maatstaven blijft derhalve achterwege. Dat kan ook niet anders. Deze studie zoekt en ontrafelt immers nu juist die maatstaven. De huidige formulering van het beginsel en het bijbehorende adagium bieden als vertrekpunt meer houvast. Evengoed als de betekenis ervan kan ook de gebruikte terminologie zich evenwel ontwikkelen.8 Daarom zal ik niet star aanhaken bij de hedendaagse formulering, die trouwens varieert. In plaats daarvan wordt nagegaan of in historische rechtsstelsels en rechtsgeleerdheid bekendheid bestond met een devies, vrijelijk inhoudende dat iemand/eenieder/een verdachte wordt vermoed/gehouden/geacht onschuldig/ goed/rechtvaardig te zijn, totdat/tenzij het tegendeel/zijn schuld is bewezen/ gebleken/vastgesteld. De betekenis van dat devies in die rechtsstelsels komt uiteraard ter sprake.