Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.2.5
4.4.2.5 Gevolgen van onderscheid tussen beleidsruimte en interpretatieruimte
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575956:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Burgerlijke Rechtsvordering (Korthals Altes), art. 79 RO, aant. 6 (sub d); Asser 2003, p. 51
Zo is het bijv. aan het inzicht van de feitenrechter overgelaten of hij wil overgaan tot het benoemen van een deskundige (zie voor een voorbeeld van deze vaste jurisprudentie HR 6 december 2002 (Goedèl/Arts q.q.), NJ 2003,63), en is het aan het beleid van de appèlrechter overgelaten of hij, na vernietiging van een tussenvonnis, de zaak al dan niet terug zal wijzen (zie HR 24 september 1993 (Van de Rakt/Veltman q.q.), NJ 1994, 299 m.nt. HER).
Vgl. Burgerlijke Rechtsvordering (Korthals Altes), art. 79 RO, aant. 6 (sub d); Asser 2003, p. 51.
Een uitzondering hierop vormt de toepassing van vage normen; zie daarover verderop in deze paragraaf, alsmede § 6.3.2.3.
Zie Burgerlijke Rechtsvordering (Korthals Altes), art. 79 RO, aant. 6. Zie hierover ook § 6.3.2.3.
Zie hierover § 6.3.3 en § 6.3.4.
HR 7 september 2001, Nj 2001, 562 m.nt. PvS.
Zie hierover Asser, Groen & Vranken 2003, p. 258, noot 578.
HR 14 mei 2004, RvdW 2004, 75.
Ik ga hier ervan uit dat deze praktijk ook op enigerlei wijze schriftelijk is neergelegd en aldus als een rechtersregeling kan worden beschouwd (vgl. de begripsomschrijving in § 1.3).
Zie hierover § 4.3.2.
Vgl. Veeegens/Korthals Altes & Groen 1989, nrs. 98-99; Korthals Altes 1981, p. 61.
Vgl. Burgerlijke Rechtsvordering (Korthals Altes), art. 79 RO, aant. 6; Wiarda/Koopmans 1999, p. 32-33; Wiarda 1978, p. 74-82. Zie over het onderscheid tussen gemengde, feitelijke en rechtsbeslissingen ook § 6.3.2.3.
Vgl. Veegens/Korthals Altes & Groen 1989, nrs. 98-101; Asser 2003, p. 467.
De relevantie van het hier gemaakte onderscheid tussen (aspecten van) beleidsruimte en (aspecten van) interpretatieruimte van de rechter, blijkt vooral bij de toetsing in cassatie. Wanneer de lagere rechter beschikt over beleidsruimte, zoals onder meer bij de toepassing van een 'discretionaire' bevoegdheid het geval kan zijn, toetst de Hoge Raad het gebruik daarvan in het algemeen slechts in (zeer) beperkte mate (men zou ook kunnen zeggen 'marginaal').1 Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de formulering dat een bepaalde keuze is 'overgelaten aan het beleid van de rechter'.2
Het voorgaande betekent overigens niet, dat dergelijke beslissingen volledig van controle door de cassatierechter zijn uitgesloten. Zoals in de vorige paragraaf naar voren kwam, is ook beleidsruimte van de rechter nooit onbegrensd.
In cassatie zal dus wél kunnen worden getoetst of de rechter de grenzen van de hem toekomende beleidsruimte (zoals gesteld door de desbetreffende regel zelf en door andere, geschreven of ongeschreven, rechtsregels) niet heeft overschreden.3 De nadere invulling binnen deze grenzen is echter voorbehouden aan de feitenrechter; in de door hem gemaakte keuzen zal de Hoge Raad verder niet treden.
Bij de invulling van interpretatieruimte door de lagere rechter ligt dit anders: in beginsel zijn zowel beslissingen waarbij een rechtsregel in algemene zin wordt geïnterpreteerd, als beslissingen waarbij een rechtsregel op de feiten wordt toegepast te beschouwen als 'rechtsbeslissingen',4 die in cassatie volledig op hun juistheid kunnen worden getoetst.5 Dit brengt mee dat de Hoge Raad op dit punt zo nodig zijn eigen rechtsopvatting voor die van de lagere rechter in de plaats kan stellen.
Het verschil tussen beleidsruimte en interpretatieruimte heeft soortgelijke consequenties wanneer, ter invulling daarvan, een rechtersregeling is vastgesteld. Vooruitlopend op hoofdstuk 6, waar de toetsing van en aan rechtersregelingen in cassatie uitgebreider aan de orde komt, kan thans reeds worden opgemerkt dat de Hoge Raad in dat geval in beginsel zowel de desbetreffende rechtersregeling zélf aan de geldende (hogere) rechtsregels, als de beslissing van de lagere rechter aan diens rechtersregeling zal kunnen toetsen.6
Wanneer een bepaalde rechtersregeling (of althans een element daarvan) betrekking heeft op de invulling van beleidsruimte, dan zal deze regeling 'als zodanig' in cassatie slechts in beperkte mate inhoudelijk kunnen worden getoetst. De Hoge Raad kan toetsen of een rechtersregeling de grenzen van de toegestane beleidsruimte niet overschrijdt. Binnen deze grenzen zal echter geen verdere inhoudelijke controle plaatsvinden: de cassatierechter zal immers niet treden in 'beleidskeuzen' die door de lagere rechter worden gemaakt.
Een voorbeeld van deze beperkte toetsing is, naar het zich laat aanzien, te vinden in de zaak Y. en R./Spliet q.q..7 De Hoge Raad oordeelde in deze beschikking, dat het in het arrondissement Zutphen ontwikkelde 'beleid' met betrekking tot het verlenen van toesterruning door de rechter-commissaris voor onderhandse verkoop van een tot de failliete boedel behorend goed, niet in strijd is met het stelsel van de Faillissementswet, noch met art. 176 Fw. De gehanteerde bewoordingen 'niet in strijd met' lijken erop te wijzen dat het desbetreffende beleid - dat ook in een rechtersregeling is neergelegd8 -in cassatie inderdaad slechts op de hier bedoelde beperkte wijze is getoetst.
Daarentegen kan een 'wetsinterpreterende' rechtersregeling door de Hoge Raad volledig op haar juistheid worden beoordeeld. Deze situatie deed zich voor in het arrest Stal/uwv inzake de uitleg van art. 52 lid 1 (oud, thans art. 233 lid 1) Rv.9 Volgens deze bepaling kan de rechter 'desgevorderd'10zijn vonnis (of een gedeelte daarvan) uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Bij de rechtbank Amsterdam bestond de praktijk,11 een verzoek of vordering tot veroordeling in de proceskosten steeds aldus uit te leggen dat daaronder tevens de uitvoerbaarverklaring bij voorraad was begrepen, ook als zulks niet met zoveel woorden was vermeld. De Hoge Raad achtte deze rechtersregeling in strijd met de wet:
"Blijkens de tekst van art. 52 lid 1 (oud) Rv kan de rechter zijn vonnis - behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen - slechts 'desgevorderd' uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat een daartoe strekkende vordering hetzij uitdrukkelijk moet worden gedaan, hetzij - naar het feitelijk oordeel van de rechter -ook voor de wederpartij voldoende duidelijk in het gevorderde moet besloten liggen.
Dit geldt ook ten aanzien van de proceskostenveroordeling, die sinds 1992 mede uitvoerbaar bij voorraad verklaard kan worden. (-) Voorzover de rechtbank heeft geoordeeld dat in het verzoek de wederpartij in de proceskosten te veroordelen of in het gebruik van de woorden 'kosten rechtens' steeds een vordering als bedoeld in art. 52 lid 1 Rv tot het uitvoerbaarverklaren bij voorraad van de proceskostenveroordeling ligt besloten, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Aldus zou immers aan het in de wet neergelegde vereiste van een tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad strekkende vordering iedere betekenis worden ontnomen."
De wijze waarop de Hoge Raad de invulling van (rechterlijke) beleidsruimte, respectievelijk interpretatieruimte toetst, vertoont aldus aanzienlijke overeenkomsten met de controle die de rechter uitoefent op de invulling van beslis-singsruirnte door het bestuur: ook daarbij bleek immers een verschil te bestaan tussen gevallen van beleidsruimte (waarbij de bestuursbeslissing slechts 'marginaal' kan worden getoetst) en kwesties van interpretatie (waarbij de rechter steeds een volledige controle mag verrichten).12
De achtergrond van dit verschil in controle is bij bestuurlijke beslissingsruimte voornamelijk gelegen in de staatsrechtelijke verhouding tussen bestuur en rechter. Deze verhouding brengt met zich dat de rechter de beleidskeuzen van het bestuur in beginsel dient te respecteren en niet 'op de stoel van het bestuur mag gaan zitten'. Bij rechterlijke beslissingsruimte heeft het verschil in toetsing tussen beleidsruimte en interpretatieruimte wellicht een wat minder sterke principiële lading. Voor een belangrijk deel hangt dit verschil immers samen met een doelmatige taakverdeling tussen de verschillende rechters in het algemeen en met de doelstellingen van de cassatierechtspraak in het bijzonder.13 Daar komt echter bij, dat de wetgever met de toekenning van beleidsruimte veelal het doel zal hebben dat deze toekomt aan de feitenrechter, bijvoorbeeld om een doelmatig procesverloop te kunnen bewerkstelligen. Dit betekent dat in dergelijke gevallen de cassatierechter ook inderdaad beperkt behoort te toetsen, op welke wijze de lagere rechter van deze ruimte gebruik maakt.
Evenals in § 4.4.2.3 moet ook hier tot slot worden opgemerkt, dat het onderscheid tussen beleids- en interpretatieruimte niet steeds zo scherp gemaakt kan worden. Een relativering is met name noodzakelijk ten aanzien van vage of open normen. De toepassing van dit soort normen door de lagere rechter resulteert, in cassatieterminologie, in veel gevallen in 'gemengde' beslissingen. De Hoge Raad toetst in dat geval slechts in beperkte mate of de lagere rechter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en acht diens beslissing voor het overige, als zijnde 'verweven met waarderingen van feitelijke aard', niet voor toetsing in cassatie vatbaar.14
De facto ontstaat hiermee een, met beleidsruimte vergelijkbare, situatie waarin de lagere rechter de keuze uit meerdere oplossingen heeft, die ieder in cassatie kunnen standhouden. Anders dan in gevallen van 'echte' beleidsruimte is de achtergrond van deze beperkte cassatiecontrole echter niet zozeer gelegen in het doel dat de wetgever voor ogen heeft wanneer hij gebruik maakt van een vage norm - de wetgever zal in dat geval de invulling daarvan juist aan 'de' rechtspraak, dus inclusief de hoogste rechter, hebben willen overlaten - maar vooral in de eigen taakopvatting van de Hoge Raad.15 Daarbij kunnen, naast de taakverdeling tussen lagere en hogere rechter, ook zaken als overbelasting en de vrees voor een te grote toestroom van zaken een rol spelen.