Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.2.4:4.4.2.4 Grenzen van beleidsruimte
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.2.4
4.4.2.4 Grenzen van beleidsruimte
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS578289:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.4.2.2.
Zie bijv. HR 15 december 2000 (Intramco/Grotenhuis), NJ 2001,251 m.nt. PAS; zie hierover echter ook § 4.4.4.3.
Aldus HR 10 september 1993 (Moolenbeek/Alcatel), NJ 1993, 777 m.nt. PAS.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen is aan de orde gekomen, dat de rechter in gevallen van beleidsruimte steeds de keuze heeft uit meerdere rechtens juiste mogelijkheden. Het is echter van belang op te merken, dat deze beleidsruimte nooit onbeperkt zal zijn. In de eerste plaats bevat de wet zélf veelal een of meer voorwaarden voor de toepassing van een bepaalde bevoegdheid of regel. De rechter kan bijvoorbeeld pas van zijn bevoegdheid tot matiging ex art. 6:109 BW gebruik maken, wanneer in de gegeven omstandigheden toekenning van volledige schadevergoeding tot 'kennelijk onaanvaardbare gevolgen' zou leiden. Het verdient hierbij overigens opmerking, dat de uitleg van dergelijke voorwaarden uiteindelijk geschiedt door de (hoogste) rechter. Afhankelijk van deze uitleg kunnen de door de wetgever gestelde grenzen in bepaalde opzichten verschuiven of zelfs (in geval van rechtsvinding 'contra legem') geheel verdwijnen.
Ook afgezien van de hiervóór bedoelde situatie kunnen in de jurisprudentie nadere grenzen aan de invulling van beleidsruimte worden gesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een reeks factoren of gezichtspunten die de rechter mee moet wegen bij de vaststelling van een bepaalde vergoeding. Zoals al eerder bleek, heeft de Hoge Raad in een tweetal arresten een aantal factoren aangegeven, waar de rechter bij de begroting van smartengeld rekening mee dient te houden.1 Ten aanzien van de vergoeding die de rechter op basis van art. 7:685 lid 8 BW bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst kan toekennen dient hij, blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad, zelfs alle voor zijn billijkheidsoordeel relevante factoren mee te wegen.2 De vraag welk gewicht vervolgens aan deze factoren moet worden toegekend, zal veelal overigens weer een kwestie van (aan de lagere rechter voorbehouden) beleidsruimte zijn.
Ten slotte kunnen ook andere (geschreven of ongeschreven) rechtsregels de beleidsruimte van de rechter begrenzen. Een voorbeeld hiervan kwam in § 4.4.2.2 al ter sprake: hoewel het in beginsel aan het beleid van de rechter is overgelaten of hij op de voet van art. 279 Rv belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure zal doen oproepen, dient hij daarbij steeds de 'eisen van een behoorlijke rechtspleging' in acht te nemen.3 Andere begrenzingen kunnen bijvoorbeeld voortvloeien uit de Grondwet, ieder verbindende verdragsbepalingen (waarvan in dit verband met name aan art. 6 EVRM gedacht kan worden) of EG-recht.