Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.2.3
4.4.2.3 Onderscheid tussen beleidsruimte en interpretatieruimte
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581903:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in dezelfde zin Van der Meulen 1997, p. 294; Hijma 1989, p. 3A. Zie over de beleidsruimte van bestuursorganen ook § 4.3.2.
Ook andere onderverdelingen zijn uiteraard mogelijk, zoals bijvoorbeeld naar herkomst van de regeling (zie § 2.10).
Zie § 4.3.2.
Strikt genomen zou een rechtersregeling uiteraard ook betrekking kunnen hebben op de interpretatie van andere (ongeschreven) rechtsregels; gezien het feit dat rechtersregelingen in de praktijk slechts op wettelijke regels betrekking hebben (vgl. eerder § 1.2), houd ik het in het navolgende op de aanduiding 'wetsinterpreterende rechtersregeling'.
Vgl. hetgeen in § 4.3.2 is opgemerkt.
HR 16 november 2001, N] 2002, 401 m.nt. HJS, besproken in § 4.4.2.2.
Zie Pari. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 149.
Zie Pari. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 150.
Uit het voorgaande volgt, dat de initiële driedeling die in § 2.10 ten aanzien van rechterlijke beslissmgsruimte werd aangebracht, teruggebracht kan worden tot een tweedeling. Beslissmgsruimte kan in twee hoofdvormen onderverdeeld worden. Enerzijds bestaan er gevallen waarin de rechter (overigens steeds slechts binnen zekere grenzen; zie daarover hierna § 4.4.2.4) de keuze heeft uit meerdere alternatieven, die elk als rechtens juist kunnen worden beschouwd. Dit doet zich met name, maar niet uitsluitend, voor bij de toepassing van 'discretionaire' of kan-bevoegdheden en bij de vaststelling van de hoogte van vergoedingen. In navolging van de bij bestuursbeslissingen gebruikelijke terminologie, zal ik deze ruimte in het vervolg van dit onderzoek aanduiden met de term beleidsruimte.1
Anderzijds bestaan er gevallen waarin (uiteindelijk) slechts één oplossing als rechtens juist aanvaard kan worden, maar waarbij redelijkerwijs verschil van opvatting mogelijk is over de vraag, wélke oplossing de rechtens juiste is. Dit doet zich voor bij de interpretatie van (meestal: wettelijke) normen en begrippen, zodat hier het best gesproken kan worden van interpretatieruimte. Het kan hierbij overigens zowel gaan om interpretatie van een term in algemene zin, als om de beantwoording van de (kwalificatie)vraag of de feiten van het concrete geval onder de desbetreffende, algemene, regel te brengen zijn.
Daarmee kan ook de voorlopige onderverdeling van rechtersregelingen, zoals deze in § 2.10 was gemaakt, worden aangepast. Onderverdeling van rechtersregelingen naar onderwerp2 resulteert in een onderscheid tussen regelingen met betrekking tot beleidsruimte enerzijds (naar analogie met een bij beleidsregels wel gehanteerde term zou men hier ook kunnen spreken van 'beleidsmatige' rechtersregelingen3) en regelingen ten aanzien van interpretatieruimte anderzijds ('wetsinterpreterende'4 rechtersregelingen).
Het verdient op deze plaats opmerking, dat het onderscheid tussen beleidsruimte en interpretarieruimte uiteraard niet in alle gevallen even duidelijk zal zijn. Evenals bij bestuurlijke beslissingsruimte het geval bleek, zal het antwoord op de vraag óf een bepaalde regel de rechter beleidsruimte, dan wel (slechts) interpretatieruimte biedt, met name afhangen van bewoordingen, doel en strekking van de desbetreffende regel.5 Het gaat hier dus om een vraag van uitleg, waarop uiteindelijk de (hoogste) rechter zélf het antwoord zal moeten geven. Dat ook dit antwoord van de hoogste rechter soms weer uitleg behoeft, blijkt overigens uit het eerder besproken arrest Ajax/Valk.6 Uit de door de Hoge Raad in dit arrest gebezigde formulering (het stellen van de eis dat bij inschrijving van de zaak een originele dagvaarding en herstelexploot worden overgelegd, 'strookt met de eisen van een behoorlijke rechtspleging') is niet met zekerheid af te leiden of de rechter hier naar het oordeel van de Hoge Raad daadwerkelijk over beleidsruimte beschikt, anders gezegd: of hij genoemde eis wel mag, maar niet behoeft te stellen.
Het begrip beleidsruimte is verder in die zin 'dynamisch' van aard, dat de vraag in hoeverre een bepaalde regel de rechter beleidsruimte laat, in de loop der tijd in verschillende zin beantwoord kan worden. De hoogste rechter kan immers, door de uitleg die hij aan de desbetreffende wetsbepaling geeft, de beleidsruimte van de (lagere) rechter beperken of juist uitbreiden. Met name bij nieuwe wetgeving is deze situatie goed denkbaar. Zo bepaalt het sinds 1 januari 2002 geldende art. 21 Rv, dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan 'kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht'. Op het eerste gezicht lijkt deze bepaling de rechter een niet onaanzienlijke mate van beleidsruimte te bieden ten aanzien van de gevolgtrekkingen die hij aan nalatigheid van partijen kan verbinden. Uit de parlementaire geschiedenis valt af te leiden, dat de rechter hier meerdere mogelijkheden heeft: hij zal bijvoorbeeld de bewijslast van de nalatige partij kunnen verzwaren of die partij bij de beslissing over de proceskosten de rekening voor haar gedrag kunnen presenteren door deze kosten als 'nodeloos veroorzaakt' (art. 237 lid 1, laatste zin Rv) voor haar rekening te laten.7
Voorts kan de rechter, wanneer hem de onjuistheid of onvolledigheid van stellingen van een partij is gebleken, ook haar overige stellingen in twijfel trekken, bijvoorbeeld bij de waardering van haar verklaringen als partij-getuige.8 Geenszins uitgesloten is echter dat deze aanvankelijke beleidsruimte door de jurisprudentie gaandeweg wordt ingeperkt, bijvoorbeeld doordat als (nadere) eis wordt gesteld dat de door de rechter te maken gevolgtrekking niet onevenredig zwaar mag zijn in verhouding tot de ernst van het verzuim.
Een laatste complicatie is dat een en dezelfde wettelijke bepaling de rechter soms zowel beleidsruimte als interpretatieruimte biedt. De wet stelt, zoals eerder al opgemerkt, immers doorgaans voorwaarden voor de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid; ten aanzien van de vraag óf in casu aan deze voorwaarden is voldaan, kan interpretatieruimte aanwezig zijn, terwijl bij uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid vervolgens beleidsruimte bestaat. Mutatis mutandis geldt hetzelfde bij de onderverdeling van rechtersregelingen: ook deze kunnen uiteraard betrekking hebben op beide aspecten van een en dezelfde (wettelijke) regel.
Al met al is het onderscheid tussen beleidsruimte en interpretatieruimte van de rechter niet exact af te bakenen, en gaat het eerder om een glijdende schaal, waarop de 'typische' gevallen van beide vormen de uiterste markeringspunten vormen. Niettemin acht ik het zinvol om, waar dat wél mogelijk is, te onderscheiden tussen (aspecten van) beleidsruimte en (aspecten van) interpretatieruimte. De relevantie van dit onderscheid wordt in § 4.4.2.5 uitgebreider besproken.