Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.2.6
7.2.6 Nalatigheid van de autoriteiten
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De titel van Vellinga’s proefschrift over afwezigheid van alle schuld luidt: ‘Schuld in spiegelbeeld’ (Vellinga 1982).
EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 55.
EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 60. In EHRM 28 september 2010, appl.no. 40156/07 (A.S./Finland) had het EHRM al een indicatie gegeven in deze richting: ‘In acknowledging the need to strike a balance between the rights of the defendant and those of the alleged child victim, the Court finds that the following minimum guarantees must be in place: the suspected person shall be informed of the hearing of the child, he or she shall be given an opportunity to observe that hearing, either as it is being conducted or later from an audiovisual recording, and to have questions put to the child, either directly or indirectly, in the course of the first hearing or on a later occasion.’ Het EHRM had echter nooit eerder expliciet gesteld dat de verdediging had moeten worden uitgenodigd voor het getuigenverhoor bij de politie.
EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 59. In EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland), § 71 en EHRM 12 juli 2007, appl.no. 503/05 (Kovač/Kroatië), § 30 lijkt het EHRM – in veel mildere bewoordingen – hetzelfde verwijt te hebben willen maken. Vgl. O’Brian 2005, p. 502-503.
In dat geval zou compensatie niet noodzakelijk zijn geweest.
De getuige was desondanks wél ter zitting is verschenen, maar de rechter had op verzoek van de officier van justitie geoordeeld dat hij de zittingszaal mocht verlaten zonder te zijn ondervraagd.
Vgl. EHRM 18 juli 2013, appl.no. 59632/09 (Vronchenko/Estland), § 61: ‘although the investigating authorities were already at an early stage of the investigation prepared for E. not to be examined at a court hearing, no steps were taken to give the defence an opportunity to have questions put to E. at that stage.’ In deze zaak had een psychiater al ten tijde van de politieverhoren een rapport uitgebracht waarin hij als oordeel gaf dat een verhoor ter zitting schadelijk zou zijn voor het slachtoffer. In EHRM 17 april 2014, appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 75 overwoog het EHRM dat juist niet voorzienbaar was dat de getuigen in een later stadium van de procedure niet meer door de verdediging zouden kunnen worden ondervraagd. Zie ook, in het kader van de beoordeling of een goede reden bestond voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid, EHRM 7 augustus 1996, appl.no. 19874/92 (Ferrantelli & Santangelo/Italië), § 52. In deze zaak kon niet worden voorzien dat de getuige zou komen te overlijden.
EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 59-60. Zie over dit laatste punt ook EHRM 7 juli 2009, appl.no. 30542/04 (D./Finland), waarin een ondervraging in de fase van het onderzoek ter terechtzitting door zowel de procespartijen als de appèlrechter niet meer nuttig werd geacht vanaf het moment waarop het slachtoffer therapie onderging.
EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 62.
EHRM 19 juni 2007, appl.no. 21508/02 (W.S./Polen), § 61: ‘the Court observes that it has not been shown or argued that the authorities envisaged or made attempts, either at the investigation stage, or later, before the court, to test the reliability of the victim in a less invasive manner than direct questioning. This could have been done, for example, by more sophisticated methods, such as having the child interviewed in the presence of a psychologist and, possibly, also her mother, with questions put in writing by the defence, or in a studio enabling the applicant or his lawyer to be present indirectly at such an interview, via a video-link or one-way mirror (...).’ Ten tijde van het wijzen van het arrest W.S. was de strikte sole or decisive rule van toepassing (zie § 2.2.2). Desondanks lijkt het EHRM de geciteerde overweging in het kader van compensatie te hebben opgenomen. In § 63 overwoog het namelijk dat de beperkingen van de verdediging niet waren gecompenseerd.
EHRM 19 juli 2012, appl.no. 26171/07 (Hümmer/Duitsland), § 48.
Zie § 2.4 sub a. Wanneer het EHRM in deze zaak ook een ondervraging tijdens het voorbereidend onderzoek voldoende zou hebben geacht, is de redenering niet goed te volgen. Bijstand door een raadsman zou in dat geval geen compensatie hebben opgeleverd. Wanneer de raadsman het getuigenverhoor zou hebben bijgewoond, zou een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid hebben bestaan en zou de vaststelling van compensatie niet meer relevant zijn geweest.
EHRM 14 november 2013, appl.no. 47152/06 (Blokhin/Rusland), § 173; EHRM 25 april 2013, appl.no. 27100/03 (Ivanov/Rusland), § 49; EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland), § 71.
EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 45;EHRM 18 juli 2013, appl.no. 59632/09 (Vronchenko/Estland), § 48.
EHRM 9 juli 2013, appl.no. 29752/05 (Bobes¸/Roemenië), § 46; EHRM 11 december 2012, appl.no. 3653/05 e.a. (Asadbeyli e.a./Azerbeidzjan), § 134; EHRM 22 november 2012, appl.no. 46203/08 (Tseber/Tsjechië), § 67.
EHRM 16 februari 2010, appl.no. 7078/02 (V.D./Roemenië), § 111-116.
Algemeen
Het ehrm verwijt de autoriteiten in het kader van de vraag of voldoende is gecompenseerd soms dat zij onvoldoende actief zijn geweest in het treffen van maatregelen die compenserend hadden kunnen werken. Vaak is dan, om met Vellinga te spreken, sprake van ‘compensatie in spiegelbeeld’: een bepaalde maatregel die compenserend had kunnen werken, is niet getroffen.1 Dit aspect staat los van de vraag of de autoriteiten een verwijt kan worden gemaakt van het niet effectief hebben kunnen ondervragen van de getuige door de verdediging. Dat is een vraag die relevant is voor de beoordeling of een goede reden bestaat voor het hebben ontbroken van een ondervragingsgelegenheid. Het gaat hier om de situatie waarin die goede reden wel mag worden aangenomen, maar voldoende compensatie moet worden geboden, omdat de getuigenverklaring van beslissende betekenis is.
In alle zaken waarin het ehrm nalatigheid van de autoriteiten heeft betrokken in zijn motivering, bestonden onvoldoende compenserende factoren. Het is in die situatie de vraag wat de toegevoegde waarde is van een overweging met betrekking tot de activiteit van de autoriteiten. Het ehrm zou immers ook eenvoudigweg kunnen vaststellen dat onvoldoende compensatie is geboden. Mogelijk kiest het ehrm ervoor om te noemen wat de overheid heeft nagelaten om een completer beeld te creëren van de al dan niet getroffen maatregelen of om te reageren op standpunten van de regering van de aangeklaagde verdragsstaat of de klager.
Geen ondervragingsgelegenheid geboden tijdens voorbereidend onderzoek
In de zaak Rosin onderzocht het ehrm of een goede reden bestond voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid ter zitting.2 Het ehrm meende kennelijk dat een behoorlijke en effectieve ondervraging in die zaak een ondervraging ter zitting zou zijn geweest. Omdat de getuigenverklaring van beslissende betekenis was, onderzocht het ehrm of voldoende compensatie was geboden. Het stelde vast dat weliswaar bepaalde compenserende factoren konden worden gevonden, maar benadrukte keer op keer dat onder de omstandigheden van de zaak een ondervraging door de verdediging van cruciale betekenis was. Daartoe had een gelegenheid kunnen worden geboden tijdens het voorbereidend onderzoek. Ten tijde van het verhoor van de getuige door de politie was de verdachte namelijk al in beeld. Hij had dan ook kunnen worden uitgenodigd om dat verhoor bij te wonen. Dat is echter niet gebeurd. Het ehrm liet zich daarover heel stellig uit: ‘it would have been essential to give the defence an opportunity to have questions put to the victim during the preliminary investigation.’3 Dat dit niet was gebeurd, merkte het ehrm aan als een verzuim van de politie.4 De verdediging had niet verzocht om aanwezig te mogen zijn bij het verhoor bij de politie. De politie had kennelijk uit eigen beweging de verdediging moeten uitnodigen. In dat stadium van de procedure was het belang van de getuigenverklaring echter nog niet bekend. Het was immers mogelijk geweest dat voldoende steun voor de getuigenverklaring zou worden gevonden in de verklaringen van andere getuigen en van de verdachte zelf.5 Toch bestond in deze zaak een bijzondere aanleiding om de verdediging uit te nodigen. Ten eerste had de politie tegen de getuige gezegd dat deze na het politieverhoor niet meer zou worden gehoord.6 De politie kon dus voorzien dat de verdediging op een later moment geen ondervragingsgelegenheid meer zou krijgen.7 Ten tweede hadden deskundigen verklaard dat jonge kinderen na verloop van tijd niet goed meer in staat zijn de werkelijke waargenomen feiten te onderscheiden van feiten die anderen hen hebben verteld.8
Een ondervraging door de verdediging kan onder omstandigheden weliswaar te belastend zijn voor het slachtoffer, maar het ehrm merkte op dat het de verdediging laten stellen van vragen bij het politieverhoor slechts beperkte impact zou hebben gehad op het slachtoffer, aangezien de politie het slachtoffer zelf ook vragen had gesteld. Voor zover de autoriteiten een rechtstreekse ondervraging schadelijk hebben geacht voor het welzijn van de getuige, hadden zij moeten onderzoeken of een verhoor van de getuige op een andere wijze mogelijk was geweest. Het ehrm opperde de mogelijkheid om vragen te laten stellen door alleen de raadsman van de verdachte, een opsporingsambtenaar of een psycholoog. Daar voegde het wel aan toe dat dit zou moeten gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de opsporende autoriteiten en op een manier die niet fundamenteel mag afwijken van een normaal getuigenverhoor bij de politie.9 In de zaak W.S. noemde het ehrm soortgelijke overwegingen.10 Het gaat hier om verhooralternatieven die niet door de verdediging waren voorgesteld, maar die de rechter, het openbaar ministerie of de politie uit eigen beweging in aanmerking hadden moeten nemen.
Geen raadsman toegevoegd
In de zaak Hümmer was de verdachte niet uitgenodigd voor een getuigenverhoor. In strijd met het nationale recht had hij geen raadsman toegevoegd gekregen die hem had kunnen vertegenwoordigen tijdens het verhoor.11 Het ehrm overwoog dit expliciet (‘in this context’) in het kader van compensatie. De redenering kan zijn geweest dat alleen een verhoor ter zitting een behoorlijke en effectieve ondervraging had kunnen zijn en het bijwonen door de verdediging van een ondervraging tijdens het voorbereidend onderzoek een compenserende factor had kunnen opleveren.12
Geen video-opname gemaakt
In verschillende arresten heeft het ehrm overwogen dat de verdediging en rechter het gedrag van de getuige tijdens het afleggen van zijn verklaring niet hebben kunnen waarnemen, omdat de verklaring niet op video was opgenomen.13 Zou een verklaring wel op video zijn opgenomen en ter zitting zijn afgespeeld, dan had dit een belangrijke compenserende factor kunnen opleveren.
Geen verhoor via videoverbinding overwogen
Wanneer de getuige niet ter zitting kan worden gehoord, is het misschien welmogelijk om de getuige via een videoverbinding live ter zitting te ondervragen. Het ehrm heeft er een aantal malen op gewezen dat de rechter een op die manier uitgevoerd verhoor had kunnen overwegen.14
Geen zorgvuldige beoordeling van de getuigenverklaringen
Zoals de zorgvuldige beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring een compenserende factor kan zijn, kan het ontbreken van voldoende zorgvuldigheid daarbij bijdragen aan de vaststelling dat onvoldoende is gecompenseerd.15
Door de verdediging voorgestelde maatregelen niet getroffen
In de zaak V.D. had de verdediging herhaaldelijk verzocht om een dna-onderzoek te laten uitvoeren, teneinde aan te tonen dat de verdachte niet de persoon was die het slachtoffer had verkracht. Deze verzoeken waren door de rechter afgewezen, overigens zonder dat deze afwijzingen voldoende waren gemotiveerd. Het ehrm stelde verder vast dat de opsporende autoriteiten hadden nagelaten om aanwijzingen te geven met betrekking tot de wijze waarop het onderzoek in de woning van het slachtoffer had moeten worden uitgevoerd. Een beter uitgevoerd onderzoek had steunbewijs kunnen opleveren voor de verklaring van het slachtoffer. Deze twee omstandigheden betrok het ehrm bij de vaststelling dat het ondervragingsrecht was geschonden.16 De redenering lijkt te zijn geweest dat de autoriteiten hebben nagelaten onderzoek uit te voeren dat al dan niet steunbewijs voor de verklaring van de getuige had kunnen opleveren. Het arrest in de zaak V.D. dateert van 2010. De genoemde overwegingen passen echter bij de wijze van beslissen sinds het arrest Al-Khawaja & Tahery.