Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.9
II.9 Internationale erkenning en positiefrechtelijke stilte (1789-1945)
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600891:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Badinter 2001, p. 141.
Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel IX, p. 217. De onschuldpresumptie wordt aangemerkt als van alle presumpties “[...] la plus forte, et la plus sacrée, celle qui doit être la plus religieusement consultée [...]. Vous determinez [...] à quelle majorité proportionelle de suffrages doit céder cette présomption, sur laquelle toute justice se repose.”
Schubart 1978, p. 1; Tophinke 2000, p. 39-40.
Zie voor kritiek op de Franse rechtspraak van destijds de verwijzingen bij Quintard-Morénas 2010, p. 134-135.
Chassaing 2000, p. 234-235 en 238; Badinter 2001, p. 142-143; Henrion 2005b, p. 1032.
Zie bijvoorbeeld Mittermaier 1809, p. 31 e.v.; Von Feuerbach (1847) 1973, § 272, p. 455 en voor meer verwijzingen Köster 1979; Stuckenberg 1998.
Stuckenberg 1998, p. 37-38. Zie enigszins anders Köster 1979, p. 94-114.
Mittermaier 1809, p. 32-34.
In Zwitserland is de onschuldpresumptie als bejegeningsrecht in sommige kantons in die periode wel gecodificeerd, zie daarover Tophinke 2000, p. 40 e.v.
Zie Stuckenberg 1998, p. 39.
Bij de beraadslagingen over een nieuw Wetboek van Strafvordering in 1830 bracht dhr. Le Hon het vermoeden van onschuld te berde. Daarop reageerde Kamerlid Donker Curtius van Tienhoven: “Je n'admets pas l'idée de regarder le prévenu ou comme innocent, ou comme coupable. S'il doit être considéré comme innocent, pourquoi le poursuit-on?” De reactie van dhr. Frets is nog veelzeggender. Hij merkte op dat men zich in dezen alleen op de beginselen van de Nederlandse Grondwet moet gronden, maar geenszins op die van vreemde staatsregelingen, en vooral niet op een als de Franse van 1791. Hij is van oordeel “dat de beklaagden steeds het vermoeden tegen zich hebben [...].” Handelingen II 1829/30, p. 360-361. Wanneer Van Heijnsbergen (1925, p. 137-138) Beccaria’s pleidooi tegen de pijnbank bespreekt, herkent hij in diens verwoording van de onschuldpresumptie geen strafrechtelijk principe of adagium. Hij acht de door Beccaria gekozen bewoordingen dan ook ongelukkig.
De Bosch Kemper (1838-1840, eerste deel, p. V-VI) rekende de onschuldpresumptie tot één van de hoofdbeginselen van het strafproces: “[...] en dat eindelijk niemand voor misdadig worde gehouden, zoolang zijne schuld niet volledig is bewezen”. Vgl. voorts bijv. de publicist Lindo ((1852) 1882, p. 105), alias ‘den oude heer Smits’: “Is het niet een axioma in de jurisprudentie, dat een mensch voor onschuldig gehouden wordt, totdat hij door een rechterlijk vonnis voor schuldig verklaard is?” Zie ook Domela Nieuwenhuis 1877, p. 282, die gewag maakt van de “[...] rechtsregel dat ieder geacht wordt onschuldig te zijn, totdat hij door een rechterlijk vonnis is schuldig verklaard”.
Uit Beijerse 1998, p. 9-20. Terecht wijst zij op De Pinto 1852; Domela Nieuwenhuis 1877; Mom Visch 1870, p. 8 en 15 en minister Modderman in: Kamerstukken II 1883/84, 114, nr. 3, p. 22-23.
Bijv. De Pinto 1852; Domela Nieuwenhuis 1977, p. 282.
Lipman 1842, p. 202: “Het ware [...] te wenschen [...] om aan deze gevangenen, die toch welligt onschuldig zijn en regtens daarvoor worden gehouden, hunnen toestand meer dragelijk te maken.”
Bijv. De Pinto 1852; Mom Visch 1870, p. 8; Caudri 1898, p. 7; Handelingen II 1892/93, p. 493.
Handelingen II 1826/27, p. 382.
Zie nader met verwijzingen § VII.5.1.
Een zoektocht onder de termen ‘presumptie’, ‘vermoeden’ en ‘onschuld’ in het Weekblad van het recht tussen 1839 en 1900 leverde geen rechtspraak op.
Vgl. Stuckenberg 1998, p. 44. In die tijd wordt ook de Trajanusregel bestreden, zie daarover Venema 2007, p. 122-123.
Zie hiervoor voetnoot 159.
Kort na de aanvaarding van de DDHC, vormde de Franse Assemblée Nationale een comité ter hervorming van de strafrechtspraak. Welk aandeel van de hervormingen is toe te schrijven aan de betekenis die men toekende aan de onschuldpresumptie, is onmogelijk vast te stellen. Zeker is wel dat de positie van de verdachte aanzienlijk verbeterde, zowel in het vooronderzoek (tortuur werd afgeschaft, vanaf het eerste verhoor had de beschuldigde recht op rechtsbijstand) als ter terechtzitting (afschaffing van het verhoor op de sellette). Ook de mogelijkheden tot rehabilitatie van voormalig verdachten werden gecodificeerd.1 De oorspronkelijke betekenis van de onschuldpresumptie voor het bewijs bleek daarbij niet vergeten, want bij de herstructurering van het bewijsrecht werd de onschuldpresumptie als het sterkste en heiligste rechtsvermoeden gepresenteerd.2
Al snel verdween de onschuldpresumptie echter van het toneel. Artikel 9 van de DDHC werd nog wel overgenomen in artikel 13 van de Franse Constitutie van 1793, maar in 1795 verdween de bijzin “étant présumé innocent jusqu’à ce qu’il ait été déclaré coupable” al uit de Grondwet en bleef slechts de gebiedende hoofdzin over.3 De Franse rechtspraktijk nam, vooral in zaken tegen anti-revolutionairen, het verschil tussen verdachten en veroordeelden intussen niet altijd even nauwkeurig in acht.4 Onder Napoleontisch bewind maakte het positief-wettelijk bewijsstelsel definitief plaats voor de vrije bewijswaardering door de jury, die beslist op basis van de conviction intime. Bewijsregels hebben daarin een minimale rol. In het vooronderzoek kreeg het principiële standpunt uit artikel 9 DDHC nauwelijks gevolg. Het gebruik van voorlopige hechtenis nam eerder toe dan af. De onschuldpresumptie als een recht van de verdachte op een beschermde status en als grens aan de hardvochtigheid van bejegening door overheidsinstanties, verdween al gauw uit het positieve recht om pas na de Tweede Wereldoorlog daarin terug te keren.5
De onschuldpresumptie zoals deze zich in de Verlichting ontwikkelde, is in de Duitse doctrine aanvankelijk overgenomen. 6Toonaangevend in de negentiende-eeuwse dogmatiek was het beginsel niet, althans niet expliciet.7 Wel is in het werk van Mittermaier de tweeledige betekenis van het principe te herkennen, als bewijsprincipe en als bejegeningsrecht. Het vermoeden van “rechtlichkeit” betekent volgens Mittermaier dat zowel tijdens het vooronderzoek, als bij de berechting de verdachte met behoedzaamheid dient te worden behandeld. Deze behandeling duurt voort tot “mit voller Evidenz bewiesen ist” dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan. Hij noemt twee belangen die dit vermoeden behartigt, welke elkaar gedeeltelijk overlappen. De onschuldpresumptie beoogt willekeur te voorkomen, en daarnaast staat deze in de weg aan leed voor degene die ten onrechte wordt aangeklaagd.8 In het Duitse positieve recht komt men het beginsel evenwel niet tegen.9 Richting het einde van de negentiende eeuw raakte de onschuldpresumptie ook in wetenschappelijke kring wat in vergetelheid. In de literatuur uit die tijd wordt eraan nauwelijks gerefereerd.10
De invloed van het Franse strafprocesrecht op het Nederlandse is groot geweest. Deze invloed was echter grotendeels het gevolg van de Napoleontische overheersing en juist Napoleon heeft van affiniteit met de onschuldpresumptie nooit blijk gegeven. Het verbaast dan ook niet dat noch het Crimineel Wetboek van 1809, noch de hier geldende Code d’instruction criminelle de onschuldpresumptie codificeerde. Het eerste nationale Wetboek van Strafvordering van 1838 bevatte de onschuldpresumptie evenmin.
Nochtans was de onschuldpresumptie het vooroorlogse Nederland niet onbekend. Het recht voor onschuldig te worden gehouden is sporadisch te vinden in parlementaire debatten, wetenschappelijke geschriften en publicaties gericht tot een breder publiek. Daarbij valt op dat het beginsel nu eens fel bestreden werd als een beginsel van Frans recht waarmee Nederland niets van doen had,11 dan weer een vanzelfsprekend principe werd geacht.12 Beschouwingen over de grondslagen van het beginsel ontbreken. De onschuldpresumptie is met regelmaat aangevoerd als argument voor of juist tegen een juridische norm of een onderdeel van de rechtspraktijk, maar bleef daarbij zelf zonder expliciete onderbouwing.
De actieradius van het beginsel was groot. Uit Beijerse heeft laten zien dat de onschuldpresumptie tot voor de beraadslagingen over het wetboek van 1886, het belangrijkste argument was voor een grote terughoudendheid bij toepassing van voorlopige hechtenis.13 De voorlopige hechtenis is daarom een ‘noodzakelijk kwaad’.14 Met een beroep op de onschuldpresumptie is gesteld dat de omstandigheden van preventieve detentie aanzienlijk beter dienen te zijn dan die waaronder men straf ondergaat,15 dat de rechter – ook na de niet-veroordeling – geen blijk mag geven van enig vermoeden van schuld en dat de voorlopig gehechte na vrijspraak zijn schade derhalve vergoed moet krijgen.16 De vervolging van een rechterlijke ambtenaar dient slechts gepaard te gaan met schorsing en niet met ontslag, omdat hij als onschuldige dient te worden behandeld, zolang hij niet schuldig is bevonden.17 Ook als bewijsregel was de onschuldpresumptie het Nederlandse recht in de negentiende eeuw niet geheel vreemd. Aan de vorming van het huidige negatief-wettelijk bewijsstelsel lag de onschuldpresumptie dan ook mede ten grondslag.18
Als argument in politiek en wetenschappelijk debat heeft de onschuldpresumptie in Nederland in de negentiende eeuw al enigszins naam gemaakt, maar tot positiefrechtelijke verankering is het niet gekomen.19 Althans, niet van het beginsel zelf. In hoofdstuk VII en VIII zal blijken dat het principe op diverse plaatsen meer of minder expliciet onderdeel is van het strafrechtelijk systeem zoals we dat vandaag de dag kennen. Ook waar daaraan niet expliciet gerefereerd is, kan de wenselijkheid van de naleving van het beginsel zijn doorgedrongen in het rechtsgevoel. Voor zover te overzien, refereren de belangrijkste handboeken over het strafprocesrecht van de eerste decennia van de twintigste eeuw aan het onschuldvermoeden echter niet.20 In de tijd van het nationaalsocialisme en de Tweede Wereldoorlog was voor de onschuldpresumptie al helemaal geen plaats.21 De positiefrechtelijke stilte rondom het beginsel en de tanende wetenschappelijke aandacht ervoor in de eerste helft van de twintigste eeuw op het Europese continent, verklaren dat bij de herontdekking van de onschuldpresumptie na de Tweede Wereldoorlog ten onrechte de opvatting postvatte dat het een Angelsaksische rechtsfiguur betrof.22