Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VII.5.1
VII.5.1 Bewijsrisico bij de overheid
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593978:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor bewezenverklaring van méér dan is tenlastegelegd bestaat weinig ruimte. Tegelijkertijd is ook het stellen van teveel niet zonder risico’s. Nog daargelaten dat de afbakeningsfunctie door al te breedsprakige tenlasteleggingen verloren gaat, betekent meer stellen soms ook meer bewijzen. Zo hoeft de afwezigheid van strafuitsluitingsgronden niet te worden tenlastegelegd, maar eenmaal tenlastegelegd is partiële vrijspraak van dat onderdeel uitgesloten, zie bijv. HR 21 oktober 1969, NJ 1970, 126, m.nt. Prins; HR 17 februari 2009, NJ 2009, 275, m.nt. Borgers.
Dergelijke buitengewone straffen (poenae extraordinariae) konden worden opgelegd indien sterke aanwijzingen voor het bestaan van schuld aanwezig waren, maar het bewijs niet voldoende was voor een veroordeling. Ook kon de rechter een verdachte ontslaan van instantie, een middenbeslissing waarbij de rechter zich onthoudt van een definitieve beslissing omdat hij van schuld noch onschuld overtuigd is. Vgl. Van Hattum 2012, p. 392 e.v.
Bossers 1987, p. 41. Staking van de stemmen had hetzelfde gevolg.
Enkel de als relikwie van de Franse overheersing beschouwde juryrechtspraak wordt afgeschaft, zie Bossers 1987, p. 91-95.
Zie over dat debat nader Voorduin 1840, p. 121; Van Hattum 2012, p. 380-382.
Kamerstukken II 1828/29, V, nr. 25, p. 84 (MvT).
Zie daarover nog onder expliciete verwijzing naar het onschuldvermoeden bijv. De Bosch Kemper 1838-1840, derde deel, p. 519; Modderman 1867, p. 19, p. 61-62.
Zie bijv. Corstens/Borgers 2014, p. 758: “Het zou onverenigbaar zijn met de onschuldpresumptie indien van de verdachte zou worden verlangd dat hij zijn onschuld bewijst, alvorens een vrijspraak toe te laten.” Zie voorts o.a. Lensing & Mulder 1994, p. 63-64; Hartmann 1999, p. 223; Keulen & Knigge 2016, p. 483-484.
Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 20, 76, 84 en 86. Of daaraan in de praktijk altijd tegemoet wordt gekomen, is betwijfelbaar, zo blijkt uit het rapport van de P-G bij de Hoge Raad, Knigge & De Jonge-van Ellemeet 2014, i.h.b. p. 30-40.
Bekend is dat de Nederlandse strafrechter in zijn vonnis consequent het stramien van de artikelen 348 en 350 Sv volgt. Als hij aan beantwoording van de in artikel 350 Sv besloten vragen toekomt, is de eerste vraag die hij moet beantwoorden of de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De bewijsrechtelijke afdeling van het Wetboek van Strafvordering richt zich uitsluitend op het bewijs van de tenlastelegging. De in de tenlastelegging door de officier van justitie gemaakte keuzes zijn daarom cruciaal. Zij bepalen immers het primaire object van het feitenonderzoek.1
Eén van de belangrijkste en krachtigste uitgangspunten van het Nederlandse strafprocesrecht is namelijk dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend moet worden bewezen. Artikel 352 lid 1 Sv dicteert met zoveel woorden dat indien het feit niet kan worden bewezen, vrijspraak volgt. Het bewijsrisico voor het tenlastegelegde ligt dus in beginsel bij de overheid, want niet de onschuld maar de schuld van de verdachte behoeft bewijs. Met dit vanzelfsprekend aandoende uitgangspunt beantwoordt het Nederlandse strafproces niet toevallig aan de bewijsdimensie. Het is daarop uitdrukkelijk gebaseerd.
De vandaag de dag zo vanzelfsprekend geachte grondstelling dat alleen de schuld van de verdachte bewijs behoeft, was tot de eerste helft van de 19e eeuw verre van onbetwist. Hoewel het uitgangspunt dat het beter is tien schuldigen vrij te spreken dan één onschuldige te veroordelen uit de Klassieke Oudheid dateert en ook in het Oudvaderlandse recht reeds is terug te vinden, betekende dat tot de negentiende eeuw louter dat bij onvoldoende bewijs een veroordeling achterwege diende te blijven. Teneinde de vrijspraak van schuldigen te voorkomen, kende het Nederlandse strafrecht tussenoplossingen in gevallen van twijfel, zoals straf naar de mate van verdenking.2 Vrijspraak was dan verbonden aan bewezen onschuld en de verdachte droeg bijgevolg een zeker bewijsrisico. Het onbewezen blijven van zijn onschuld kon per slot van rekening tot straf leiden.
Door de Franse annexatie van 1810 werden middenbeslissingen in het inmiddels een eenheidsstaat geworden Nederland afgeschaft. Het Franse juryproces en de ook in Nederland geldende Code d’instruction criminelle kenden geen middenbeslissing meer. Is de jury door twijfel niet in staat de schuldvraag positief te beantwoorden, dan volgt vrijspraak.3 Na de omverwerping van het Franse regime drie jaar later blijft het strafprocesrecht nagenoeg intact.4 Ofschoon in de aanloop naar het Wetboek van Strafvordering van 1838 binnen het parlement wel stemmen opgaan om de middenbeslissing in ere te herstellen, kiest een meerderheid voor het door de regering voorgestelde negatief-wettelijk bewijsstelsel, waarin alleen de schuld bewijs behoeft en het bewijsrisico dus op de overheid rust.5 Dat stelsel beargumenteert de regering in de memorie van toelichting bij het aan het wetboek van 1838 ten grondslag liggende ontwerp van 1828 met een expliciet beroep op het vermoeden van onschuld:
“[…] men [heeft] het bewijs van schuld niet met dat van onschuld verward en in het oog gehouden, dat onschuld niet behoeft bewezen te worden, maar eenieder onschuldig is, zoolang het tegendeel niet middagklaar is aangetoond.”6
Aldus ligt de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie niet alleen impliciet besloten in het bewijsrechtelijk stelsel, maar daaraan ook expliciet ten grondslag.
Zowel het beginsel als het daaruit voortvloeiende bewijsstelsel en de bijbehorende bewijsrisicoverdeling vinden in de literatuur van destijds instemming.7 En ook vandaag nog wordt dit centrale uitgangspunt van het strafproces met de onschuldpresumptie in verband gebracht.8 In zijn algemeenheid wordt het fundamentele karakter daarvan onverminderd onderschreven. Zo is ook bij de invoering van de strafbeschikking door middel van de Wet OM-afdoening benadrukt dat voor de oplegging daarvan steeds een daadwerkelijke vaststelling van schuld aan een strafbaar feit noodzakelijk is.9