Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/11.1
11.1 Samenloopbepalingen in de verhouding verzekerde-verzekeraar
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS359386:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook Stadermann gaat er vanuit dat op verzekerde geen spontane mededelingsplicht rust om mee te delen onder welke andere verzekering(en) de schade is gedekt. Zie Titel 7.17 BW belicht 2005, p. 162.
Dat is anders in onder meer Duitsland en Frankrijk waar een wettelijke mededelingsplicht geldt en dat ook al voordat van een aanspraak op schadevergoeding sprake is. Zie voor Duitsland par. 58VVG (oud) als ook - inhoudelijk gelijk - par. 77 VVG 2008: 'Wer bei mehreren Versicherern ein Interesse gegen dieselbe Gefahr versichert, ist verpflichtet jedem Versicherer die andere Versicherung unverzuglich mitzuteilen. In der Mitteilung sind der andere Versicherer und die Versicherungssumme anzugeben.' Zie voorts Prölls/Martin 2004, p. 566, die erop wijst dat een uitdrukkelijke sanctie op de niet-nako-ming ontbreekt: 'Deshalb gilt die allgemeine Sanktion einer Schadensersatzpflicht bei Verschulden (...).' Een overeenkomstige regeling geeft voor Frankrijk art. L121-4. In geval van niet-nakoming 'de manière dolosive ou frauduleuse' geldt de zware sanctie van nietigheid van alle betrokken polissen. Vgl. Lambert-Faivre 2005, nr. 543.
Vgl. art. 12 NBB 2006 en NBUG 2006: 'Verzekerde is verplicht opgave te doen van alle hem bekende overige verzekeringen die tijdens de gebeurtenis dekking boden tegen schade aan de verzekerde gevaarsobjecten.'
De wettelijke regeling sluit overigens aan bij de situatie zoals deze ook voor de invoering van titel 7.17 BW gold, zij het destijds op basis van een aanbeveling van het Verbond van Verzekeraars aan zijn leden. Zie ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 375 en 381. Het niet tot vergoeding overgaan door de aangesproken verzekeraar, kon leiden tot het oordeel dat verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf heeft geschaad; zie RvT I-87/24. Ook was in de polisvoorwaarden, in voorkomende gevallen opgenomen dat verzekeraar zich uitsluitend ten opzichte van andere betrokken verzekeraar(s) - en dus niet ten opzichte van verzekerde - zal beroepen op de non-contribution-clausules: eerst betalen, dan verhalen. De betreffende regelingen houden hun betekenis - zie hierna onder 11.2.2 - ingeval door verzekeraar op een non-contribution-clausule een beroep wordt gedaan in de onderlinge verhouding tussen de verzekeraar en de verzekerde (in welke verhouding, ondanks pleidooien van die strekking, de wetgever de werking van de betreffende clausules niet heeft ontnomen; zie Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 381).
Renckens, 'Gelijke monniken gelijke kappen', in: In volle zekerheid: opstellen aangeboden aan A.J.O. Baron van Wassenaer van Catwijck 1993, p. 185, wijst erop dat ondanks dat er verzekeringen zijn die iedereen geacht kan worden te hebben gesloten, zoals de WAM-, ziektekosten-, brandverzekering e.d., toch niet iedereen deze ook feitelijk blijkt te hebben.
Asser/Hartkamp 4-1, 2004, nr. 277, die erop wijst dat evenmin schadevergoeding zou kunnen worden geëist.
Vgl. Asser/Hartkamp 4-1, 2004, nr. 273.
Vgl. Asser/Hartkamp 4-1, 2004, nrs. 273 en 278. Onwenselijk komt toch voor dat in een procedure uitsluitend de houdbaarheid van het beroep op opschorting aan de orde zou (kunnen) komen en dat verzekeringnemer zich daarna alsnog/weer tot de rechter zou dienen te wenden voor de nakoming van de overeenkomst.
Nieuw verzekeringsrecht 2005, p. 283.
M.L.M. Renckens, t.a.p., p. 186. Zie in die zin ook voor het Engelse recht MacGillivray1997, nr. 23-31.
Vgl. Asser/Hartkamp 4-1, 2004, nr. 265, die verwijst naar de Parlementaire geschiedenis. Boek 6, p. 205, 207 en 68. Zie ook p. 196-197.
M.L.M. Renckens, t.a.p., p. 186.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 377. Ook Stadermann, Titel 7.17 BW belicht 2005, p. 162, wijst er met recht op dat de verzekerde die onjuiste informatie verstrekt door ten onrechte het bestaan van andere verzekeringen te ontkennen in beginsel als een toerekenbare tekortkoming kan worden aangemerkt, die erin kan resulteren dat de verzekerde aansprakelijk is voor de schade die verzekeraar daardoor lijdt (en die vermoedelijk zal bestaan uit de schadepenningen die dan ten onrechte zijn uitgekeerd).
Zie noot 6.
Van toerekenbaar tekortschieten zal ook sprake zijn indien verzekerde van het bestaan van de andere verzekering(en) wel op de hoogte had behoren te zijn.
Hof Amsterdam 4 juni 1987, S&S 1988, 36 overweegt ten aanzien van de bouwwereld dat het alleszins gebruikelijk is dat bij de uitvoering van een groot werk door opdrachtgever of hoofdaannemer een CAR-verzekering wordt gesloten en dat de onderaannemer daarvan mocht uitgaan.
Dat lijkt voor de verzekeraar veelal alleen bewijsbaar indien komt vast te staan dat de verzekerde 'onverschoonbaar' bij meer verzekeraars een claim ter zake van dezelfde schade heeft ingediend.
Een rechtstreeks beroep op art. 7:941 lid 5 jo. 2 BW stuit wellicht af op het verweer dat het tweede lid de verzekerde slechts verplicht tot het verschaffen van alle informatie die voor de verzekeraar van belang is om diens uitkeringsplicht te beoordelen, althans indien het begrip 'uitkeringsplicht' in die - strikte - zin wordt opgevat dat deze uitsluitend ziet op de uitkeringsplicht tegenover de verzekerde zelf en niet op die jegens andere betrokken verzekeraars in het kader van de onderlinge draagplicht. Immers voor de uitkeringsplicht tegenover de verzekerde zelf speelt de betrokkenheid van andere verzekeraars geen rol bij toepassing van het vrije keuze-systeem in art. 7: 961 lid 1 BW en dat geldt in situaties waarin non-contribution-clausules aan de orde zijn, evenzeer in het kader van de eerder genoemde Aanbeveling van het Verbond van verzekeraars, op grond waarvan de eerst aangesproken verzekeraar tot uitkering aan de verzekerde kan worden gehouden ongeacht het bestaan van andere verzekeringen. Zie hiervoor noot 6.
Vrije keuze in aanspraak met daaraan gekoppeld de verplichting tot het noemen van 'de andere verzekeringen'
Op het moment dat zich een verzekerd evenement voordoet, zal de verzekerde zijn schade (tijdig dienen te) melden bij zijn verzekeraar. Ingeval er van meervoudige verzekering sprake is, kan hij dit ingevolge art. 7:961 lid 1 BW doen bij de verzekeraar van zijn keuze. Van een echte 'keuze' zal daarbij overigens niet steeds sprake zijn. Voorstelbaar immers, is de situatie waarin de verzekerde zich van meervoudige verzekering niet bewust is. Te denken valt aan de gesneuvelde, dure antieke vaas, die geclaimd wordt op de kostbaarhedenverzekering, maar waarvan aangenomen mag worden, dat deze ook onder de dekking onder de inboedelverzekering valt. Gegeven het belang dat verzekeraar heeft bij de vraag naar meervoudige verzekering, is het aan hem zijn om de verzekerde (in zijn schadeaangifteformulier) te vragen naar mogelijke dekking onder een andere verzekering,1waarbij zelfs voorstelbaar is dat dit 'vragen' door de verzekeraar is ingericht naar de omstandigheden zoals deze zich voordoen. In het door mij hierboven genoemde voorbeeld is voorstelbaar dat de verzekeraar vanuit zijn deskundigheid gericht vraagt naar het bestaan van een inboedelpolis of - ingeval van een claim onder een reisverzekering - naar bestaande dekking onder de (aanvullende) zorgverzekering. Het belang van de verzekeraar hierbij spreekt verder voor zich: eerst, immers, wanneer verzekeraar over deze informatie beschikt, kan hij overgaan tot onderling verhaal op andere verzekeringen in de zin van art. 7:961 BW, of - wanneer op polisniveau van de in de wet voorgeschreven onderlinge draagplicht afwijkende samenloopbepalingen zijn opgenomen - kan hij nagaan welk van de onderscheiden verzekeringen dient uit te keren. Benadrukt zij dat titel 7.17 BW op dit punt geen uitdrukkelijke informatieplicht voor de verzekerde kent.2Evenmin is dat in de regel het geval in de polisvoorwaarden zelf, uitgezonderd die welke in het beursverkeer worden gebruikt.3
Het systeem dat uitgaat van een 'vrije keuze' voor verzekerde en dat hem behoedt voor een zoektocht naar de 'dekkende' verzekeraar4 wordt gedragen door een daartegenover staande verplichting voor verzekerde om de aangesproken verzekeraar, op wie uiteindelijk mogelijk de betalingsverplichting niet (geheel) rust, te voorzien van informatie over mogelijk meervoudige verzekering: op verzekerde rust de (indirect geformuleerde) verplichting om (desgevraagd) 'de andere verzekeringen' te noemen. Laat de verzekerde dat na, dan is de verzekeraar ingevolge art. 7:961 lid 1, tweede volzin, BW bevoegd om zijn verplichting tot het doen van een uitkering op te schorten. De verzekeraar is daarmee dus een middel gegeven dat dient tot zekerheid voor de nakoming van de op verzekerde rustende verplichting om 'de andere verzekeringen' te noemen. Een vraag die - mede in het kader van de (wederzijdse) stelplicht(en) - rijst, is onder welke omstandigheden verzekeraar zich op deze bevoegdheid kan beroepen. Het lijkt voor de inzichtelijkheid in de materie goed om voor de beantwoording van die vraag te onderscheiden naar het door verzekerde gegeven antwoord op de vraag naar 'andere verzekeringen':
verzekerde verklaart desgevraagd dat er 'andere verzekeringen' zijn en geeft deze op;
verzekerde reageert niet op de vraag van verzekeraar;
verzekerde verklaart desgevraagd dat er geen 'andere verzekeringen' zijn.
Het antwoord onder a) is in deze meest duidelijk: de aangesproken verzekeraar kan hiermee verder en kan tot verhaal (trachten te) komen, al dan niet aan de hand van de op polisniveau gesloten samenloopbepalingen in de (andere) verzekeringsovereenkomst. Van enige bevoegdheid tot het opschorten van een verplichting tot schadevergoeding als bedoeld in art. 7:961 BW is geen sprake.
De situatie onder b) daarentegen, is wel bij uitstek geëigend om een beroep op te doen op het opschortingsrecht: zolang de verzekerde niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het noemen van 'de andere verzekeringen', kan de verzekeraar de nakoming van zijn verplichting tot schadevergoeding opschorten totdat hij dat wel gedaan heeft. Deze bevoegdheid geldt mijns inziens zowel in die 'eerste' fase, waarin de verzekeraar (in zijn schadeaangifteformulier) vraagt naar andere verzekeringen, als in de fase waarin de verzekeraar 'doorvraagt' en hij op die nadere vraag naar 'andere verzekeringen' geen antwoord krijgt. Ook hier weer het eerder aan de orde gestelde voorbeeld van de gesneuvelde vaas en de door verzekeraar vermoede samenloop met de inboedelverzekering: wanneer de verzekeraar in reactie op een eerste antwoord van verzekerde aanleiding ziet5 meer gericht te vragen naar het bestaan van een inboedelverzekering en hij hierop van verzekerde geen antwoord (meer) krijgt, kan hij zich mijns inziens ook dan op zijn opschortingsbevoegdheid beroepen.
De vraag of een beroep op de opschortingsbevoegdheid aan verzekeraar eveneens toekomt in de situatie onder c) is lastiger te beantwoorden. Aan de op hem rustende verplichting tot het noemen van 'andere verzekeringen' in de zin van de 7:961 BW voldoet de verzekerde met het antwoord onder c) immers wel degelijk. En in beginsel dient dat tot gevolg te hebben dat de aangesproken verzekeraar zonder meer de geleden schade - voor het geheel - draagt. Wat nu indien de verzekeraar de juistheid van het gegeven antwoord in twijfel trekt en vervolgens (toch) een beroep op het hem toekomend opschortingsrecht doet?
Bij de beantwoording van deze vraag is het goed te realiseren dat de verzekeraar die gebruik maakt van zijn opschortingsrecht zijn verbintenis weliswaar niet nakomt, maar dat deze niet-nakoming geen 'tekortkoming in de nakoming' in de zin van art. 6:74 BW oplevert.6 Het opschortingsrecht is immers als verweermiddel van de schuldenaar gebaseerd op de 'eigen' niet-nakoming door de wederpartij van diens verplichtingen (i.c.: 'jij, verzekerde, noemt mij in strijd met de op jou rustende plicht in deze, de andere verzekeraar niet'). Asser-Hartkamp verbindt hieraan de conclusie dat de wederpartij van degene die gebruik maakt van zijn opschortingsrecht, van de laatste geen nakoming in rechte kan eisen.7
Dit laat vanzelfsprekend onverlet dat de verzekerde die van oordeel is dat de uitoefening van de bevoegdheid tot opschorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zulks aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen.8 Zelfs zou ik menen dat indien de verzekerde als eiser in de hier bedoelde procedure stelt dat hij recht heeft op de prestatie van de verzekeraar, omdat hij zijnerzijds zijn verplichtingen uit de overeenkomst - waaronder het aangeven dat van meervoudige verzekering geen sprake is - wel degelijk is nagekomen, in diezelfde procedure de vordering tot nakoming 'meegenomen' kan worden.9 De (on)aanvaardbaar-heid van het beroep op de opschorting is daarmee allereerst aan de orde, waarna - wanneer de aansprakelijkheid en/of dekking onder de polis tussen partijen eveneens in geschil mocht zijn - de vordering tot nakoming beoordeeld dient te worden. In de beoordeling van de bevoegdheid tot opschorting wordt - nog steeds in de hiervoor onder c) geschetste situatie - de stelling van de verzekerde daarmee de volgende: 'Ik heb gepresteerd want ik heb aangegeven dat er geen andere verzekeringen zijn. Jij mag dus niet opschorten en - wanneer dit verweer van jou terzijde is gesteld - kan aan de orde komen dat ik recht op nakoming van c.q. betaling op grond van de verzekeringsovereenkomst heb'. Relevant in het kader van dit boek is de vraag op welk der partijen welke bewijsverplichting rust. Veel zal daarbij (vanzelfsprekend) afhangen van de stellingen van de verzekeraar. Klink wijst er in dat verband, mede met een beroep op de onmogelijkheid voor verzekerde om te bewijzen dat er geen samenlopende verzekering is, met recht op dat de verzekeraar gemotiveerd zal moeten aanvoeren waarom dit naar zijn oordeel wel het geval is.10 Renckes doet dat ook en gaat zelfs nog verder waar hij het voor de hand liggend acht dat de verzekeraar de bewijslast heeft als de verzekerde het bestaan van een andere verzekering ont-kent.11 Dat lijkt me in beginsel juist. Het is immers de verzekeraar die stelt dat de verzekerde zijn (polis)verplichting om de verzekeraar omtrent het bestaan van andere verzekeringen te informeren niet is nagekomen. Dat is een zelfstandig verweer waarvan bij een betwisting door de verzekeringnemer op de verzekeraar de bewijslast rust.
Wel zou ik willen bepleiten - en dat past ook bij het gegeven dat het opschortingrecht wordt gezien als een uitwerking van de aanvullende/beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 248 BW12 - het aspect van het bestaan van andere verzekeringen niet in de meerbedoelde procedure 'uit te vechten', althans niet in de situatie waarin elke aanwijzing ontbreekt dat de verzekerde de vraag naar andere verzekeringen tegen beter weten in heeft beantwoord. In de uiteindelijke beoordeling van de vordering tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst, immers, kan het bestaan van meervoudige verzekering uitsluitend leiden tot een (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering tegen de in rechte aangesproken verzekeraar, indien de laatste niet de verzekeraar is die uiteindelijk tot dekking gehouden is. Om dat te kunnen beoordelen zullen alle onderlinge polisbepalingen en de daarin mogelijk bestaande samenloopregimes in de beoordeling moeten worden betrokken, hetgeen, zoals Renckes het uitdrukt, in vreselijk geharrewar kan ontaarden.13 Daarmee wordt geen recht gedaan aan het belang van verzekerde zoals dit aan het in de wet gekozen systeem ten grondslag lag, te weten het voorkomen dat verzekeraars zich achter elkaar verschuilen. Meest recht aan dat uitgangspunt doet de oplossing, waarin vooralsnog wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van verzekerde ('er is geen andere verzekering') en de verzekeraar tot uitbetaling overgaat. Wanneer nu nadien mocht blijken dat er (toch) sprake was van meervoudige verzekering, kan deze niet-nakoming - ingeval de aangesproken verzekeraar na betaling voor het geheel daarvan kennis krijgt en verhaal op nadien bekend geworden andere verzekeringen niet (langer) mogelijk blijkt - leiden tot vergoeding van door dat verzuim geleden schade.14 Zulks lijkt ook in overeenstemming met de strekking van de aanbeveling van het Verbond van verzekeraars, zoals hierboven al vermeld.15
Op die manier wordt ten slotte ook meest recht gedaan aan de situatie waarin verzekerde ook wel kan verkeren, namelijk dat hij van het bestaan van die andere overeenkomst niet op de hoogte is. In de mogelijke procedure tot schadevergoeding, ingesteld door de (aangesproken/betalende) verzekeraar tegen de verzekerde, kan in het kader van de beoordeling van de gestelde tekortkoming mede aan de orde komen de vraag of de laatste, zo hij van de verzekering niet op de hoogte was, dit wellicht wel had behoren te zijn.16 Bijvoorbeeld omdat het in de branche of bedrijfstak waarin de verzekeringnemer werkzaam is, alleszins gebruikelijk is dat (nog) een verzekering gesloten wordt door een ander dan verzekerde.17
Toch opzet tot misleiding?
Blijft over de hierboven reeds aangestipte situatie waarin er wel duidelijke aanwijzingen zijn dat de verzekerde de vraag naar andere verzekeringen tegen beter weten in heeft beantwoord. In dat geval is het mijns inziens gerechtvaardigd dat de verzekeraar een beroep doet op zijn opschortings-recht. Slaagt de verzekeraar vervolgens in het bewijs van opzet tot misleiden (de verzekerde probeert zijn schade meer dan één keer vergoed te krijgen),18 dan lijkt het alleszins gerechtvaardigd de verzekerde elk recht op uitkering te ontzeggen. De grondslag daarvoor bieden in de regel de polisvoorwaarden. Deze verplichten de verzekerde alle in het kader van een aanspraak op uitkering door de verzekeraar gevraagde informatie te verschaffen op straffe van verval van het recht op uitkering (voor zover de belangen van de verzekeraar door de niet-nakoming zijn geschaad dan wel de verzekerde opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt).19