Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/791
Feitelijke aanranding van eerbaarheid van 18-jarige dochter, meermalen gepleegd (art. 246 Sr) en ontucht met 13-jarige dochter (art. 247 Sr). Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefsters voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verklaringen van aangeefsters vinden allereerst steun in verklaring van hun moeder. Beide aangeefsters beschrijven (als eerste handeling van verdachte) dat zij in alledaagse situaties werden betast op intieme delen. Moeder verklaart, net als aangeefster 1, dat verdachte in auto tijdens terugreis van Parijs zijn hand op binnenkant van aangeefsters been had gelegd. Moeder herkent dit gedrag als handeling die verdachte ook weleens bij haar verrichtte en die dan seksuele lading had. Moeder verklaart daarbij voorts dat zij heeft gezien dat aangeefster 1 toen lichamelijke reactie had (‘Iets van verstijven’), terwijl aangeefster 1 heeft verklaard dat zij op dat moment bang was. Verder houdt verklaring van moeder in dat zij met verdachte heeft gesproken over beschuldigingen van aangeefster 2 en aangeefster 1. Volgens die verklaring heeft verdachte een reden genoemd ‘waarom het met die meiden is gebeurd’. Bovendien zijn er volgens haar met hem afspraken gemaakt om herhaling van dit gedrag te voorkomen. Verklaring van aangeefster 1 wordt wat betreft specifieke context waarin misbruik plaatsvond voorts ondersteund door verklaring van verdachte. Dat geldt ook voor verklaring van aangeefster 2. Daarnaast vindt verklaring van aangeefster 2 steun in verklaring van moeder die naast hervertelling van hetgeen aangeefster 2 haar vrijwel direct na strafbaar feit over misbruik heeft verteld, ook gedragsverandering bij aangeefster 2 heeft waargenomen. Van schending van art. 342 lid 2 Sv is geen sprake. Volgt verwerping. 
HR 09-07-2024, ECLI:NL:HR:2024:886
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
9 juli 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/03612
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:886, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024
Essentie
Feitelijke aanranding van eerbaarheid van 18-jarige dochter, meermalen gepleegd (art. 246 Sr) en ontucht met 13-jarige dochter (art. 247 Sr). Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefsters voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verklaringen van aangeefsters vinden allereerst steun in verklaring van hun moeder. Beide aangeefsters beschrijven (als eerste handeling van verdachte) dat zij in alledaagse situaties werden betast op intieme delen. Moeder verklaart, net als aangeefster 1, dat verdachte in auto tijdens terugreis van Parijs zijn ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.