HR, 09-07-2024, nr. 22/03612
ECLI:NL:HR:2024:886
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2024
- Zaaknummer
22/03612
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:886, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:3448
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:508
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0168
Uitspraak 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Feitelijke aanranding van eerbaarheid van 18-jarige dochter, meermalen gepleegd (art. 246 Sr) en ontucht met 13-jarige dochter (art. 247 Sr). Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefsters voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verklaringen van aangeefsters vinden allereerst steun in verklaring van hun moeder. Beide aangeefsters beschrijven (als eerste handeling van verdachte) dat zij in alledaagse situaties werden betast op intieme delen. Moeder verklaart, net als aangeefster 1, dat verdachte in auto tijdens terugreis van Parijs zijn hand op binnenkant van aangeefsters been had gelegd. Moeder herkent dit gedrag als handeling die verdachte ook weleens bij haar verrichtte en die dan seksuele lading had. Moeder verklaart daarbij voorts dat zij heeft gezien dat aangeefster 1 toen lichamelijke reactie had (“Iets van verstijven”), terwijl aangeefster 1 heeft verklaard dat zij op dat moment bang was. Verder houdt verklaring van moeder in dat zij met verdachte heeft gesproken over beschuldigingen van aangeefster 2 en aangeefster 1. Volgens die verklaring heeft verdachte een reden genoemd “waarom het met die meiden is gebeurd”. Bovendien zijn er volgens haar met hem afspraken gemaakt om herhaling van dit gedrag te voorkomen. Verklaring van aangeefster 1 wordt wat betreft specifieke context waarin misbruik plaatsvond voorts ondersteund door verklaring van verdachte. Dat geldt ook voor verklaring van aangeefster 2. Daarnaast vindt verklaring van aangeefster 2 steun in verklaring van moeder die naast hervertelling van hetgeen aangeefster 2 haar vrijwel direct na strafbaar feit over misbruik heeft verteld, ook gedragsverandering bij aangeefster 2 heeft waargenomen. Van schending van art. 342.2 Sv is geen sprake. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03612
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2022, nummer 20-000656-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde telkens uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.