Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.5.2
II.5.2 Universeel goedheidsvermoeden als bewijslastverdelingsmechanisme
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596272:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Motzenbäcker 1958, p. 161 e.v. Zie ook bijv. Huber (1686) 1768, p. 805-806: “Verre van Bewijsen; een weinig moet noch gezegt worden van de Praesumptien, ofte Vermoedingen, welke niet anders zijn, als waerschijnelijke reedenen, genoomen uit de omstandigheeden der feiten, ende nae gelijkheyt van het geene doorgaes pleegt te geschieden.”
Bijv. Farinacius 1606, p. 744. Zie over deze ontwikkeling in het begrip van vermoedens ook Motzenbäcker 1958, p. 161 e.v.; Stuckenberg 1998, p. 448-449.
Van den Bergh 2002, p. 110 e.v.
Huber (1686) 1768, p. 805-806.
Zie voor een Nederlandse toepassing van de vermoedensleer van Alciatus op het goedheidsvermoeden, Voet 1731, boek 48, § 8, 12, p. 1067-1068.
Zie met verwijzingen Köster 1979, p. 56 e.v.
Vgl. Köster 1979, p. 32-33; Stuckenberg 1998, p. 19.
Zie daarover Van Hattum 2012, p. 147 e.v.
Vanaf de vijftiende eeuw werd een universele, van eerder gedrag en sociale stand onafhankelijke, gelding van het goedheids- en onschuldvermoeden ook in het wereldlijke recht gangbaarder. De humanist Alciatus (1492-1550) ontwikkelde een destijds nieuwe theorie over vermoedens. Vermoedens zijn volgens Alciatus geen bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen dragen bij aan het bereiken van zekerheid omtrent hetgeen is voorgevallen. Vermoedens echter, houden een algemene waarschijnlijkheid in.1 Rechtsvermoedens krijgen als functie de bepaling van de bewijslast; hij die de waarschijnlijkheid van de presumptie tegen zich heeft werken, dient het tegendeel van het vermoeden aan te tonen.2 Huber, een vertegenwoordiger van de door het Romeinse recht en het humanisme sterk beïnvloede Nederlandse elegante school,3 verwoordde het als volgt: “[...] de sterke [praesumptien] maken wel geen vol bewijs, maer brengen te weege, dat het bewijs vereyscht wordt van die geene tegen wien de praesumptie strijdt [...]”.4In deze notie van vermoedens brengt het goedheidsvermoeden voor het eerst mee dat de bewijslast in strafzaken bij de aanklager dient te liggen.5
Ook deze toepassingswijze van het vermoeden verspreidde zich tot in de Duitse gebieden.6 Het tegenwoordig met de onschuldpresumptie nog steeds verknochte uitgangspunt dat de bewijslast op de overheid rust, bracht echter geen onmiddellijke wijziging in het strafprocessuele landschap. Het goedheidsvermoeden was op deze manier begrepen slechts een aanvullende grondslag voor de in de inquisitoire procesvorm reeds geldende bewijslastverdeling.7 Alleen bewijs van schuld kon tot een veroordeling leiden. Dat nam ondertussen niet weg dat naar hedendaagse maatstaven de door het bewijsrecht geboden rechtsbescherming fors tekortschoot. Het goedheidsvermoeden beïnvloedde niet onder welke omstandigheden het bewijs afdoende was geleverd en voorkwam evenmin dat door het positief-wettelijk bewijsstelsel het verkrijgen van een bekentenis – goedschiks of kwaadschiks – de belangrijkste doelstelling van het onderzoek was. Noch de Trajanusregel, noch het adagium in dubio pro reo stond eraan in de weg sterk uiteenlopende rechtsgevolgen te verbinden aan het ontbreken van schuldbewijs enerzijds en het blijken van onschuld anderzijds. Alleen bij bewijs van onschuld pleegde te worden vrijgesproken. Anders volgde een tussenoplossing, zoals een bijzondere straf (poenae extraordinaria) of een beslissing de zaak aan te houden (absolutio ab instantia).8