Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.5.1
II.5.1 Christelijke moraal als grondslag voor een universeel goedheidsvermoeden
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602070:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Motzenbäcker 1958, p. 83 e.v.; Köster 1979, p. 22-23.
Gregorius IX/Bernardus Parmensis, boek II, titel 23, hfdst. 16: “Si persona fuerit idonea eidem scholari probandi se idoneum esse nulla necessitas imponatur, cum prima facie preasumatur idoneus, nisi aliud in contrarium ostendatur.”
Gregorius IX/Bernardus Parmensis, boek II, titel 23, hfdst. 16. Dat het niet enkel om een duiding van de zendbrief gaat, blijkt elders. Bernardus stelt de vraag: “Sed quis probabit malitiose non admiserit?” Hij antwoordt met: “Qui malitie obiecit, ea probare debet, qui dolu placuit, sitantu: dicendu est hic, eps. Non debet ostendere quod ille non sit idoneus, quia quilibet praesumitur bonus nisi probetur malus. Vgl. Köster 1979, p. 24.
Geciteerd uit Pennington 2003, p. 115.
De zestiende-eeuwse canonist Menochius onderscheidt wel expliciet tussen een algemeen goedheidsvermoeden, waaronder ook de civielrechtelijke goede trouw valt, en de strafrechtelijke specialis, daarvan het onschuldvermoeden. Tot in de negentiende eeuw varieert de gebruikte terminologie.
Pennington (1993, p. 157, voetnoot 146), citeert een anonieme schrijver: “[…] Quilibet innocens presumatur qui comisisse facinus clarissime non probatur [...] satius fore inpunitum facinus relinqui quam innocentem dampnari [...].”
“Et tutius est condemnandum absoluere, quam absoluendum condamnare [...] non dico hoc, ut aliquem contra conscientiam iuuet; sed cum quilibet praesumatur esse bonus. Nec praesumatur esse immemor suae salutis. Secure laboret, quod reus absoluatur, donec contra eum fuerit probatum. […] quia non statim qui accusatur, reus est, sed qui conuincitur. Saepe enim falso crimina imponuntur.” Citaat ontleend aan Stuckenberg 1998, p. 15; Henrion 2006, p. 152.
Zie nader Stuckenberg 1998, p. 15, voetnoot 28 en Köster 1979, p. 24, voetnoot 3.
Zie Köster 1979, p. 25-26 en de exegese met verwijzingen naar de Bijbel aldaar. Zie over het natuurrecht bij de decretalisten nader Weigand 1967, p. 258 e.v.
Tophinke 2000, p. 8; Henrion 2006, p. 150. De filosofie van Thomas van Aquino ondersteunde deze natuurrechtelijke grondslag van een goedheidsvermoeden, zo betoogt Henrion 2006, p. 162-172.
De bewijslast lag – in elk geval formeel – bij de aanklager die de misdaad stelt. Vraag is echter of dit op het goedheidsvermoeden gebaseerd was. Vgl. en contrasteer Motzenbäcker 1958, p. 145-146 met Henrion 2006, p. 151-152. Bij Monachus (1250-1313) is het adagium al wel aan de bewijslast gerelateerd: “quilibet presumitur innocens nisi probetur nocens” (geciteerd uit Pennington 2003, p. 115). Vgl. ook Holtappels 1965, p. 18 die meent dat het canonieke recht voor het beginsel in dubio pro reo van geen betekenis is geweest.
Vanaf het pontificaat van Innocentius III (1198 – 1216), kwam ook in het canonieke recht voor het eerst een vermoedensleer tot ontwikkeling.1 Het vermoeden van goedheid dat zich in het kerkrecht aandient, is vermoedelijk niet geheel onafhankelijk van de wereldlijke variant tot wasdom gekomen. Wel ontstaan wezenlijke verschillen.
Het vermoeden van goedheid in het canonieke recht is waarschijnlijk afgeleid uit een in de pauselijke decretalen van Gregorius IX gedocumenteerde zendbrief van de reeds genoemde paus Innocentius III aan de aartsbisschop van Milaan. Innocentius schreef dat een kandidaat-priester moet worden geacht ambtwaardig te zijn, tenzij het tegendeel blijkt.2 De belangrijkste commentator bij de decretalen van Gregorius IX, Bernardus de Bottone Parmensis, veralgemeniseerde deze boodschap in 1263 tot een breed toepasselijk goedheidsvermoeden: “Ex hac decretali colligitur quemlibet praesumitur bonus.”3 Ieder individu (quemlibet) komt aldus een algemeen vermoeden van goedheid toe. Een empirische vermoedensbasis in gedrag of maatschappelijke status is daarvoor niet nodig.
Kort na het verschijnen van het commentaar van Bernardus Parmensis had het adagium bij Monachus (1250 – 1313) al een vorm die van de huidige nauwelijks nog afwijkt: “quilibet praesumitur innocens nisi probetur nocens”.4 Wel duurde het nog eeuwen voordat het strafrechtelijke goedheidsvermoeden consequent met vermoeden van onschuld zou worden aangeduid.5 In diezelfde periode lieert men het goedheidsvermoeden – vermoedelijk voor het eerst – rechtstreeks aan de Trajanusregel.6 Zo ook de invloedrijke Belgische bisschop Wilhelmus Durandus (1230-1296). In zijn hoofdwerk en één van de prominentste werken van zijn tijd, stelt hij dat het beter is iemand die zou moeten worden veroordeeld vrij te spreken, dan vice versa. Niet omwille van het geweten, maar omdat eenieder wordt vermoed goed te zijn. Daaraan voegt hij de eerder aangehaalde waarschuwing toe dat niet de beschuldigde, maar louter de veroordeelde, dader is.7
Markant hieraan is dat Durandus de onschuldpresumptie ten grondslag legt aan de door de Trajanusregel voorgeschreven belangenafweging, en niet andersom. Dat past evenwel bij het canonieke goedheidsvermoeden dat nadien is gekarakteriseerd als een juridisch én natuurlijk vermoeden (praesumptio iuris et naturae).8 Het goedheidsvermoeden is derhalve niet alleen te beschouwen als onderdeel van het gestelde recht, maar ook van het christelijke natuurrecht.9 De onschuldpresumptie vloeit rechtstreeks voort uit het mens zijn en komt ieder individu toe, ongeacht afkomst of sociale status. De stap van een empirisch goedheidsvermoeden naar een algemeen, eenieder toekomend vermoeden, is een belangrijke in de genese van een algemeen rechtsprincipe met universele gelding.10 In welke mate middeleeuwse kerkrechtsgeleerden hieraan voor de bewijslast consequenties verbonden, is betwist.11