Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.5.3
II.5.3 Verwereldlijking van het goedheidsvermoeden in het moderne natuurrecht
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602071:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hruschka 2000, p. 286; Henrion 2006, p. 189.
Daarover meer in detail Hruschka 2000, p. 287 e.v.
Hruschka 2000, p. 287.
Von Pufendorf (1672) 1729, boek VIII, hfdst. IV, § IX, p. 804: “But Further; It is also evident, that the Government cannot deprive any Man of his natural, simple Esteem arbitrarily, at pleasure, but only upon some antecedent Crime he hath been guilty of [...].”
Thomasius & Ludovici 1700, § 14.
Thomasius & Ludovici 1700, § 11, p. 13 e.v.
Zie nader Hruschka 2000, p. 294-295.
Kant (1797) 1975, p. 453: “Das Strafgesetz is ein kategorischer Imperativ, und, wehe dem! Welcher die Schlangenwindungen der Glückseligkeitslehre durchkriecht, um etwas aufzufdingen, was durch den Vorteil, den es verspricht, ihn von der Strafe, oder auch nur einem Grade derselben entbinde [...].” Zie over de dilemma’s van zo’n categorische imperatief en Kants opvattingen daarover Mertens 2011.
Kant (1797) 1975, p. 453
Kant (1797) 1975, p. 345.
Zie nader Hruschka 2000, p. 295-296; Byrd & Hruschka 2010, p. 82-83.
Kant (1797) 1975, p. 346.
Kant (1797) 1975, p. 346.
Het universele vermoeden van goedheid dat zich tot bewijslastregel had ontwikkeld, was in eerste instantie hoofdzakelijk gestoeld op de christelijke overlevering. De opmars van het moderne natuurrecht, dat in aanzienlijk mindere mate op een religieuze ethiek is gebaseerd, bracht daarin verandering.
Samuel von Pufendorf (1632-1694) baseert “[…] that common saying, that every man is suppos’d a good man, till the contrary is proved” op hetgeen hij existimatio noemt. Existimatio kan vertaald worden met ‘waarde’ of ‘waardigheid’.1 Ieder mens heeft een dergelijke waardigheid. Van die menselijke waardigheid onderscheidt Pufendorf twee typen, te weten de existimatio simplex en de existimatio intensiva. De existimatio simplex is de aan ieder persoon toekomende waarde, terwijl de existimatio intensiva voortvloeit uit bijzondere verdiensten en zo de ‘voorrang’ en status van de ene persoon boven de andere verklaart.2 Door het goedheidsvermoeden niet op de existimatio intensiva, maar op de existimatio simplex te baseren, stelt Von Pufendorf buiten twijfel dat deze wat hem betreft berust op de ieder mens natuurlijk en gelijkelijk toekomende menselijke waardigheid.3 Op basis van die natuurlijke waarde is ieder mens een vir bonus. Die status kan hem niet willekeurig worden ontnomen, maar alleen vanwege schuldvaststelling aan een misdaad.4 Door het zijn van vir bonus op één lijn te stellen met conformiteit aan rechtsregels, beperkte Von Pufendorf het principe uitdrukkelijk tot juridisch relevante goedheid/onschuld.
Thomasius & Ludovici (1700) onderscheidden een juridisch goedheidsvermoeden als bewijslastregel5 van een ethisch slechtheidsvermoeden. Volgens hen gaat het recht over het forum externum van de mens, over diens zichtbaar handelen. De interne motieven, het forum internum van de mens, zijn voor het recht niet van belang, daarop ziet de ethiek. Wie uit angst voor bestraffing normconform handelt, is juridisch een goed maar ethisch een slecht mens in hun ogen.6 De mens handelt doorgaans normconform, maar vaak niet met ethisch zuivere intenties. Voor zover van een praesumptio bonitatis derhalve sprake kan zijn, kan het enkel een vermoeden van juridische goedheid betreffen. Het niet hebben begaan van een strafbaar feit moet worden vermoed, hetgeen op zichzelf geen vermoeden over de natuur of het karakter van een individu inhoudt. Ook Achenwall (1719-1772) acht het verschil tussen een vir bonus en een vir iustus wezenlijk. Laatstgenoemd begrip benadrukt dat het gaat om een vermoeden van normconformiteit waarvoor alleen van belang is of iemand zich aan zijn rechtsverplichtingen houdt en niet ook of hij een moreel goed of juist leven leidt.7
Kant (1724-1804) ging evenals Von Pufendorf ervan uit dat ieder rationeel wezen een intrinsieke waardigheid bezit. Voor Kant is die waarde absoluut. Daaruit vloeit voort dat de mens altijd doel op zichzelf is en nooit louter middel tot een doel. Ieder mens heeft daarom een aangeboren recht op persoonlijke vrijheid, hetgeen Kant begrijpt als het recht niet beperkt te worden door de keuzes van een ander. Onrecht is bijgevolg datgene wat anderen hindert in hun persoonlijke vrijheid. Recht zijn alle gedragingen die kunnen bestaan naast de vrijheid van anderen en daarnaast ook die gedragingen die onrecht bestrijden of voorkomen. Op basis daarvan is bestraffing van schuldigen recht. Kant acht bestraffing een categorische imperatief waaraan op strikte – en naar hedendaagse maatstaven soms tamelijk brute – wijze uitvoering moet worden gegeven.8 Maar, de aangeboren persoonlijke vrijheid brengt tegelijkertijd mee dat schuldvaststelling een absolute voorwaarde is om ook maar te mogen denken aan bestraffing:
“Richterliche Strafe […] muû jederzeit nur darum wider ihn verhängt werden, weil er verbrochen hat. [...] Er muû vorher strafbar befunden sein, ehe noch daran gedacht wird, aus dieser Strafe einigen Nutzen für ihn selbst oder seine Mitbürger zu zie-hen.”9
Bij de ontrafeling van de aangeboren vrijheid in een aantal ieder mens toekomende kwaliteiten, onderscheidt Kant onder meer de “Qualität des Menschen eines unbescholtenen Menschen (iusti), weil er, vor allem rechtlichen Akt, keinem Unrecht getan hat”.10 Kant doelt hiermee vermoedelijk op het recht voor een vir iusti te worden gehouden waarover ook Pufendorf en Achenwall schreven.11 Hij beschouwt dat recht als een rechtstreeks uitvloeisel van het recht op vrijheid. De functie van dat recht lijkt op die welke Alciatus eraan toekende:
“Die Absicht [...] geht darauf hinaus, damit, wenn über ein erworbenes Recht ein Streit entsteht und die Frage eintritt, wem die Beweisführung (onus probandi) oblie-ge [...] sich auf sein angeborenes Recht der Freiheit [...] berufen könne.”12
Bij Kant overstijgt het beginsel evenwel zowel het strafrechtelijke als het processuele. Het goedheidsvermoeden brengt bijvoorbeeld ook mee dat men een marktverkoper niet mag vragen hoe deze in het bezit van een te verkopen paard kwam, omdat dat zou suggereren dat men deze voor een dief houdt.13
Pufendorf, Thomasius & Ludovici en Kant fundeerden het universele goedheidsvermoeden op respectievelijk de menselijke waardigheid, de ervaring dat de mens doorgaans normconform handelt en de aangeboren vrijheid. De onderbouwing loopt uiteen maar zij hebben met elkaar gemeen dat zij het beginsel aan eenieder toekennen op een zowel religie- als empirie-onafhankelijke grondslag.