Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/3.7.3
3.7.3 Richtlijnconforme interpretatie
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS493896:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Voetnoten
Voetnoten
Reden hiervoor is dat de in de Richtlijn marktmisbruik voorkomende openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen daadwerkelijk is omgezet in de Nederlandse wetgeving. Dat de omzetting bijna één jaar na het verstrijken van de omzettingstermijn heeft plaatsgevonden, heeft — althans voor wat betreft de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen — niet tot problemen aanleiding gegeven. De Richtlijn marktmisbruik diende uiterlijk op 12 oktober 2004 omgezet te zijn in nationale voorschriften (art. 18 van de Richtlijn marktmisbruik). De Wet marktmisbruik, waarmee de Richtlijn marktmisbruik aanvankelijk in de Nederlandse wetgeving is omgezet, is pas op 1 oktober 2005 in werking getreden.
Andere methoden waarmee deze doorwerking van het recht van de Unie in de nationale rechtsorde van de lidstaten kan worden bereikt, zijn: (i) de directe werking van een richtlijn en (ii) aansprakelijkheid van de overheid voor de schending van het Unierecht. Aan deze methoden zal ik verder geen aandacht besteden.
Zie HvJ EG 10 april 1984, zaak 14/83, Jur. 1984, p. 1891 (Von Colson en Kamann).
Zie HvJ EG 5 oktober 2004, zaken C-397/01 t/m C-430/04, Jur. 2004, p. 1-8835 (Pfeiffer).
In Vzngr. Rb. Rotterdam 3 september 2008, JOR 2008/274 m.nt. G.T.J. Hoff (Numico B.V/AFM) heeft de voorzieningenrechter bijvoorbeeld geweigerd de uitstelregeling van art. 5:59 lid 3 (oud) Wft richtlijnconform uit te leggen. De voorzieningenrechter oordeelde: 'Een richtlijnconforme uitleg dan wel een rechtstreekse toepassing van deze richtlijnen mag immers niet leiden tot een beperking van de uitzonderingen op artikel 5:59, eerste lid, van de Wft, omdat dit neerkomt op een uitbreiding van de strafbaarstelling als bedoeld in artikel 1:80, eerste lid, van de Wft in verbinding met de bijlage bij dit artikel, hetgeen in strijd zou komen met de rechtszekerheid.' Zie voor deze zaak verder § 5.14.
Zie HvJ EG 4 juli 2006, zaak C-212/04, Jur. 2006, p. 1-6057 (Adeneler).
Bij Europese richtlijnen is de directe werking daarvan in de nationale rechtsorde — in tegenstelling tot verordeningen waar de directe werking in de rechtsorde van de lidstaten voortvloeit uit hun rechtstreekse toepasselijkheid (art. 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) — een uitzondering. Uitgangspunt is dat richtlijnen eerst door de lidstaten omgezet dienen te worden in nationale voorschriften. Is een richtlijn correct omgezet in nationale voorschriften, dan zal de nationale rechter de nationale voorschriften moeten toepassen en behoeft hij in beginsel geen acht meer te slaan op de aan de nationale voorschriften ten grondslag liggende richtlijn. Dit wordt anders indien een richtlijn niet, te laat of incorrect is omgezet in nationale voorschriften. De nationale rechter zal in dat geval de Europese richtlijn in zijn beoordeling moeten betrekken. Om louter praktische redenen beperk ik mij hierna tot de hypothetische situatie dat bepalingen van een richtlijn incorrect zijn omgezet in nationale voorschriften.1 Op welke wijze zou de nationale rechter de onverenigbaarheid van nationale voorschriften met bepalingen van een richtlijn kunnen redresseren?
Eén van de methoden waarmee verzekerd kan worden dat de volle werking aan een richtlijn in de nationale rechtsorde van een lidstaat wordt gegeven, is richtlijnconforme interpretatie.2 Onder richtlijnconforme interpretatie wordt verstaan dat de nationale rechter de niet juist omgezette nationale voorschriften zoveel mogelijk uitlegt in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijnbepalingen.3 Aldus kunnen op eenvoudige wijze ontoelaatbare afwijkingen van een richtlijn in de nationale voorschriften, bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van afwijkende begrippen, geredresseerd worden. In feite is de nationale rechter daarmee eindverantwoordelijk geworden voor de doorwerking van een Europese richtlijn in de nationale rechtsorde.
De nationale rechter is verplicht tot richtlijnconforme interpretatie. Overigens geldt die plicht tot richtlijnconforme interpretatie niet alleen voor de nationale rechter, maar ook voor het bestuur (waartoe mede de aangewezen bevoegde autoriteit als bedoeld in de Richtlijn marklmisbruik gerekend mag worden). De grondslag van deze plicht tot richtlijnconforme interpretatie is te vinden in de verbindende kracht van de richtlijnen (art. 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en het beginsel van gemeenschapstrouw (art. 10 EG-Verdrag (oud)). Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft daaraan als grondslag nog toegevoegd dat de plicht tot richtlijnconforme interpretatie van nationale omzettingsvoorschriften zelfs "inherent aan het systeem van het Verdrag" is .4
Ondertussen kent de plicht tot richtlijnconforme interpretatie ook haar grenzen. Die grenzen zijn de algemene rechtsbeginselen van het gemeenschapsrecht. Een voorbeeld van een dergelijk algemeen rechtsbeginsel is het legaliteitsbeginsel. Zo mag de nationale rechter op grond van dit beginsel nationale omzettingsvoorschriften niet richtlijnconform uitleggen indien dat ertoe zou leiden dat een bepaalde gedraging met terugwerkende kracht strafbaar zou worden.5 Richtlijnconforme interpretatie is evenmin mogelijk indien de bewoordingen van de uit te leggen nationale omzettingsvoorschriften een richtlijnconforme uitleg niet toelaten. Een verplichting voor de nationale rechter tot een uitleg contra legem bestaat niet.6