Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.4.2
7.4.2 Het ontstaan van een stelsel van 'binding precedents'
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579487:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Goodhart 1934, p. 58-60; Allen 1964, p. 187 e.v.; Zwalve 2000, p. 72-74.
Zie hierover Wesley-Smith 1987, p. 73-80; Evans 1987, p. 36-37; Cross & Harris 1991, p. 27-33; Bankowski, MacCormick & Marshall 1997, p. 330-331; Zwalve 2000, p. 72-73.
Aldus Blackstone 1876, p. 47-48.
Vgl. Evans 1987, p. 37; Zwalve 2000, p. 73.
Evans 1987, p. 67-72; Wesley-Smith 1987, p. 74.
Wesley-Smith 1987, p. 80-83.
Vgl. Cross & Harris 1991, p. 4-5.
Evans 1987, p. 66-67; Wesley-Smith 1987, p. 84.
Zie met name Mirehouse v. Rennell (1833) 1 Cl. & F. 527, 546 per Parke J: 'for the sake of attaining uniformity, consistency and certainty, we must apply those rules, where they are not plainly unreasonable and inconvenient (-); and we are not at liberty to reject them, and to abandon all analogy to them, in those to which they have not yet been judiciaUy applied, because we think that the rules are not as convenient and reasonable as we ourselves could have devised', alsmede Beamish v. Beamish (1861) 9 HL Cas. 273, 339 per
[1898] AC 375, 379.
Zie over de precieze uitwerking van een en ander hierna § 7.4.3.
Vgl. Adams 2002, p. 14; zie over de betekenis van dit adagium voorts Cross & Harris 1991, p. 100-101.
Zie Cross & Harris 1991, p. 24; Zwalve 2000, p. 71-72; Dias 1985, p. 126.
Van oudsher wordt in het Engelse rechtssysteem een bijzondere waarde gehecht aan eerdere rechterlijke uitspraken. Dit hangt samen met het feit dat Engeland - anders dan de verschillende continentale rechtssystemen - nooit een alomvattende codificade heeft gekend. Het vasthouden aan precedenten was bij een dergelijk, hoofdzakelijk op ongeschreven recht gebaseerd, stelsel dus min of meer noodzakelijk om in elk geval een zekere mate van rechtszekerheid te waarborgen.1
Tot ongeveer de tweede helft van de negentiende eeuw werd echter, anders dan tegenwoordig, geen strikte binding aan precedenten aangenomen. Een belangrijke oorzaak hiervan wordt gevormd door de op dat moment heersende leer ten aanzien van de status van jurisprudentie: de 'declaratory theory'.2 Zoals in § 7.3 al werd besproken, creëren rechters in deze visie geen nieuw recht, maar stellen zij in hun uitspraken slechts het recht vast zoals dat voordien reeds gold. Precedenten werden dientengevolge slechts beschouwd als bewijs ('evidence') van het geldende recht - de common law.3 Aan incidentele beslissingen werd dan ook geen al te sterke binding toegekend; daarvan was eerst sprake wanneer een gevestigde lijn in de rechtspraak was ontstaan.4
De 'declaratory theory' was tot ongeveer halverwege de negentiende eeuw dominant. Vanaf dat moment werd zij meer en meer verdrongen door positivistisch georiënteerde theorieën.5 Als gevolg hiervan vond een verschuiving plaats van rechtspraak als louter kenbron naar rechtspraak als (echte) rechtsbron.6 Allengs won de gedachte veld dat ook één enkele uitspraak een bindend precedent kan opleveren waarvan in latere gevallen niet meer mag worden afgeweken, ook niet indien de latere rechter het precedent onjuist acht.7 Daarnaast kwam gedurende de negentiende eeuw de rechtszekerheid in toenemende mate centraal te staan, hetgeen eveneens ertoe leidde dat een grotere waarde aan precedenten werd gehecht.8 Deze ontwikkeling culmineerde - na enkele eerdere aanzetten daartoe9- in 1898 in de zaak London Tramways v. London County Council,10 waarin het House of Lords uitdrukkelijk een absolute gebondenheid aan zijn eerdere uitspraken aanvaardde:
"that a decision of this House once given upon a point of law is conclusive upon this House afterwards, and that it is impossible to raise that question again as if it was res integra and could be reargued, and so the House to be asked to reverse its own decision."
Aldus was de basis gelegd voor het thans in Engeland geldende systeem van (zeer) strikte binding aan precedenten: de lagere rechters zijn (behoudens zeêr eng omschreven uitzonderingen) gebonden aan de uitspraken van hogere rechters en de hogere rechters zijn bovendien gebonden aan hun eigen uitspraken.11 Deze stand van zaken wordt ook wel weergegeven met het adagium 'stare decisis et quieta non movere' (kortweg: stare decisis): blijven bij datgene wat is besloten, en hetgeen tot rust is gekomen niet meer bewegen.12
Het ontstaan van dit precedentenstelsel werd overigens niet slechts veroorzaakt door de ondergang van de 'declaratory theory'. Andere belangrijke oorzaken voor deze ontwikkeling zijn geweest de herziening van de Engelse rechterlijke organisatie in de tweede helft van de negentiende eeuw (waardoor de rechtspraak volledig hiërarchisch georganiseerd werd) en het ontstaan van een deugdelijk systeem voor de publicatie van rechterlijke uitspraken.13 Eerst nadat aan deze voorwaarden was voldaan kon het systeem van gebondenheid aan precedenten volwaardig functioneren.