RvdW 2025/622:Caribische zaak. Poging tot doodslag (art. 300 Sr BES), voorhanden hebben van vuurwapen en munitie (art. 3 lid 1 Vuurwapenwet BES) en vernieling van auto (art. 366 lid 1 Sr BES) op Bonaire. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Redengevendheid bewijsmiddelen, innerlijke tegenstrijdigheid b.m., verweer dat getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn, bewijsminimum, art. 385 lid 3 BES (unus testis), en bevindingen die niet door verbalisant zelf zijn waargenomen. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Kern van b.m. is dat verdachte iets heeft geroepen en op aangever, die op dat moment net uit zijn auto was gestapt, heeft geschoten, hetgeen wordt ondersteund door de in auto van aangever aangetroffen kogelinslag die er voor incident nog niet zat. Wat verdachte precies heeft gezegd en hoe vaak hij daarbij heeft geschoten, is voor bewezenverklaring van ondergeschikte betekenis. Hof heeft grote waarde gehecht aan direct na schietincident afgelegde verklaringen en alleen deze verklaringen voor bewijs gebruikt. Ook heeft hof overwogen dat verklaringen van aangever en getuigen grotendeels en op belangrijke punten consistent zijn en dezelfde situatie beschrijven. Wat betreft herkenning van verdachte door getuigen heeft hof overwogen dat beiden verdachte goed kennen en hem hebben herkend aan zijn stem, postuur en manier van lopen. Gelet hierop heeft hof voldoende gerespondeerd op betrouwbaarheidsverweer dat namens verdachte is gevoerd. Volgt verwerping.