Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/6.4.5
6.4.5 Wijziging in het effectenhoudersbestand
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS499947:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan een vrijwillig openbaar bod, maar ook aan een verplicht bod. Ingevolge art. 5:70 lid 1 j° art. 1:1 Wft is de effectenhouder die 30% of meer van de stemrechten verwerft — behoudens de toepasselijkheid van een vrijstelling — vetplicht een openbaar bod uit te brengen op de resterende effecten.
Zie voor deze meldingsplicht Grundmann-van de Krol (2010), p. 407 e.v. met verdere literatuurverwijzingen.
Voorgesteld is om de eerste drempelwaarde voor een melding van kapitaal en zeggenschap voortaan op 3% te stellen. Zie de Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Govemance van 30 mei 2007 (Kamerstukken II, 2008-2009, 32 014). Als argumenten vóór invoering van deze drempelwaarde, die overigens geen grondslag heeft in de Transparantie-richtlijn, worden genoemd: (i) dat deze drempelwaarde ook in de ons omringende landen wordt toegepast (bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk en Duitsland) en (ii) dat het bestuur van de uitgevende instelling dankzij de invoering van deze drempelwaarde in een vroeg stadium zal weten wie haar grotere aandeelhouders zijn, zodat zij bijvoorbeeld gerichter met hen kan communiceren. Zie Kamerstukken II, 2008-2009, 32 014, nr. 3, p. 7.
Een belangrijke verandering in (de spreiding van) het effectenhoudersbestand van een uitgevende instelling zal koersgevoelig kunnen zijn. Dit kan het geval zijn wanneer een partij een belang opbouwt en daarmee bijvoorbeeld invloed wil uitoefenen op de strategie van de onderneming. Ontbreekt een dergelijk oogmerk, dan zal de opbouw van een belang voor de uitgevende instelling minder snel koersgevoelig zijn. Ook kan de opbouw van een belang een voorbode zijn van een ophanden openbaar bod1 of een strategische samenwerking. Is de uitgevende instelling met een relevante opbouw van een belang bekend, dan kan dit voor de uitgevende instelling voldoende reden zijn om de openbaarmakingsplicht na te leven. Weer een ander voorbeeld van een wijziging van het effectenhoudersbestand is de uitgifte van preferente beschermingsaandelen aan een voor dat doel opgerichte stichting continuïteit.
In dit verband moet nog gewezen worden op de meldingsverplichtingen van aandeelhouders en (andere) stemgerechtigden op grond van hoofdstuk 5.3 van de Wet op het fmancieel toezicht.2 Zowel op degene die de beschikking verkrijgt of verliest over een kapitaalbelang als op degene die de beschikking verkrijgt of verliest over stemmen kan een meldingsplicht rusten. De drempelwaarden voor de meldingsplicht zijn: 5%, 10%, 15%, 20%, 25%, 30%, 40%, 50%, 60%, 75% en 95%3 Deze meldingsplicht heeft tot doel om beleggers, door het zorgen voor transparantie in de zeggenschap- en kapitaalbelangen in uitgevende instellingen, inzicht te bieden in ontwikkelingen in de zeggenschap- en kapitaalverhoudingen in deze ondernemingen, in de mate waarin de aandelen in deze ondernemingen vrij verhandelbaar zijn en in het bestaan van eventuele concentraties van aandelen of stemmen alsmede belangenverstrengelingen. Door deze informatie zijn beleggers in staat om beter geïnformeerd en onderbouwd een beoordeling te maken van de aandelen waarin zij mogelijk transacties willen verrichten.
Hoofdstuk 5.3 van de Wet op het financieel toezicht bevat eveneens regels voor de meldingsplicht van uitgevende instellingen omtrent wijzigingen in het kapitaal en/of stemmen die op de aandelen kunnen worden uitgebracht en omtrent de uitgifte of intrekking van met medewerking van de uitgevende instelling uitgegeven certificaten van aandelen.