Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.3.2
6.2.3.2 Binding van rechters die een rechtersregeling (mede) hebben vastgesteld
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577099:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name § 4.4.5.
Zie over complicaties die zich hierbij kunnen voordoen met name § 6.3.6.
Zie Bovend'Eert 1999, p. 10. In deze zin ook Rb. Leeuwarden 24 juli 2000, NJ 2000, 696: 'Een president van een rechtbank heeft geen enkele aanwijzingsbevoegdheid dan wel zeggenschap bij het nemen van beslissingen door rechters van die rechtbank.'
Zie hierover uitgebreider § 5.2.3.2.
In deze zin mogelijk Brenninkmeijer 2001a, p. 69.
Zie §3.2.2.
Zie § 3.2.3 en § 3.2.4.
Al kunnen bij de vaststelling van rechtersregelingen, met name op het procedurele vlak, ook interne efficiencyoverwegingen een (belangrijke) rol spelen (vgl. in deze zin Pari. Gesch. Herz. Wet RO, p. 202).
Zie hierover § 6.3.
Vgl. hetgeen hierover in § 1.4 is opgemerkt; zie ook Terlouw 2003, p. 293-302. Ook is denkbaar dat het feit dat een rechter zich niet aan een bepaalde rechtersregeling wenst te conformeren, in evaluatie- of functioneringsgesprekken met die rechter aan de orde wordt gesteld (vgl. hierover AUewijn & Brenninkmeijer, p. 264-265).
De binding van rechters die een rechtersregeling (mede) hebben vastgesteld is in het voorgaande al meerdere malen aan de orde gekomen.1Ik kan hier dan ook volstaan met enkele korte opmerkingen hierover. Deze vorm van binding ontstaat primair ten opzichte van (potentiële) partijen, als gevolg van de werking van het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. De keerzijde hiervan is dat partijen dan ook in beginsel aanspraak kunnen maken op naleving van een rechtersregeling door de rechter. Of deze aanspraak steeds in rechte geëffectueerd kan worden is overigens een andere vraag. In de praktijk zal dit niet in alle gevallen mogelijk blijken te zijn.2
Een vraag die hierbij afzonderlijk aandacht behoeft, is of de hier bedoelde binding ook bestaat jegens andere bij een rechtersregeling betrokken rechters - bijvoorbeeld andere rechters binnen het eigen gerecht. Kan bijvoorbeeld de president van een rechtbank een rechter die zich (structureel) niet aan een rechtersregeling houdt, dan wel zonder enige motivering daarvan afwijkt, hierop aanspreken én (direct of indirect) naleving afdwingen?
Onder de oude Wet RO, zoals die tot 1 januari 2002 gold, kon een rechter ten aanzien van de door hem te nemen beslissingen geen concrete aanwijzingen van andere rechters krijgen, ook niet van de president van zijn gerecht.3 De herziening van de rechterlijke organisatie4 heeft op dit punt geen wezenlijke veranderingen gebracht. In art. 24 lid 1 van de herziene Wet RO is weliswaar een bevoegdheid voor het gerechtsbestuur tot het geven van 'algemene en bijzondere aanwijzingen' opgenomen, maar deze bevoegdheid betreft uitsluitend onderwerpen die tot de bedrijfsvoering van het gerecht (zoals gedefinieerd in art. 23 lid 1 RO) kunnen worden gerekend. In het tweede lid van art. 24 RO wordt expliciet bepaald dat het bestuur bij het geven van aanwijzingen niet mag treden in (kort gezegd) de behandeling en beslissing van een concrete zaak of van categorieën van zaken. Het is dus niet mogelijk dat een bepaalde autoriteit binnen het gerecht (in dit verband: het gerechtsbestuur) een rechter rechtstreeks opdraagt zaken op een bepaalde wijze, conform een geldende rechtersregeling, te beslissen.
Wél kan de president van een rechtbank of gerechtshof, op grond van art. 46c lid 1 jo. art. 46d lid lvan de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra), aan rechters binnen zijn gerecht de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing opleggen, indien zij "de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of ambtsplichten verwaarlozen". Voorts kan de Hoge Raad een rechter ontslaan (onder andere) wegens 'handelen of nalaten dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen' (zie art. 46c lid 2 jo. art. 46d lid 2 Wrra). Zou nu gesteld kunnen worden dat een rechter die zich (stelselmatig en doelbewust) niets van een rechtersregeling aantrekt, daarmee ernstige schade toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak en het daarin te stellen vertrouwen, of althans zijn ambtsbezigheden of ambtsplichten verwaarloost?5
Een dergelijke redenering lijkt mij al snel in strijd te komen met de strekking van de rechterlijke onafhankelijkheid. De (functionele) onafhankelijkheid van de rechter houdt immers onder meer in dat de rechter zijn beslissing dient te kunnen baseren op zijn eigen, vrije oordeelsvorming omtrent de feiten én de rechtsgronden.6 Dit is de reden dat de rechter geen concrete aanwijzingen van anderen kan krijgen ten aanzien van de door hem in een bepaalde zaak te nemen beslissing. Indien evenwel een rechter wegens bepaalde concrete beslissingen, hoezeer ook rechtens onjuist, ontslagen zou kunnen worden, zou hij - zij het indirect - eveneens gedwongen kunnen worden, op een bepaalde wijze te beslissen. Weliswaar is de rechter nooit volledig vrij bij zijn beslissing: hij is daarbij immers in beginsel gebonden aan de geldende rechtsregels (met inbegrip van bepaalde rechtersregelingen), hetgeen als zodanig niet in strijd komt met de rechterlijke onafhankelijkheid.7 De dreiging van disciplinaire maatregelen of zelfs ontslag bij met-machmerning van de geldende rechtsregels lijkt mij, behoudens wellicht exceptionele gevallen, echter een stap te ver. De rechter zou zich daardoor mogelijk niet vrij meer achten, te bezien of een geldende rechtsregel in een bepaald geval wellicht aanpassing, nuancering of afwijking behoeft, hetgeen sterk afbreuk zou doen aan de hiervóór omschreven strekking van de rechterlijke onafhankelijkheid.
Bij het voorgaande kan voorts opgemerkt worden dat rechtersregelingen primair in het belang van (potentiële) partijen worden vastgesteld, en niet zozeer in het belang van de gerechten.8 Dit in aarimerking nemend acht ik het voldoende dat de partijen, op grond van de werking van algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel, aanspraak hebben op naleving van een rechtersregeling door de rechter. In bepaalde gevallen, zij het zeker niet altijd, zal deze aanspraak ook daadwerkelijk in rechte, bij een hogere rechter, kunnen worden geëffectueerd.9
Geconcludeerd kan worden dat, formeel gezien, de andere rechters binnen een gerecht, noch de president daarvan, door middel van bepaalde sancties kunnen bewerkstelligen dat een rechter zich aan een rechtersregeling houdt. Dit neemt uiteraard niet weg dat een bepaalde mate van 'informele' binding aan rechtersregelingen, met name binnen het eigen gerecht, in veel gevallen wél zal bestaan.10