Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.3.5:6.2.3.5 Conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.3.5
6.2.3.5 Conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577089:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf is besproken welke personen precies aan een rechtersregeling die tot het recht in de zin van art. 79 RO behoort, gebonden kunnen zijn. Uitgangspunt is dat de binding aan een rechtersregeling relatief is: zij geldt in beginsel slechts voor bepaalde rechters, en dan nog alleen jegens de procespartijen. Echter, soms kunnen ook anderen in bepaalde mate gebonden zijn aan een rechtersregeling.
Voor andere (hogere) rechters kan een rechtersregeling hooguit een 'indirecte' binding opleveren, hetgeen inhoudt dat zij een rechtersregeling kunnen én moeten hanteren als toetsingsmaatstaf voor de beoordeling van een beslissing van de lagere rechter. Dit is echter alleen mogelijk in die gevallen waarin de hogere rechter niet is gehouden tot een volledig nieuwe behandeling en beslissing in de zaak. Concreet gesproken doet deze situatie zich voor bij het hoger beroep van bepaalde beslissingen van louter procedurele aard, alsmede in cassatie.
Ook partijen kunnen in sommige gevallen gebonden zijn aan een rechtersregeling. Een typisch voorbeeld hiervan vormen rolreglementen, nu aan de niet-naleving van de in dergelijke rechtersregelingen neergelegde gedragsvoorschriften door de rechter veelal (processuele) consequenties verbonden kunnen worden. Als gevolg hiervan zijn ook partijen in bepaalde gevallen feitelijk verplicht zich aan een rechtersregeling te houden, niet slechts jegens de rechter, maar ook jegens elkaar.