Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.3.4
6.2.3.4 Binding van partijen
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575951:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name § 4.4.5.
Deze sanctie volgt overigens ook reeds uit de wet, nl. uit art. 133 lid 4 Rv.
Zie §4.4.4.3.
HR 16 november 2001, NJ 2002, 401 m.nt. HJS.
Hof 's-Gravenhage 1 augustus 2001, LJN-nr. AD 4714.
Zie §4.4.4.3.
Zie over deze eis nader § 5.3.
En juist om deze reden mag niet te spoedig worden aangenomen dat van 'behoorlijke bekendmaking' van een rechtersregeling sprake is (zie § 5.3.2).
Vgl. in deze zin Hof 's-Gravenhage 5 juni 2002, LJN-nr. AE 5126, alsmede Hof 's-Gravenhage 15 augustus 2001, LJN-nr. AD 3839.
Zie hierover Bröring 1998, nr. 68, die tevens verwijst naar de MvT bij de Awb, waarin door de wetgever expliciet is opgemerkt dat beleidsregels voor een bestuursorgaan alleen maar zin hebben als het zich tegenover de burger daarop kan beroepen.
Zie met name Van Kreveld 1983, p. 188-189; zie voorts Van Ommeren 1996, p. 315-322.
Zie Konijnenbelt & Van Male 2002, p. 228; Klap & Olivier 1998, p. 779; Van Kreveld 1983, p. 199-205.
Vgl. § 4.4.6.2, sub d.
Vgl. hetgeen hierover in § 6.2.2.2 is opgemerkt.
Zie in deze zin reeds de Conclusie van A-G Asser (sub 3.19) voor HR 10 september 1993 (Fonville/Woningbouwvereniging), N] 1994, 507 m.nt. HJS.
In het voorgaande is al meerdere malen ter sprake gekomen dat een rechtersregeling, via de werking van algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids-en het vertrouwensbeginsel, theoretisch gezien de rechter jegens partijen bindt.1 In de praktijk blijkt evenwel ook het omgekeerde mogelijk te zijn en zal de rechter in bepaalde gevallen van partijen kunnen verlangen dat zij zich aan een rechtersregeling houden. Een goed voorbeeld hiervan vormen rechtersregelingen die behoren tot het type 'rolreglement', omdat juist daarin vaak bepaalde gedragsvoorschriften aan partijen worden opgelegd.
Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken, zien we dat daarin een groot aantal verplichtingen voor de procespartijen is opgenomen. In het reglement zijn onder meer bepalingen te vinden omtrent de wijze waarop stukken moeten worden ingediend, de termijnen die door partijen in acht moeten worden genomen en de wijze waarop, alsmede de voorwaarden waaronder eventueel uitstel daarvan verkregen kan worden. De gebondenheid van partijen hieraan wordt benadrukt door art. 1.3 LRr, dat onder meer bepaalt:
"Partijen zijn gebonden aan de wijze en termijnen van procesvoering als in dit reglement voorzien, tenzij op hun eenstemmig, vóór de eerste roldatum gedaan, verzoek de rechter een daarvan afwijkende procesvoering toestaat."
Hieraan voegt art. 1.5 LRr toe:
"Bij niet naleving van een in dit reglement gegeven voorschrift zal de rechter daaraan het gevolg verbinden dat hem met het oog op de aard van het voorschrift en de ernst van het verzuim passend voorkomt."
Daarnaast is in art. 1.7 LRr nog een andere sanctiemogelijkheid opgenomen, te weten het (ambtshalve) verlenen van een 'akte van niet-dienen' wanneer een proceshandeling niet is verricht binnen de gestelde termijn en daarvan geen uitstel kan worden verkregen. Het recht de desbetreffende proceshandeling te verrichten komt alsdan geheel te vervallen.2
Een soortgelijk voorbeeld biedt het Procesreglement scheidingsprocedure van de gezamenlijke rechtbanken. Hierin wordt onder meer aan partijen de verplichting opgelegd bij indiening van het verzoekschrift een groot aantal bescheiden over te leggen (art. 2.2), alsmede de verplichting om het originele betekeningsexploot als bedoeld in art. 816 Rv binnen vier weken ter griffie in te dienen (art. 4.2). Niet-naleving van deze verplichtingen leidt, tenzij sprake is van klemmende redenen, tot niet-ontvankelijkheid.
Als gevolg van de hier genoemde processuele sancties zullen partijen in elk geval de facto gedwongen zijn, zich te houden aan de in een rol- of procesreglement opgenomen voorschriften. De vraag is hoe deze feitelijke gebondenheid van pardjen aan een dergelijk reglement (en meer in het algemeen aan rechtersregelingen) zich verhoudt tot het uitgangspunt dat een rechtersregeling juist zeZ/binding van de rechter jegens partijen inhoudt.
Ten aanzien van deze vraag kan in de eerste plaats worden opgemerkt dat in een rechtersregeling (evenals overigens in een individuele rechterlijke beslissing) hoe dan ook geen verdergaande verplichtingen aan partijen kunnen worden opgelegd dan de wet of andere hogere rechtsregels toelaten.3 Hetzelfde geldt voor de eventueel door een reglement gestelde sancties. In voorkomend geval zal dus eerst bezien moeten worden in hoeverre de door een rol- of procesreglement opgelegde verplichtingen en sancties door de wet worden toegelaten. Zo besliste de Hoge Raad in het arrest Ajax/Valk4 dat het stellen van de (in de wet niet met zoveel woorden opgenomen) eis dat bij inschrijving van een zaak op de rol de complete en originele appeldagvaarding en eventueel herstelexploot moeten worden overgelegd, 'strookt met de eisen van een behoorlijke rechtspleging'. Het Hof 's-Gravenhage overwoog met betrekking tot het Procesreglement scheidingsprocedure dat de wet, die niets bepaalt over de termijn waarbinnen het betekeningsexploot als bedoeld in art. 816 Rv moet worden ingediend, de rechter toestaat hiervoor een termijn van vier weken te stellen. Ook de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij niet-naleving van deze termijn achtte het hof niet in strijd met de wet.5 Is een in een rechtersregeling neergelegde verplichting of sanctie wél in strijd met de wet (of met andere hogere rechtsregels), dan is deze uiteraard 'onverbindend'.6
In de tweede plaats moet bedacht worden dat een rechtersregeling pas tot (directe) gebondenheid van de rechter kan leiden indien deze 'behoorlijk bekendgemaakt' is.7 Dit bekendmakingsvereiste brengt tevens mee, dat de in een rechtersregeling neergelegde verplichtingen voor partijen tevoren kenbaar zijn.8 Het is dan niet onredelijk dat deze regels vervolgens, zo nodig, ook jegens partijen kunnen worden toegepast.9
Tot slot kan worden gekeken naar bestuurlijke beleidsregels, waarbij zich min of meer hetzelfde verschijnsel voordoet. Ook ten aanzien van dergelijke regels geldt dat zij theoretisch bezien alleen het bestuur ten opzichte van de burger kunnen binden. Een beleidsregel behelst immers in feite niet meer dan een in algemene termen gestelde toezegging van het bestuur, hoe het in toekomstige gevallen zal handelen. In de praktijk blijken beleidsregels echter ook door het bestuur aan de burger te kunnen worden tegengeworpen: het bestuur kan zich tegenover de burger op zijn beleidsregels beroepen10 en (dus) verwachten dat burgers zich houden aan eventuele voorschriften die daarin zijn opgenomen. Ook dit strookt op het eerste gezicht niet geheel met het 'zelfbindende' karakter van beleidsregels.
In de literatuur wordt dit probleem wel opgelost met een beroep op het consistentiebeginsel (een verschijningsvorm van het verbod van willekeur).11 Dit beginsel brengt namelijk niet alleen met zich dat het bestuur beleid moet voeren, maar ook dat het bestuur zich aan zijn beleid, zoals bijvoorbeeld neergelegd in een beleidsregel, houdt. Wanneer te spoedig, of zelfs 'zomaar' van een beleidsregel wordt afgeweken is geen sprake meer van een consistente uitoefening van de desbetreffende bestuursbevoegdheid.12
Deze redenering spreekt met name aan voor situaties waarin belangen van derden in het geding zijn, bijvoorbeeld wanneer in een beleidsregel is vastgelegd in welke gevallen een bepaalde vergunning verleend zal worden. Door de vaststelling en bekendmaking van die beleidsregel wordt óók bij derden (bijvoorbeeld omwonenden) het vertrouwen gewekt dat conform de regel zal worden gehandeld. Dit betekent dat het bestuur in het gegeven voorbeeld van de aanvrager van een vergunning ook kan (én moet) verlangen dat hij aan de door de beleidsregel gestelde voorwaarden voldoet.
In dit opzicht doet zich bij rechtersregelingen een vergelijkbare situatie voor, aangezien ook daarbij steeds (tenrrünste) twee procespartijen betrokken zijn.13 De werking van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging (waarop de binding van de rechter aan een rechtersregeling immers berust) brengt met zich, dat beide pardjen in gelijke mate erop mogen vertrouwen dat de rechter zich aan een voor hem geldende rechtersregeling zal houden. Partijen mogen niet alleen verwachten dat, wanneer zij bijvoorbeeld aan de door een rolreglement gestelde voorwaarden voor uitstel voldoen, dit uitstel ook verleend zal worden zonder dat alsnog nadere voorwaarden gesteld worden; omgekeerd zullen zij er evenzeer op mogen vertrouwen dat, wanneer de wederpartij niet aan de voorwaarden voor uitstel voldoet, uitstel inderdaad geweigerd zal worden. Weliswaar kan de rechter in bijzondere omstandigheden van een rechtersregeling afwijken, maar hij zal dat, (mede) gezien deze gerechtvaardigde verwachtingen aan weerszijden, niet spoedig mogen doen.14
Het voorgaande impliceert dat een rechtersregeling bovendien een zekere horizontale werking kan hebben: partijen mogen niet alleen van de rechter (en vice versa) maar ook van elkaar verwachten dat zij zich aan een zodanige regeling houden.15 Dit laatste zal overigens pas door tussenkomst van de rechter geëffectueerd kunnen worden. Indien bijvoorbeeld een partij een (peremptoire) termijn voor de mdiening van een bepaald processtuk niet naleeft, kan immers slechts de rechter daaraan de consequentie verbinden dat het recht daartoe komt te vervallen. De werking van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging ten opzichte van beide pardjen brengt met zich dat de rechter dit, behoudens de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden, dan ook móet doen. Onvermijdelijk gevolg hiervan is dat partijen de facto verplicht zijn zich te houden aan de in een rechtersregeling opgelegde verplichtingen. Problematisch acht ik dit niet, nu als gezegd de aan partijen opgelegde verplichtingen niet verder mogen gaan dan de wet reeds toelaat, en ze bovendien door de bekendmakingseis voor partijen tevoren kenbaar zijn.