Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.4.4.1:9.4.4.1 Inleiding
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.4.4.1
9.4.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456635:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het overzicht in de vorige paragraaf blijkt dat bij het financiële deskundigenonderzoek in familierechtelijke zaken bij het Gerechtshof Den Haag de raadsheer- commissaris een aantal taken uitoefent die in de enquêteprocedure niet door de raadsheer-commissaris, maar door de Ondernemingskamer worden uitgeoefend. Dit toont aan dat een andere verdeling van de taken tussen raadsheer-commissaris en Ondernemingskamer mogelijk is. Voorts zijn er in de enquêteprocedure een aantal specifieke taken die nu door de Ondernemingskamer of haar voorzitter worden uitgeoefend, maar die ook aan de raadsheer-commissaris zouden kunnen worden toebedeeld. In het onderstaande benoem ik een aantal van die taken en bespreek ik of die ook door de raadsheer-commissaris zouden kunnen worden uitgeoefend. Ook zal ik enkele mogelijke nieuwe taken voor de raadsheer-commissaris bespreken.
Er zijn drie redenen waarom het overweging verdient de raadsheer-commissaris een grotere rol in de enquêteprocedure te geven. De eerste reden is dat dit efficiënter is voor de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer telt drie raadsheren en twee raden. Zij is chronisch overbelast. Sommige minder belangrijke beslissingen, die niet de kern van de enquêteprocedure raken, zouden zonder bezwaar door een alleensprekende raadsheer-commissaris kunnen worden genomen. De tweede reden is dat het een efficiënte uitvoering van het onderzoek zelf kan bevorderen. De raadsheer-commissaris kan sneller dan de voltallige Ondernemingskamer beslissen op geschillen die in het onderzoek opkomen. Dat geldt temeer daar hij laagdrempelig kan worden ingeschakeld en de procedure informeel blijft, overigens zonder afbreuk te doen aan procedurele waarborgen. De derde reden is dat het toezicht op het onderzoek efficiënter wordt. Zoals in § 7.3.4.3 uiteengezet, verwijst de Ondernemingskamer klachten over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd nu vaak door naar de tweedefaseprocedure. Dat is veelal mosterd na de maaltijd, omdat het lang niet altijd tot een tweedefaseprocedure komt, maar het verslag wel een eigen leven kan gaan leiden als het in een vervolgprocedure wordt overgelegd of ter inzage wordt gelegd voor eenieder. En als het wel tot een tweedefaseprocedure komt, is de drempel voor de Ondernemingskamer om gebreken in de onderzoeksfase te herstellen heel hoog, omdat dit de procedure vertraagt en tot extra kosten leidt.
Het is evenwel niet wenselijk om door te schieten en te veel taken naar de raadsheer-commissaris over te hevelen. In de eerste plaats moet de raadsheer-commissaris, zoals Leijten en Nieuwe Weme het fraai formuleren, niet als een soortnon-executive onderzoeker medeverantwoordelijk worden voor het inhoudelijke resultaat van het onderzoek.1 Hij moet geen onderzoeksleider worden, laat staan raadsheer-enquêteur.2 De bemoeienis van de raadsheer-commissaris laat de verantwoordelijkheid van de onderzoekers voor het onderzoek onverlet. Hij is toezichthouder op het onderzoek: niet meer dan dat. In de tweede plaats moeten de kernbeslissingen in de enquêteprocedure, ook nadat het onderzoek is gelast, bij de Ondernemingskamer blijven berusten. De raadsheer-commissaris moet niet in zijn eentje de enquêteprocedure gaan behandelen.3 Kernbeslissingen zijn bijvoorbeeld het treffen van onmiddellijke voorzieningen, het uitbreiden van de onderzoeksopdracht en het beëindigen van het onderzoek. In de derde plaats moet de raadsheer- commissaris in beginsel ook betrokken kunnen worden bij vervolgbeschikkingen van de Ondernemingskamer.4 Dat kan alleen als hij niet gedurende het onderzoek informatie heeft verkregen die niet bij alle partijen bekend is (artikel 19 lid 1 Rv). Ten slotte meen ik dat de raadsheer-commissaris de vrijheid moet hebben eventuele geschillen naar de Ondernemingskamer te verwijzen als hij meent dat hij ongeschikt is om alleen de beslissing te nemen (vergelijk artikel 16 lid 3 Rv).
Er is een aantal bevoegdheden die de raadsheer-commissaris onder het huidige recht al op grond van artikel 16 lid 5 Rv zou kunnen uitoefenen. Ik acht het echter wenselijk de bevoegdheid van de raadsheer-commissaris om dit te doen expliciet in de wet vast te leggen, zowel vanwege de consistentie met artikel 194 leden 4 en 5 Rv als om te voorkomen dat over de bevoegdheid van de raadsheer- commissaris geschillen ontstaan.