Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.4.7
6.4.7 Hoorplicht
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455462:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Anders: SER-advies 88/14, p. 33. De SER is van oordeel dat de onderzoeker de verzoeker, de rechtspersoon of eventuele andere belanghebbenden behoort te horen indien een of meer van hen daarom verzoekt.
Nota naar aanleiding van het verslag, Haantjes en Olden 2013, p. 181 (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 29-30).
Nota naar aanleiding van het verslag, Haantjes en Olden 2013, p. 182 (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 29-30).
Vgl. Van der Vlis 2000, p. 318; Den Boogert 2010, p. 196-197.
Zo ook Geerts 2004, p. 173; Timmerman & Thierry 2004, p. 219.
De onderzoekers hebben een grote mate van vrijheid bij het bepalen van de wijze waarop zij het onderzoek uitvoeren. Dit betekent dat de onderzoekers niet gehouden zijn om alle personen die tot het verstrekken van inlichtingen zijn verplicht, te horen.1 Er is geen absolute hoorplicht. Artikel 2:351 lid 4 BW bepaalt echter dat de onderzoekers degenen die in het verslag worden genoemd, in de gelegenheid moeten stellen om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben. Deze verplichting is volgens de minister in de Nota naar aanleiding van het verslag opgenomen teneinde foutieve bevindingen in het onderzoeksverslag zoveel mogelijk te voorkomen.2 Even verderop merkt de minister op dat de onderzoeker de belanghebbenden bij de procedure moet horen.3 In de toelichting op de Aandachtspunt 3.5 schrijft de Ondernemingskamer dat het beginsel van hoor en wederhoor inhoudt het – na tijdige aankondiging – horen van partijen en overige betrokkenen over het onderwerp van onderzoek en/of bepaalde gedeelten daarvan. Ik meen dat er geen verplichting voor de onderzoekers is om alle belanghebbenden te horen. Het hangt af van de vraag wie het betreft. Bestuurders en commissarissen van de rechtspersoon in de onderzoeksperiode zouden wat mij betreft in beginsel moeten worden gehoord, ongeacht of zij als belanghebbende een verweerschrift hebben ingediend.4 Daarentegen zou ik de onderzoekers niet willen verplichten om bijvoorbeeld aandeelhouders van een beursvennootschap die een verweerschrift heeft ingediend, te horen.
Verder brengt de verplichting hoor en wederhoor toe te passen mee dat degenen ten aanzien van wie in het verslag wezenlijke bevindingen worden vermeld, in beginsel door de onderzoekers moeten worden gehoord.5 Het is niet voldoende als zij alleen de gelegenheid krijgen om opmerkingen te maken over de inhoud van het conceptverslag. Uitzonderingen op dit beginsel lijken mij in bijzondere omstandigheden mogelijk. Indien een orgaan van de rechtspersoon een groot aantal leden telt en in het verslag niet de individuele leden maar het orgaan als zodanig wordt bekritiseerd, kan ik mij voorstellen dat de onderzoekers niet alle leden van het orgaan willen horen.