RvdW 2025/688:Herziening. Passieve ambtelijke omkoping bij (gemeentelijke) energiemaatschappij, art. 363 lid 1 (oud) Sr. Aangevoerd wordt dat (i) uit notulen van vergaderingen van Raad van Commissarissen van N.V. blijkt dat aanvrager geen opdracht had gekregen tot verkoop van B.V. als energieleveringstak van N.V. en dat aanvrager zich niet heeft beziggehouden met netbeheer en er strikte scheiding was tussen N.V. (waarvan aanvrager algemeen directeur/statutair bestuurder was) en B.V. (met eigen directie en eigen Raad van Commissarissen), zodat aanvrager geen ‘ambtenaar’ was, en (ii) aanvrager niet belast was met uitvoering van Splitsingswet, waarbij wordt gesteld dat het feit van algemene bekendheid is dat Splitsingswet pas vanaf januari 2008 in werking is getreden, terwijl aanvrager al op 14 februari 2006 met vertegenwoordiger van ander bedrijf had gesproken over verkoop van B.V., zodat Splitsingswet niet dwong tot verkoop van B.V. Art. 457 lid 1 sub c Sv. Onder (i) aangevoerde en ter ondersteuning daarvan bijgevoegde stukken wekken niet ernstig vermoeden a.b.i. art. 457 lid 1 sub c Sv, in aanmerking genomen dat hof heeft bewezenverklaard dat aanvrager, als bestuurder van N.V. (naamloze vennootschap waarvan alle aandelen in handen waren van gemeenten en waarvan kernfunctie was gelegen in uitvoeren van overheidstaak) € 1.000.000 heeft ontvangen van ander bedrijf ‘voor zijn ondersteuning bij overname van aandelen van B.V. door dat bedrijf’. Daartoe heeft hof o.m. vastgesteld dat functioneren van N.V. in overwegende mate werd beïnvloed door publiekrechtelijke lichamen, waardoor aanvrager (als algemeen directeur/statutair bestuurder) onder toezicht en controle van (gemeentelijke) overheid stond. Mede op deze laatste vaststelling heeft hof zijn oordeel gebaseerd dat aanvrager is aangesteld in functie waaraan openbaar karakter niet kan worden ontzegd en dat hij daarom kan worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ a.b.i. art. 363 lid 1 (oud) Sr. Uit de in aanvraag geciteerde notulen van Raad van Commissarissen van N.V. van 15 juni 2006 volgt bovendien dat overnamebod door ander bedrijf is uitgebracht onder aantal ontbindende voorwaarden, zoals goedkeuring van Raad van Commissarissen van N.V. en dat Raad van Commissarissen de aanvrager en ander heeft gemachtigd ‘om een en ander af te handelen’. V.zv. aanvraag ervan uitgaat (ii) dat hof heeft miskend dat op 14 februari 2006 Splitsingswet nog niet in werking was getreden en er op dat moment dus (nog) geen wettelijke verplichting bestond tot verkoop van energieleveringstak van N.V., berust aanvraag op onjuiste lezing van ’s hofs arrest. Hof heeft immers niet meer overwogen dan dat in 2006 wetsvoorstel dat heeft geleid tot Splitsingswet is ingediend, welk voorstel zag op bewerkstelligen van volledige splitsing van netwerkbedrijf enerzijds en productie- en/of leveringsbedrijf anderzijds, en dat N.V. ter uitvoering van Splitsingswet heeft besloten haar commerciële leveringstak af te stoten aan derde. Afwijzing aanvraag. Vervolg op HR 12 december 2023, RvdW 2024/51 (herziening) en HR 17 januari 2023, RvdW 2023/156 (strafzaak).