Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.2.5
7.2.5 Contra-indicaties
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 19 juli 2012, appl.no. 26171/07 (Hümmer/Duitsland).
Zie daarover § 2.6.
In de zaak Hümmer heeft het EHRM zelf het bewijsmateriaal geanalyseerd. Het is de vraag of dat wel past bij zijn taakopvatting. Het EHRM heeft dikwijls zijn subsidiaire rol ten aanzien van de bewijswaardering benadrukt. In EHRM 21 november 2013, appl.no. 16882/03 (Putistin/Oekraïne), § 43 had de verdachte onder meer aangevoerd dat de nationale rechters de feiten van de zaak niet correct hadden beoordeeld. Het EHRM oordeelde echter dat het niet de taak van het EHRM is om als appèlrechter op te treden. In bijzondere situaties worden wel procedurele voorwaarden gesteld aan de bewijswaardering. Zie daarover § 2.6 van hoofdstuk 3 en § 2.5 van hoofdstuk 4. Het lijkt erop dat het EHRM in de zaak Hümmer niet zozeer de inconsistenties zelf heeft willen benadrukken als wel de procedurele aspecten ervan: de nationale rechter heeft de inconsistenties in zijn bewijsmotivering niet geadresseerd en de verdediging en de rechter hebben de inconsistenties evenmin kunnen onderzoeken ter zitting. Uit de feiten die in het arrest worden genoemd, blijkt niet of de nationale rechter zich bewust is geweest van de inconsistenties die het EHRM noemt. Is dat het geval geweest, dan kan inderdaad worden betoogd dat daaraan in de bewijsmotivering aandacht had moeten worden besteed. Is dat niet het geval geweest – en daar heeft het de schijn van – dan komt het EHRM wel dicht in de buurt van het vervangen van het bewijsoordeel van de nationale rechter door zijn eigen oordeel. De nationale rechter had zijn oordeel weliswaar gemotiveerd, maar het EHRM was het inhoudelijk niet eens met deze motivering. Het EHRM heeft daarmee feitelijk ingegrepen in de vrije bewijswaardering van de nationale rechter. Ter vergelijking: in het kader van de vaststelling of een getuigenverklaring van beslissende betekenis is, beoordeelt het EHRM ook dikwijls zelf het gewicht van de getuigenverklaring in het licht van het overige bewijsmateriaal, maar daarbij gaat het uit van het bewijsmateriaal dat de rechter daadwerkelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. In de zaak Hümmer heeft het EHRM juist aspecten benadrukt waaraan de nationale rechter geen aandacht heeft besteed.
De onderzoeksrechter had vastgesteld dat geen aanwijzingen bestonden voor collusie. Dat vond het EHRM kennelijk niet overtuigend genoeg. (§ 51)
Wanneer de zittingsrechter de betrouwbaarheid wel had kunnen beoordelen, had dat een compenserende factor kunnen opleveren. Zie daarover § 2.4 sub f.
EHRM 19 juli 2012, appl.no. 26171/07 (Hümmer/Duitsland), § 52: ‘The Court recalls in this respect that a defendant must not be placed in a position where he is effectively deprived of a real chance of defending himself by being unable to challenge the case against him’. Het is niet helemaal duidelijk welke plaats in het beslismodel deze overweging had. Mogelijk eist het EHRM bij het gebrek aan herinneringen aan de gebeurtenis meer steunbewijs en meer compensatie. Ook in EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/ 08 (Rosin/Estland) herinnerde de verdachte zich de ten laste gelegde feiten niet. In die zaak betrok het EHRM deze omstandigheid echter niet in zijn overwegingen.
EHRM 3 december 2013, appl.no. 35842/05 (Vararu/Roemenië), § 45.
Zie ook EHRM 27 februari 2014, appl.no. 5699/11 (Lučić/Kroatië), § 86, waarin het EHRM als contra-indicatie in aanmerking nam dat bij het beweerdelijke slachtoffer van een verkrachting geen letsel of psychische schade was vastgesteld en dat er bewijsmateriaal bestond dat het door de verdachte aangevoerde scenario ondersteunde.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 156. In EHRM 17 april 2014, appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili/ Duitsland), § 79 hadden de getuigen de verdachte niet herkend tijdens een confrontatie. Dat kan normaliter als contra-indicatie worden beschouwd, maar in deze zaak bleek de betrokkenheid van de verdachte ook uit zijn eigen verklaring.
In de nationale procedure had een deskundige daarnaar onderzoek uitgevoerd. Uit de in het EHRM-arrest genoemde feiten blijkt echter niet wat de uitkomst van dat onderzoek was.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 10-11.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 157.
EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland), § 51.
Het EHRM had als uitgangspunt kunnen nemen dat de waardering van het bewijsmateriaal aan de nationale rechter wordt overgelaten. Dat had een verklaring kunnen opleveren voor het in veel zaken niet noemen van contra-indicaties. In de hiervoor besproken zaak Hümmer onderzocht het EHRM de waardering van het bewijsmateriaal echter zonder dat de uitspraak van de nationale rechter daarvoor aanleiding gaf.
Bij de vaststelling of voldoende compensatie is geboden, is niet alleen relevant of voldoende procedurele waarborgen in acht zijn genomen die de verdediging in staat hebben gesteld de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken. Zoals het ehrm ervan uitgaat dat bepaalde getuigenverklaringen demonstrably reliable zijn, is het ook mogelijk dat uit onderzoek blijkt dat deze aantoonbaar onbetrouwbaar zijn of dat in ieder geval serieuze redenen bestaan om te twijfelen aan de betrouwbaarheid. Het ehrm heeft in een aantal zaken contra-indicaties voor de betrouwbaarheid een rol laten spelen bij de beoordeling of voldoende was gecompenseerd. Bij de inventarisatie van compenserende factoren baseert het ehrm zich voornamelijk op het verloop van de procedure en de motivering van het vonnis. Bij het onderzoek naar contra-indicaties spelen juist ook factoren een rol die in de nationale procedure niet of in mindere mate aan de orde zijn gekomen.
In de zaak Hümmer was een man veroordeeld wegens het wurgen van zijn zus en het aanvallen van zijn broer met een bijl.1 De getuigen waren zijn moeder en de twee slachtoffers. Zij legden belastende verklaringen af bij een verhoor door een onderzoeksrechter. Voor dat verhoor was de verdachte niet uitgenodigd en hij had – in strijd met het nationale recht – evenmin een raadsman toegevoegd gekregen die hem had kunnen vertegenwoordigen tijdens het verhoor. (§ 48)2 Op grond van hun verschoningsrecht als verwanten weigerden de getuigen ter zitting te worden gehoord, waardoor de verdediging haar ondervragingsrecht niet kon uitoefenen. In het kader van compensatie overwoog het ehrm dat weliswaar steunbewijs bestond voor de getuigenverklaringen, maar dit op zijn hoogst slechts indirecte steun bood voor de beschuldiging dat de verdachte zijn broer en zus had mishandeld. (§ 49) De onderzoeksrechter ten overstaan van wie de getuigen hun belastende verklaringen hadden afgelegd, politieambtenaren en een dokter konden ter zitting worden ondervraagd. Verder had een onderzoeksrechter zijn oordeel gegeven over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. Dat was in de ogen van het ehrm echter geen redelijk alternatief voor een ondervraging van de getuige. (§ 51)
Naast deze factoren, waaraan in beginsel compenserende werking kon worden toegekend, bestonden ook contra-indicaties om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen aan te nemen.3 Ten eerste stelde het ehrm – op basis van een opmerkelijk uitvoerig eigen onderzoek van de feiten – vast dat de getuigen op bepaalde punten tegenstrijdig of onsamenhangend hadden verklaard en overwoog het dat overeenkomsten tussen de verklaringen het gevolg konden zijn van overleg tussen de getuigen. (§ 50)4 Ten tweede had het ehrm moeite met de vaststelling dat het letsel van de slachtoffers zou zijn ontstaan door de aanvallen van de verdachte. De broer had aanvankelijk tegenover een arts verklaard dat hij door een ruit was gevallen en er was niet vastgesteld dat het letsel daardoor zeker niet kon zijn ontstaan en evenmin dat het letsel door slagen met een bijl moest zijn ontstaan. Ten aanzien van de zus nam het ehrm in aanmerking dat geen medisch bewijs bestond dat zij zou zijn gewurgd. Het ehrm stelde vast dat de nationale rechter deze punten niet had betrokken in zijn bewijsmotivering. (§ 50-51) Het ehrm voegde hier nog aan toe dat, nu de getuigen niet ter zitting hadden verklaard, noch de verdediging noch de zittingsrechter in staat was geweest om de geloofwaardigheid van de getuigen zelf te beoordelen door inconsistenties in de verklaringen aan de orde te stellen. (§ 51)5 Het ehrm oordeelde dat zich alles bij elkaar genomen onvoldoende compenserende factoren voordeden en stelde een schending van het ondervragingsrecht vast. Daarbij merkte het overigens op dat de verdachte zich niets herinnerde van de ten laste gelegde feiten en dat hij daardoor niet in staat was om de feiten te betwisten.6
In de zaak Vararu hadden vijf getuigen verklaringen afgelegd. Het ehrm uitte in zijn overwegingen met betrekking tot compensatie twijfel over de wijze waarop de verklaringen waren afgelegd. Het overwoog dat alle verklaringen door dezelfde politieambtenaar waren genoteerd. De getuigen hadden de samenvatting van hun verklaring doorgelezen en ondertekend. De verdachte had in de nationale procedure aangevoerd dat de politieambtenaar die de verklaringen had opgesteld uitgerekend de politieambtenaar was die door de verdachte zou zijn mishandeld en beledigd en dus een belang had bij de uitkomst van de procedure. De nationale rechter had daarop niet gereageerd.7 In deze zaak noemde het ehrm geen factoren die compenserend werkten. Ook zonder de contra-indicaties zou het ehrm daarom een schending van ondervragingsrecht hebben vastgesteld.8
In andere zaken dan Hümmer en Vararu was het ehrm doorgaans veel terughoudender in de vaststelling van contra-indicaties en lag de nadruk meer op het aanwijzen van compenserende factoren. In de zaak Al-Khawaja betrok het ehrm in zijn oordeel weliswaar dat inconsistenties bestonden tussen de verklaringen van het slachtoffer en de verklaringen van andere getuigen, maar overwoog het dat deze slechts van geringe betekenis waren.9 Het liet buiten beschouwing dat het slachtoffer van ontucht onder hypnose wasmisbruikt en dat dit de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring mogelijk beïnvloedde,10 evenals de omstandigheid dat het slachtoffer haar belastende verklaring pas drie maanden na het misbruik had afgelegd.11 Verder had de appèlrechter vastgesteld dat de rechter in eerste aanleg de jury niet correct had geïnstrueerd met betrekking tot de geringere waarde die aan de getuigenverklaring moest worden gehecht in verband met het ontbreken van een cross-examination. Deze omstandigheid noemde het ehrm weliswaar, maar daarbij vertrouwde het volledig op het oordeel van de appèlrechter dat de essentie van de boodschap wel bij de jury moest zijn doorgekomen.12
In de zaak D.T. hechtte het ehrm waarde aan het feit dat verschillende gedragsdeskundigen hadden gerapporteerd over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring.13 Het zag hierin kennelijk uitsluitend een compenserende factor. Op grond van de inhoud van de rapporten was deze eenzijdige benadering echter niet gerechtvaardigd. Rechtspsycholoog Crombag had een aantal opmerkelijke aspecten van de getuigenverklaring vastgesteld. Hij had verder aanbevelingen gegeven voor vervolgonderzoek en aangegeven dat een bepaalde onderzoeksmethode niet geschikt was om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken. (§ 11) Psycholoog Wagenaar verklaarde later dat de aanbevelingen van Crombag niet waren opgevolgd en dat dit verzuim een behoorlijke beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer verhinderde. (§ 16) Deze contra-indicaties noemde het ehrm niet in zijn overwegingen. Dat gold ook voor de vaststelling van twee psychologen en een psychiater dat het slachtoffer geen psychiatrische problemen had en evenmin getraumatiseerd was in haar psychoseksuele ontwikkeling. (§ 23) Deze omstandigheid wijst niet in de richting van seksueel misbruik. Het is daarom de vraag waarom de rapporten van de gedragsdeskundigen zonder meer als compenserende factor in aanmerking zijn genomen.14