Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.6.4
II.6.4 Proliferatie van de onschuldpresumptie als bejegeningsrecht
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599783:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Desjardins 1883, p. xi; Hélie in het voorwoord bij: Beccaria (1764) 1870, p. xvi.
Voltaire 1766, §1. Ook conservatieve juristen van het Ancien régime achtten het nodig Beccaria van repliek te dienen, zie daarover Dupont 1979, p. 25.
Servan 1766: “Les objets perdent à ses yeux leur véritable forme, et l’air même de l’innocence ne lui offre que l’aspect odieux du crime. Si nous voulons prévenir des erreurs si fatales, ne per-dons jamais de vue que la distance est toujours infinie entre le criminel et l’accusé; ne cessons jamais de le regarder avec des yeux d’indulgence et de paix [...].”
Servan 1766: “nous sentons contre l’accusé les premiers mouvements de l’indignation et de la haine, ne tardons pas un moment, retirons-nous, cessons d’être juges”.
Servan 1766.
Letrosne 1777, p. 31: “la société qui se prétend blessée & qui accuse; c’est à elle à prouver: jusques-là, le citoyen en possession de son état, ne peut en être dépouillé. Au milieu des fers, il reste vraiment libre; car il n'est soumis qu'aux Loix, elles le protegent tant qu'il n'a pas encore été déclaré avoir encouru la peine; & s’il meurt en cet état, il meurt Citoyen.”
Letrosne 1777, p. 31-32: “l’incertitude qui subsistera jusqu’au jugement, la loi la tournera en une présomption naturelle pour l’innocence de l’accusé; elle lui appliquera la faveur & l’avantage du doute”.
Letrosne 1777, p. 32 : ”La conviction manifeste pourra seule changer son état, lui faire perdre la protection de la Loi pour le livres à ses vengeances, & faire d’un homicide un acte de justice.”
Marat (1780) 1790, p. 146.
Zie Foret 2007, p. 229. Daar wordt geciteerd uit het pamflet La Constitution, ou Projet de Declaration des Droits de l’Homme et du Citoyen, suivi d’un plan de Constitution juste, sage et libre par l’Auteur de l’Offrande à la Patrie (1789, p. 41).
Ik kom op dit onderscheid nog uitgebreid terug, zie § IV.2.4.
Zie naast de eerder genoemde auteurs, ook Globig 1785, p. 500. Hij beschouwt de onschuldpresumptie als “eine der vorzüglichsten Grundsäulen, auf welcher der bürgerliche Freyheit im peinlichen Verfahren beruhet”.
Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel I, p. 310.
Aldus Quintard-Morénas 2010, p. 122.
Het gedachtegoed uit Dei delitti e delle pene vond snel een weg naar Frankrijk.1 In 1766 werd het in het Frans vertaald en in datzelfde jaar schreef Voltaire er een lovend commentaar op.2 Franse auteurs bekritiseerden in de jaren daarna de juridische, maar vooral ook feitelijke positie van de verdachte in het vigerende strafrecht. De idee dat een verdachte niet als een veroordeelde moet worden gezien en behandeld, vatte bij meer auteurs post. De progressieve advocaat-generaal Servan riep op tot meer aandacht vanuit de magistratuur voor de behandeling van verdachten. Hij herinnert zijn publiek eraan nooit uit het oog te verliezen dat er een ‘oneindige afstand’ bestaat tussen de status van verdachte en die van crimineel.3 Een rechter die dat wel uit het oog verliest, mag zich wat hem betreft geen rechter noemen.4 De detentieomstandigheden en het gebruik van de pijnbank in Frankrijk, “où la liberté humaine est renfermée et chargée de fers, où quelquefois l’innocence est con-fondue avec le crime”, acht hij op die afstand tussen verdachte en veroordeelde onvoldoende afgestemd.5
Letrosne, baljuw in Orléans, benadrukte dat het aan de maatschappij is die door de misdaad stelt te zijn gekrenkt om deze krenking te bewijzen. Tot dat bewijs is geleverd, verkeert de verdachte in zijn normale burgerlijke toestand en mag de overheid hem daarvan niet beroven. Zelfs in voorlopige hechtenis, blijft hij een vrij mens. Want hij is enkel aan de wetten onderworpen, welke hem beschermen tot hij schuldig is verklaard. Als hij in deze staat overlijdt, blijft hij een burger.6 De twijfel die er tot aan het oordeel bestaat, dient volledig in het voordeel van de verdachte te worden uitgelegd, vanwege “une présomption naturelle pour l’innocence de l’accusé”.7 In een summier bestek verenigt Letrosne aldus een bewijslastverdeling ten gunste van de verdachte, in dubio pro reo én een behandelingsaspect en brengt ze met een vermoeden van onschuld in verband. Met betrekking tot de behandeling van de verdachte valt op dat Letrosne de verdachte zoveel mogelijk aan de niet-verdachte gelijk wil stellen. Enkel de schuldigverklaring ontneemt de hem op grond van het sociaal contract toekomende bescherming.8 De status van de verdachte blijft tot zijn veroordeling dezelfde als die van een vrij man. Desondanks beschouwt Letrosne de noodzaak van het bestaan van voorarrest als een gegeven en het dwangmiddel kennelijk als zodanig met de presumptie niet strijdig.
Ook de invloedrijke Jean-Paul Marat, oprichter van de toonaangevende revolutionaire krant l’Ami du peuple en politicus, liet zich over het door Beccaria geopperde bejegeningsrecht uit. In zijn Plan de législation criminelle (1780) blijft de onschuldpresumptie impliciet. Wel achtte hij de wijze waarop verdachten in het vigerende strafrecht en voornamelijk in voorlopige hechtenis werden bejegend onrechtvaardig en in strijd met het recht van een verdachte niet als schuldige te worden bejegend. Hij benadrukte dat de samenleving pas recht krijgt de verdachte als een schuldige te behandelen nadat de rechter zijn schuld heeft vastgesteld: “Tant que l’accusé n’est pas convaincu aux yeux de ses juges, on n’a pas le droit de le traiter en coupable.”9 Dit standpunt herhaalde hij in een pamflet uit 1789: “on ne le traite pas comme un malfaiteur avant de l’avoir convaincu de crime”.10 Opvallend verschil tussen de formuleringen van Letrosne en Marat is dat eerstgenoemde bepleit de verdachte zoveel mogelijk te bejegenen als een onschuldige, als een citoyen, terwijl laatstgenoemde zich louter verzet tegen aan de behandeling van schuldigen gelijkstaande bejegening en daarmee dichter blijft bij de bewoordingen van Beccaria.
Tot analyse van of debat over dit verschil tussen een verbod op bejegening als schuldige en een gebod tot bejegening als onschuldige, is het destijds bij mijn weten niet gekomen.11 Het bovenstaande laat wel zien dat de onschuldpresumptie als een de individuele vrijheid hoedend strafprocesrechtelijk principe deel was gaan uitmaken van het strafrechtelijk gedachtegoed van de Verlichting.12 Een Koninklijke déclaration relative à l’ordonnance criminelle uit 1788 bevestigt dat. In een soort charmeoffensief, een poging om de onafwendbaar geworden revolutie te vermijden, wenste Koning Lodewijk XVI de zwaar bekritiseerde praktijk van het verhoor op de sellette af te schaffen:
“Elle (het verhoor op de sellette, JB) blesse d’ailleurs ouvertement le premier de tous les principes en matière criminelle, qui veut, qu’un accusé, fut-il condamné à mort en première instance, soit toujours réputé innocent aux yeux de la loi jusqu’à sa sentence soit confirmée en dernier resort.”13
Koning Lodewijk noemt het recht als onschuldig te worden beschouwd in de ogen van de wet, het eerste onder de strafrechtelijke principes. Opvalt dat volgens hem dat uitgangspunt na veroordeling in eerste aanleg onverkort blijft gelden. Alleen de onherroepelijke veroordeling beëindigt de aanspraak op het vermoeden van onschuld. Naast zijn voorstel de sellette af te schaffen, leidde Koning Lodewijk uit de onschuldpresumptie af dat verdachten hun eigen kleding mochten behouden en dat vrijspraken voortaan moesten worden gepubliceerd.14