Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.2.3
2.3 De regels van artikel 4:138 lid 1 en lid 2 BW
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948064:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 74.
Zie Parl. Gesch. Boek 4 BW (TM), p. 810-811 en Parl. Gesch. Inv. 4 BW, p. 2045.
Zie paragraaf 3.2.1 van dit hoofdstuk.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. vi (Voorwoord); L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 279 en 295, alsmede Asser/Perrick 4 2021/223.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. vi (Voorwoord) en L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 279.
Zie Parl. Gesch. Boek Inv. 4 BW (MvA II), p. 2041-2042.
Zie in die zin J.B. Vegter, ‘Over de wettelijke vormgeving van het fideï-commis de residuo en in het bijzonder over het overeenkomstig van toepassing zijn van de vruchtgebruikbepalingen op dit fideicommis’, WPNR 2002/6486, p. 321-322; J.B. Vegter, ‘Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling’, WPNR 2021/7335, p. 592 en J.B. Vegter, ‘Naschrift’, WPNR 2022/7371. Vgl. Asser/Perrick 4 2021/200a en B.M.E.M. Schols & F.W.J.M. Schols, ‘Over de dood heen’, FTV 2003/7-8.
Vgl. de recente discussie hierover tussen Vegter en Brinkman, waarbij Vegter de obligatoire benadering bepleit, en Brinkman de goederenrechtelijke benadering. Zie J.B. Vegter, ‘Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling’, WPNR 2021/7335 en de reactie daarop van R.E. Brinkman in WPNR 2022/7371, met naschrift van Vegter.
Dat geldt niet voor het tweetrapslegaat. Zie daarover paragraaf 2.4.2 hierna.
Vgl. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 83-85.
Vgl. paragraaf 5.2 van hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 4.2 en 4.3 van hoofdstuk 2, en vgl. paragraaf 5.2 van hoofdstuk 3.
Zie voor een nadere beschrijving van welke bepalingen van vruchtgebruik wel voor overeenkomstige toepassing in aanmerking komen en welke bepalingen van vruchtgebruik niet, L.C.A Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 307-315 en Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 89-106.
Zie hierover ook nog de paragrafen 3.2.1 en 3.3 hierna. Vgl. voor de breukdelengemeenschap paragraaf 6 van hoofdstuk 3.
Zie Parl. Gesch. Inv. 4 BW (MvA II), p. 2041. Daar wordt er expliciet op gewezen dat Titel 3.8 BW de mogelijkheid openhoudt het vruchtgebruik nader te regelen. Zie in dit verband voorts Parl. Gesch. Boek 5 BW (TM), p. 4 en Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6) (NvW 1 Inv.), p. 1303. Vgl. bovendien mijn opmerkingen in paragraaf 6.6.1 van hoofdstuk 3 over de regeling bij de breukdelengemeenschap, waarvoor hetzelfde uitgangspunt geldt.
Vgl. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 84-85.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 5 BW (TM), p. 4: “In vele bepalingen van de titel Erfdienstbaarheden, Erfpacht, Opstal en Grondrente vindt men de woorden: “tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald”. Deze woorden geven te kennen dat partijen vrij zijn aan het zakelijke recht een andere inhoud te geven dan het volgens de betreffende bepaling zou hebben, mits zij deze inhoud aangeven in de akte van vestiging – waaronder een akte van wijziging is begrepen –, welke akte in de openbare registers moet worden ingeschreven. Ontbreken deze woorden in een artikel, dan wil dat, zoals hierboven onder 3 is opgemerkt, in beginsel zeggen, dat de betreffende bepaling dwingend de inhoud van het zakelijk recht bepaald. Dit brengt echter niet mede, dat aan partijen de vrijheid is ontnomen om bij obligatoire overeenkomst hun rechtsverhouding anders te bepalen, eventueel met werking ten aanzien van rechtsopvolgers volgens de regels van het contractenrecht. Volgens het beginsel van contractsvrijheid kunnen partijen immers iedere contractuele verhouding scheppen die hun goeddunkt, mits zij niet met de wet, de goede zeden of openbare orde on strijd komen. Indien het ontwerp wil aanduiden, dat het partijen ook niet vrijstaat om bij obligatoire overeenkomst van de artikelen die de inhoud van het zakelijk recht bepalen, af te wijken, heeft het dit aan met woorden als: “Een daarmee strijdig beding is nietig”.” Zie in dat verband ook Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6) (NvW 1 Inv.), p. 1303.
Vgl. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 84.
Zie in gelijke zin L.C.A Verstappen, in: Handboek erfrecht 2020, p. 307-308; R.E. Brinkman, ‘Reactie op “Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling” van mr. J.B. Vegter, WPNR 2021/7335’, WPNR 2022/7371, p. 405-408 en A.F. Mollema, ‘Erfstellingen en legaten onder tijdsbepaling of voorwaarde’, WPNR 2007/6698, p. 146. Zie anders J.B. Vegter, ‘Over de wettelijke vormgeving van het fideï-commis de residuo en in het bijzonder over het overeenkomstig van toepassing zijn van de vruchtgebruikbepalingen op dit fideicommis’, WPNR 2002/6486, p. 321-322; J.B. Vegter, ‘Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling’, WPNR 2021/7335, p. 592; J.B. Vegter, ‘Naschrift’, WPNR 2022/7371; Asser/Perrick 4 2021/200a, alsmede B.M.E.M. Schols & F.W.J.M. Schols, ‘Over de dood heen’, FTV 2003/7-8.
Vgl. R.E. Brinkman, ‘Reactie op “Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling” van mr. J.B. Vegter, WPNR 2021/7335’, WPNR 2022/7371, p. 405-408.
Zie paragraaf 4 hierna.
Zie in die – obligatoire – zin J.B. Vegter ‘Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling’, WPNR 2021/7335, p. 590-593 en zijn naschrift bij de reactie van Brinkman in WPNR 2022/7371, p. 410-411.
Vgl. S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/41; Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 108; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/45 en L.C.A. Verstappen, in: Handboek erfrecht 2020, p. 311-312. Zie tevens R.E. Brinkman, ‘Reactie op “Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling” van mr. J.B. Vegter, WPNR 2021/7335’, WPNR 2022/7371, p. 405-408.
Zie anders J.B. Vegter, ‘Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling’, WPNR 2021/7335, voetnoot 34, waar hij opmerkt dat de erflater ook zou kunnen bepalen dat geen zaaksvervanging zal plaatsvinden.
Wat dat betreft bestaat er verschil tussen de regeling van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen enerzijds en de regeling van zaaksvervanging bij vruchtgebruik en de tweetrapsmaking anderzijds. Voor de regeling van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen is in paragraaf 3.4 van hoofdstuk 7 bepleit dat de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden de voorwaarden voor zaaksvervanging kunnen ‘verzwaren’. Bij de regeling van zaaksvervanging van artikel 3:213 lid 1 BW bestaat die mogelijkheid niet. Dat komt doordat de regeling van zaaksvervanging van artikel 2:213 lid 1 BW als een vorm van verkrijging van goederen kwalificeert. Op grond van (analoge toepassing van) artikel 3:213 lid 1 BW wordt een recht van vruchtgebruik op een vervangend goed verkregen, of wordt een vervangend goed voorwaardelijk door de verwachter verkregen. Omdat de verschillende soorten van verkrijging van goederen onderdeel uit maken van het gesloten systeem van het goederenrecht zijn ook de voorwaarden waaronder een bepaalde verkrijging geschiedt dwingendrechtelijk in de wet vastgelegd. Deze zijn (dus) bindend, tenzij de betreffende wettelijke regeling zélf een mogelijkheid tot afwijking biedt. Artikel 3:213 lid 1 BW biedt die mogelijkheid niet. Afwijking is dus niet mogelijk, ook niet als dat een verzwaring van de vereisten voor zaaksvervanging zou inhouden. Anders dan de regeling van artikel 3:213 lid 1 BW, is de regeling van zaaksvervanging van artikel 1:95 lid 1 BW niet aan dit strenge(re) vereiste verbonden. De regeling van artikel 1:95 lid 1 BW kwalificeert immers louter als een uitzondering op de werking van boedelmenging (zie paragraaf 3.2 van hoofdstuk 7). Het is dus géén vorm van verkrijging van goederen en maakt in die zin geen deel uit van het gesloten systeem van het goederenrecht. Aldus is een (beperkte) afwijking daar wél mogelijk.
516. Gaat het om een tweetrapserfstelling dan bepalen artikel 4:138 lid 1 en 2 BW de verhouding tussen de bezwaarde(n) en de verwachter(s). Artikel 4:138 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een erfstelling onder een voorwaarde is gemaakt, degene aan wie het vermaakte tot vervulling van de voorwaarde toekomt als de uitsluitend rechthebbende wordt aangemerkt voor zover het betreft de door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen. Uit deze bepaling zou wellicht de gedachte kunnen ontstaan dat de bezwaarde de vererfde goederen ook onvoorwaardelijk kan vervreemden en bezwaren, en daarmee dus ook de goederenrechtelijke positie van de verwachter kan beïnvloeden.1 Dat is echter in beginsel niet het geval.2 Artikel 4:138 lid 2, eerste zin, BW bepaalt immers dat zolang de vervulling der voorwaarden onzeker is, voor het overige op de verhouding tussen de verwachter en de bezwaarde de wettelijke voorschriften van het vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing zijn, zoals geregeld in Titel 8 van Boek 3 BW (artikel 3:201-3:226 BW). Dientengevolge is hij – de bezwaarde – volgens de tweede zin van artikel 4:138 lid 2 BW verplicht het vermaakte gelijk een vruchtgebruiker te bewaren en in stand te houden, tenzij de erflater hem de bevoegdheid heeft toegekend om de goederen te verteren en onvoorwaardelijk te vervreemden. In beginsel is de bezwaarde op grond van artikel 4:138 lid 2 BW dus onbevoegd om onvoorwaardelijk over de voorwaardelijk verkregen goederen te beschikken, maar de insteller kan aan de bezwaarde – de erfgenaam onder ontbindende voorwaarde – alsnog de bevoegdheid toekennen om de tweetrapsgoederen te verteren en onvoorwaardelijk te vervreemden (vgl. artikel 3:212 lid 2 BW). Maakt de bezwaarde van deze bevoegdheid gebruik dan heeft dat tot gevolg dat óók de verwachter zijn eigendom van de voorwaardelijk verkregen goederen verliest, of dat zijn (voorwaardelijke) eigendom met een beperkt recht wordt belast.3 Heeft de erflater aan de bezwaarde deze bevoegdheid gegeven dan wordt de tweetrapserfstelling ook wel aangeduid als een ‘tweetrapsmaking-/erfstelling van het overschot’ of het ‘fideï-commis de residuo’.4 Het gaat dan per saldo om een voorwaardelijke making van hetgeen een erfgenaam ‘onverteerd zal hebben gelaten’ (zie artikel 4:56 lid 4 BW). Een tweetrapsmaking zonder verterings- en vervreemdingsbevoegdheid wordt ook wel aangeduid als een ‘zuivere tweetrapsmaking/-erfstelling’, een ‘zuiver fideï-commis’ of als een ‘tweetrapsmaking/-erfstelling met bewaarplicht’.5
517. Ten aanzien van artikel 4:138 lid 2 BW is verder nog van belang dat in de parlementaire geschiedenis wordt gesteld dat de van-overeenkomstige-toepassingsverklaring van de regels van vruchtgebruik in het bijzonder ‘de interne verhouding’ tussen de bezwaarde en de verwachter betreft.6 Hieruit zou de indruk kunnen ontstaan dat deze regels slechts obligatoire werking hebben.7 Dat is naar mijn mening niet het geval.8 De regels van vruchtgebruik kleuren bij een voorwaardelijke erfstelling de rechtspositie van de verwachter en de bezwaarde in absolute zin in.9 Zoals hiervóór in paragraaf 2.1 reeds aangegeven, houdt de voorwaardelijk eigendom die door een voorwaardelijke making ontstaat een inbreuk op het gesloten systeem van het goederenrecht in.10 Gaat men uit van geldend recht, dan zorgt de voorwaardelijke making ervoor dat er twee of meer voorwaardelijke rechten van eigendom ontstaan. Gaat men uit van de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van het goederenrecht, dan leidt een voorwaardelijke making ertoe dat een inbreuk wordt gemaakt op het absolute effect dat de verkrijging van goederen normaal gesproken heeft. Dat vergt dat tussen de voorwaardelijk eigenaren een nadere regulering plaatsvindt van de uitoefening van ieders bevoegdheden, welke regulering absolute werking heeft.11 Welke van beide opvattingen men ook volgt, in beide gevallen ontstaan dus nieuwe ‘goederenrechtelijke posities’, wat op grond van het gesloten systeem van het goederenrecht alleen mogelijk is als de wet daar een basis voor biedt, en dan uitsluitend binnen de kaders die de wet daar dan voor geeft.12 Die kaders heeft de wetgever gevormd door bij de voorwaardelijke erfstelling de regels van vruchtgebruik – waar mogelijk – van overeenkomstige toepassing te verklaren op de positie van de bezwaarde en de verwachter.13 Gaat men uit van de kwalificatie van de structuur van het goederenrecht naar geldend recht, dan bepalen deze regels dus de inhoud van de voorwaardelijke rechten die de bezwaarde en de verwachter ten aanzien van de nagelaten goederen hebben. Gaat men uit van de alternatieve opvatting over de structuur van het goederenrecht, dan kleuren de regels van vruchtgebruik met absolute werking de inbreuk in die de voorwaardelijke verkrijging van de nagelaten goederen op het gebruikelijke exclusieve/absolute effect van de verkrijging van goederen maakt.14 Het gesloten systeem van het goederenrecht brengt met zich mee dat de insteller vervolgens niet met goederenrechtelijke werking van de regels van vruchtgebruik kan afwijken voor zover deze de voorwaardelijke eigendom nader vormgeven. Dat kan alleen als de wetgever dat in een specifieke vruchtgebruikbepaling expliciet mogelijk heeft gemaakt. Dat volgt dan uit de woorden ‘tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald’ of woorden van gelijke strekking (lees voor de tweetrapserfstelling: ‘tenzij in de uiterste wilsbeschikking anders is bepaald’).15
518. Dat de insteller niet met goederenrechtelijke werking af kan wijken van de toepasselijke bepalingen van vruchtgebruik op de tweetrapserfstelling, tenzij de bepaling dat expliciet toestaat, neemt niet weg dat hij dit wél met obligatoire werking kan doen.16Dit is in zijn algemeenheid slechts anders wanneer een bepaling die de inhoud van een goederenrechtelijk recht vorm geeft met zoveel woorden aangeeft dat daar ook niet met obligatoire werking van afgeweken kan worden.17 Bij de op de tweetraperfstelling toepasselijke regels van vruchtgebruik is daar geen sprake van. Dat betekent dat de insteller de verhouding tussen de bezwaarde(n) en verwachter(s) in relatieve zin vrij vorm kan geven. Vanwege haar relatieve werking zijn rechtverkrijgenden onder bijzondere titel daar dan niet aan gebonden. Indien en voor zover de insteller bij het invullen van de voorwaardelijke eigendom buiten de marges van de toepasselijke vruchtgebruikbepalingen is getreden, blijven in de verhouding tot rechtverkrijgenden onder bijzondere titel onverminderd de toepasselijke regels van vruchtgebruik gelden.18 Daaronder vallen (dus) ook beperkt gerechtigden. Geheel los hiervan staat dan nog de discussie of de insteller kan afwijken van de regels van de vruchtgebruik die niet van goederenrechtelijk aard zijn (i.e. die niet de inhoud van de voorwaardelijke eigendom bepalen), maar die wél van dwingend recht zijn. Het gaat dan vooral om de bepalingen van artikel 3:205 BW, die de verplichting tot een boedelbeschrijving inhouden. Naar mijn mening kan de insteller daar nietvan af kan wijken.19 Dat volgt uit artikel 3:205 lid 5 BW dat bepaalt dat de vruchtgebruiker (bij de tweetrapserfstelling: de bezwaarde) niet kan worden vrijgesteld van de verplichtingen die ingevolge de voorgaande leden op hem rusten. Ervan uitgaande dat de van-overeenkomstige-toepassingsverklaring van de regels van vruchtgebruik niet als een vrij te passeren ‘hulpmiddel’ kwalificeert, is de insteller van een tweetrapserfstelling óók aan deze regeling gebonden.20 Wijkt de insteller toch van deze regeling af, dan komt dat in strijd met een dwingende wetsbepaling. Een dergelijk afwijking is om die reden nietig (vgl. artikel 3:40 lid 2 BW).
519. In dit verband kan tot slot ook reeds het volgende worden opgemerkt (vooruitlopend op hetgeen in paragraaf 4 nog uitvoerig aan de orde zal komen). Titel 3.8 BW bevat in artikel 3:213 BW ook een regeling van zaaksvervanging bij vruchtgebruik. Deze regeling van zaaksvervanging bepaalt niet de inhoud van het recht van vruchtgebruik, maar heeft wel goederenrechtelijke werking. Op grond van de regeling van zaaksvervanging wordt immers bepaald of het recht van vruchtgebruik ook op vervangende goederen komt te rusten die de hoofdgerechtigde verkrijgt, en/of wordt bepaald of goederen die de vruchtgebruiker op eigen naam verkrijgt door de hoofdgerechtigde verkregen kunnen worden.21 Omdat de van-overeenkomstige-toepassingsverklaring van de regels van vruchtgebruik op de tweetrapserfstelling goederenrechtelijke werking heeft, geldt dat óók voor de van-overeenkomstige-toepassingsverklaring van de regels van zaaksvervanging. Indien en voor zover aan de vereisten voor zaaksvervanging van artikel 3:213 lid 1 BW is voldaan, geeft dit aan de verwachter dus géén louter (obligatoir) recht op levering van het vervangende goed jegens de bezwaarde,22 maar maakt dit hem van rechtswege voorwaardelijk eigenaar daarvan. Dat betekent dat op grond van artikel 3:213 lid 1 BW hetgeen in de plaats treedt van een tweetrapsgoed doordat de bezwaarde daarover bevoegdelijk heeft beschikt van rechtswege voorwaardelijk aan de verwachter gaat toebehoren, ook al is dat goed niet (voorwaardelijk) aan hem geleverd.23 Vanwege die goederenrechtelijke werking van artikel 3:213 lid 1 BW kan de insteller de regeling van zaaksvervanging niet buiten werking stellen.24 Evenmin kan hij de vereisten voor zaaksvervanging wijzigen.25 Aan welke vereisten precies voldaan moet zijn om vervangende goederen ook door de verwachter te laten verkrijgen, komt in paragraaf 4 nog uitgebreid aan de orde.