Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.2.1
2.1 Makingen onder tijdsbepalingen en onder voorwaarde
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948012:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze beschrijving is ontleend aan L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 270.
Zie L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 270 en Asser/Perrick 4 2021/207.
Zie L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 270; Asser/Perrick 4 2021/207 en Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Tweede gedeelte 2008/284.
Zie L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 275.
Zie over de gevolgen van dat ‘in de gemeenschap vallen’ paragraaf 3.4 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 3.2.3 van hoofdstuk 6.
Zie Asser/Perrick 4 2021/208 en L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 274-276.
Zie over de term ‘making’ paragraaf 3.2.3 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 4 van hoofdstuk 2.
Zie paragraaf 2.2 van hoofdstuk 2, alsmede paragraaf 3.1 van hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 3.2.2 van hoofdstuk 2.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 2, en vgl. voor de breukdelengemeenschap paragraaf 5.2 van hoofdstuk 3.
Vgl. mijn opmerkingen in paragraaf 5.4 van hoofdstuk 6 over de (on)mogelijkheid om goederenrechtelijk werkende voorwaardelijke in- en uitsluitingsclausules te maken. Zie voorts paragraaf 4.3 van hoofdstuk 2 en paragraaf 5.2 van hoofdstuk 3.
513. Titel 4.5.2.2 BW (artikel 4:136-4:141 BW) handelt over makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde. Een making onder een tijdsbepaling of een voorwaarde is een making die vanuit de positie van de erfgenaam afhankelijk is van een toekomstige gebeurtenis. De bedoeling van de erflater is dat het vermaakte goed vóór de gebeurtenis dient toe te komen aan de ene erfgenaam, en na die gebeurtenis aan een andere erfgenaam. Indien de werking van de erfstelling afhankelijk is van een gebeurtenis die zeker zal plaatsvinden, of van het verschijnen van een vast tijdstip, wordt gesproken van een tijdsbepaling. Indien onzeker is of de gebeurtenis zal plaatsvinden is sprake van een voorwaarde (vgl. artikel 6:21 BW). Bij een tijdsbepaling is zeker dat twee rechtssubjecten (of hun rechtverkrijgenden onder algemene titel) na elkaar gerechtigden tot de nagelaten goederen zullen worden, terwijl dat bij een voorwaarde niet zeker is.1Artikel 4:136 BW converteert een erfstelling onder tijdsbepaling (deels) in een legaat van vruchtgebruik.2 Dit vruchtgebruik moet worden gevestigd.3 Erfgenaam is degene die volgens het testament of ingevolge de wet onder opschortende tijdsbepaling erft. De erfgenaam onder ontbindende tijdsbepaling verkrijgt de positie van legataris van het vruchtgebruik. Het vruchtgebruik kan betrekking hebben op de gehele nalatenschap of een gedeelte daarvan, dan wel op één of meer bepaalde goederen.4 In verhouding tot de huwelijksgemeenschap waarin de erfgenamen (i.e. de betreffende legataris en erfgenaam) zijn gehuwd is er geen enkele reden om het legaat van het vruchtgebruik (van de erfgenaam onder ontbindende tijdsbepaling) en de krachtens erfstelling verkregen goederen (van de erfgenaam onder opschortende tijdsbepaling) anders te behandelen dan alle andere legaten en krachtens erfstelling verkregen goederen. Dit betekent dat wanneer de erfgenamen in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd het legaat van het vruchtgebruik respectievelijk de krachtens erfstelling verkregen goederen in de huwelijksgemeenschap vallen waarin de desbetreffende legataris respectievelijk de desbetreffende erfgenaam is gehuwd, tenzij daar een uitsluitingsclausule aan is verbonden.5 Zijn de erfgenamen in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd dan vallen het legaat van het vruchtgebruik, het gevestigde vruchtgebruik, en de krachtens erfstelling verkregen goederen buiten de huwelijksgemeenschap waarin de verkrijgers zijn gehuwd, tenzij aan deze verkrijgingen een insluitingsclausule is verbonden.6 Omdat de erfstelling onder tijdsbepaling geen andere behandeling verdient dan alle andere legaten en krachtens erfstelling verkregen goederen, blijven deze in dit hoofdstuk verder buiten beschouwing. Datzelfde geldt voor de making onder tijdsbepaling, die op grond van artikel 3:85 lid 1 BW ook van rechtswege wordt geconverteerd in een legaat van vruchtgebruik.7
514. Artikel 4:56 BW en artikel 4:137-4:141 BW handelen over de voorwaardelijke making. Daaronder vallen voorwaardelijke erfstellingen en voorwaardelijke legaten.8 Dat een voorwaardelijke erfstelling mogelijk is, vloeit niet reeds voort uit artikel 3:38 BW. Artikel 3:38 BW bepaalt dat, tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling voortvloeit, een rechtshandeling onder een voorwaarde of een tijdsbepaling kan worden verricht. Gelet op het gesloten stelsel van het goederenrecht vloeit daar nog niet uit voort dat ook een erfstelling voorwaardelijk gemaakt kan worden. Een erfstelling leidt immers tot de verkrijging van goederen. Het gesloten stelsel van het goederenrecht houdt in dat er geen andere vormen van verkrijging van goederen kunnen zijn dan die de wet in artikel 3:80 BW erkent, en dat er geen andere goederenrechtelijke rechten kunnen bestaan dan de goederenrechtelijke rechten die de wet erkent.9 Gaat men uit van het geldend recht, dan vallen onder die goederenrechtelijke rechten óók het recht van eigendom en het recht van toebehoren. Die rechten houden dan de meest omvattende absolute bevoegdheden in zich die een rechtssubject ten aanzien van een zaak of vermogensrecht kan hebben. Uit dat absolute karakter van die bevoegdheden vloeit vervolgens óók voort dat er op ieder moment maar één ‘volle’ eigenaar of rechthebbende van een goed kan zijn. Zijn er méérdere eigenaren van hetzelfde goed, dan zijn de bevoegdheden die in het betreffende recht besloten liggen niet meer absoluut, en is dus van een ‘vol’ recht van eigendom of toebehoren geen sprake meer.10 Is sprake is van een voorwaardelijke overgang van goederen dan worden twee rechtssubjecten tegelijkertijd eigenaar of rechthebbende van hetzelfde goed. De voorwaardelijke rechten van eigendom of toebehoren die in dat geval ontstaan, zijn dan dus niet absoluut meer (zoals een ‘vol’ recht van eigendom dat is). Het gesloten stelsel van het goederenrecht brengt daarom met zich mee dat voor iedere vorm van voorwaardelijke verkrijging van goederen een expliciete wettelijke basis is vereist. Precies hetzelfde geldt wanneer men de in hoofdstuk 2 uitgewerkte alternatieve opvatting over de structuur van het goederenrecht volgt. In dat geval kwalificeert ‘eigendom’ niet als een absoluut subjectief recht op een goed, maar is het de aanduiding van het effect van de verkrijging van goederen. Dat effect is absoluut en alomvattend.11 In dat geval brengt het gesloten stelsel van het goederenrecht met zich mee dat op dit gebruikelijke effect van de verkrijging van goederen geen absolute inbreuk kan worden gemaakt, tenzij de wet daar een uitdrukkelijke basis voor biedt, en dan uitsluitend binnen de kaders die de wet voor die uitzondering geeft.12 Ook in dat geval is een voorwaardelijke verkrijging van goederen dus alleen mogelijk wanneer de wet daar een duidelijke grondslag voor biedt. Uit dit alles volgt dat het enkele feit dat artikel 3:38 BW in zijn algemeenheid bepaalt dat ‘rechtshandelingen’ voorwaardelijk kunnen worden verricht nog niet wil zeggen dat iedere vorm van verkrijging voorwaardelijk gemaakt kan worden. Daarvoor is per afzonderlijke vorm van verkrijging een afzonderlijke wettelijke basis vereist.13 Voor de voorwaardelijke erfstelling is die wettelijke basis gelegen in Afdeling 4.5.5 BW. Voor het voorwaardelijke legaat is een dergelijke afzonderlijke wettelijke basis niet nodig. Omdat een legaat als een vorderingsrecht kwalificeert dat recht geeft op levering van een goed of dienst, is de wettelijke basis voor een voorwaardelijk legaat reeds gelegen in artikel 3:84 lid 4 BW. Daar zou in beginsel dus geen afzonderlijke wettelijke basis voor vereist zijn. Toch wordt ook deze mogelijkheid met de bepalingen van Afdeling 4.5.5 BW nog eens bekrachtigd.