De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.5:5 Conclusie
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.5
5 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948025:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
590. In dit hoofdstuk stond de tweetrapsmaking centraal, in verhouding tot de omvang van de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en de verwachter zijn gehuwd. Het accent lag daarbij op de tweetrapserfstelling. Vaak wordt aangenomen dat bij een tweetrapserfstelling de nalatenschap van erflater (minimaal) twee keer achter elkaar openvalt. Wat mij betreft dient deze interpretatie van de tweetrapserfstelling niet gevolgd te worden. Volgt men de alternatieve opvatting over de structuur van het goederenrecht, dan kwalificeert (ook) de voorwaardelijke making als een vorm van meervoudige eigendom (net zoals gemeenschap). Dit betekent dat de nagelaten zaken en vermogensrechten gelijktijdig door zowel de bezwaarde als de verwachter worden verkregen en wel op het moment van overlijden van erflater. Aldus worden de verwachter en de bezwaarde op hetzelfde moment eigenaar van die goederen. Van een opvolging in twee stappen is dus geen sprake. Dit geldt óók naar geldend recht. In dat geval moet worden aangenomen dat beide voorwaardelijk eigenaren reeds vóór de vervulling van de voorwaarde ieder een ‘vol’ recht van eigendom op de voorwaardelijk verkregen goederen hebben, maar het ‘volle’ recht van eigendom van de eigenaar onder opschortende voorwaarde (de verwachter) hangende de voorwaarde alleen nog niet werkt. Ook in dat geval is van het ‘meerdere malen openvallen van de nalatenschap’ géén sprake. Voor de schulden van het tweetrapsvermogen heeft deze ‘één-keer-openvallen-opvatting’ twee belangrijke gevolgen. Ten eerste zullen schulden die niet met de dood van erflater teniet zijn gegaan direct bij zijn overlijden van rechtswege op zowel de bezwaarde als de verwachter overgaan. Dat betekent dat zij beiden voor die schulden aansprakelijk worden, waarbij hangende de voorwaarde het verhaal voor deze schulden jegens de verwachter dan wel is beperkt tot de goederen die tot het tweetrapsvermogen behoren. Het tweede gevolg is dat verwachter na het overlijden van erflater niet meer van rechtswege aansprakelijk kan worden voor schulden die ná zijn overlijden zijn ontstaan. Omdat de overgang van rechtswege reeds bij het overlijden van erflater plaatsvindt, bestaat voor een overgang van rechtswege van schulden die later zijn ontstaan geen rechtsgrond meer. Deze gevolgen zorgen ervoor dat er een nadere categorisering moet plaatsvinden van schulden die tot het tweetrapsvermogen behoren. Het gaat dan om (i) (categorie 1) schulden die bij het overlijden van erflater direct onder algemene titel op zowel de bezwaarde als de verwachter overgaan, (ii) (categorie 2) de overige schulden van artikel 4:7 lid 1 BW, alsmede alle schulden die niet in dat artikel zijn genoemd maar die wel als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ kwalificeren, en (iii) (categorie 3) schulden die niet in artikel 4:7 lid 1 BW zijn genoemd en ook niet kwalificeren als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’, maar waarmee het fideï-commissaire vermogen wel is gebaat en die op grond van de verkeersopvatting dus wel tot het fideï-commissair vermogen gerekend moeten worden
591. Op basis van de hiervóór geschetste werking van het fideï-commis zijn in dit hoofdstuk vervolgens de gevolgen voor de omvang van de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde en verwachter geschetst. Daarbij is geconcludeerd dat wat de activa van het tweetrapsvermogen betreft er in de figuur van het fideï-commis zélf geen belemmering bestaat om deze in de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde te laten vallen, ook niet als het een tweetrapserfstelling met bewaarplicht betreft. Voor wat betreft de positie van de huwelijksgemeenschap van verwachter is geconcludeerd dat slechts éénmaal beoordeeld hoeft te worden of de voorwaardelijk verkregen goederen tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren. Die beoordeling vindt plaats op het moment waarop de insteller komt te overlijden. Treedt later de voorwaarde in waaronder de erfstelling is geschied, dan verkrijgt de verwachter géén nieuwe goederen en hoeft (dus) ook niet opnieuw beoordeeld te worden of deze, alsdan onvoorwaardelijk aan hem toebehorende goederen, wel of niet tot diens huwelijksgemeenschap zijn blijven/gaan behoren. Het intreden van de voorwaarde is voor de werking van boedelmenging dus in het geheel niet relevant. Gaat het om de schulden van het fideï-commissaire vermogen in verhouding tot de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en verwachter zijn gehuwd, dan is relevant in welke categorie van fideï-commissaire schulden deze schuld valt. In dit hoofdstuk is dat voor zowel de bezwaarde als de verwachter nader uitgewerkt, mede aan de hand van het onderscheid tussen aansprakelijkheid, verhaal en draagplicht.
592. In het laatste deel van dit hoofdstuk is ingegaan op de gevolgen van de regeling van zaaksvervanging in het tweetrapsvermogen in verhouding tot de wettelijke gemeenschap van goederen waarin de bezwaarde en verwachter zijn gehuwd. Op grond van artikel 4:138 lid 2 BW geldt de regeling van zaaksvervanging bij vruchtgebruik ook voor vervanging van goederen in het krachtens erfstelling verkregen tweetrapsvermogen. Algemeen wordt aangenomen dat bij toepassing van de regeling van artikel 3:213 lid 1 BW de verhoudingsmaatstaf van artikel 1:95 lid 1 BW analoog toegepast mag worden. Dat betekent dat goederen die in de plaats treden van tweetrapsgoederen waarover bevoegdelijk is beschikt tot het tweetrapsvermogen zullen gaan behoren indien en voor zover bij de verkrijging meer dan de helft van de totaal verschuldigde tegenprestatie ten laste van middelen van het tweetrapsvermogen is gekomen. Betoogd is dat de regeling van zaaksvervanging óók geldt wanneer het vervangende goed een registergoed is. Dat de verhoudingsregel van artikel 1:95 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing is, heeft tot gevolg dat er ten gunste of ten laste van het tweetrapsvermogen ook vergoedingsrechten kunnen ontstaan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW en artikel 1:95 lid 2 BW. Het karakter van die ‘tweetrapsvergoedingsrechten’ wordt daarbij (mede) bepaald door de ontbindende en opschortende voorwaarde die aan de voorwaardelijke erfstelling zijn verbonden, alsmede door de vraag of aan de bezwaarde wel of geen verteringsbevoegdheid is toegekend (en of daar ten aanzien van het vervangende goed gebruik van is gemaakt). Op basis van de hiervoor beschreven uitgangspunten is in dit hoofdstuk vervolgens uitgewerkt welke gevolgen de werking van zaaksvervanging heeft voor de omvang van de wettelijke huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en de verwachter zijn gehuwd.