De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.1:1 Inleiding
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.1
1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948034:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
512. In het vorige hoofdstuk is geschreven over gemeenschappelijke verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift. In dit hoofdstuk staat de tweetrapsmaking centraal, in verhouding tot de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen waarin de bezwaarde en verwachter zijn gehuwd. Daarbij ligt het accent bij de tweetrapserfstelling. In de literatuur bestaat geen eenduidig antwoord op de vraag of en wanneer goederen die krachtens een tweetrapserfstelling zijn verkregen, en datgene wat daarvoor in de plaats kan treden, tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren waarin de (voorwaardelijke) erfgenamen zijn gehuwd. Deze vraag staat dan ook in dit hoofdstuk centraal. Daarbij zal in paragraaf 2 eerst op hoofdlijnen de figuur van de voorwaardelijke making worden geschetst, en dan met name de tweetrapserfstelling als belangrijk(st)e variant daarvan. Daarna zal in paragraaf 3 worden ingegaan op de vraag of goederen die via een tweetrapserfstelling worden verkregen wel of niet in de huwelijksgemeenschap vallen waarin een erfgenaam is gehuwd. Daarbij zal een onderscheid worden gemaakt tussen de positie van de bezwaarde en de positie van de verwachter. Ook de schulden van het tweetrapsvermogen in verhouding tot de omvang van de huwelijksgemeenschap van bezwaarde en verwachter komen in paragraaf 3 aan de orde. Als bij een tweetrapserfstelling aan de bezwaarde vervreemdingsbevoegdheid is toegekend, kan de omvang en samenstelling van het tweetrapsvermogen telkens wijzigen gedurende de periode dat de voorwaarde waaronder de erfstelling is geschied nog niet is ingetreden. De vraag is wat dergelijke wijzigingen tot gevolg hebben voor de omvang van de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en de verwachter (kunnen) zijn gehuwd. Daarbij speelt de regeling van zaaksvervanging van artikel 3:213 lid 1 BW een belangrijke rol. Hierop zal in paragraaf 4 worden ingegaan. Dit hoofdstuk zal worden afgesloten met een conclusie in paragraaf 5.