Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.2.2
2.2 De tweetrapserfstelling
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948035:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 284.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. vi (Voorwoord). Brinkman kiest zelf voor de term ‘fideicommis’. Zie daarentegen L.C.A. Verstappen, Handboek Erfrecht 2020, p. 295, die meent dat de term ‘tweetrapsmaking’ bij het publiek het meest tot de verbeelding lijkt te spreken.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 13.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 46, Asser/Perrick 4 2021/223 en L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 278.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 1, 13, 18 en 46; Asser/Perrick 4 2021/202a; L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 278-279 en S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/43.
Zie M.H.E. Rongen, ‘Beschikken over de eigendomsverwachting bij voorbehouden eigendom’, in: Groninger zekerheid (Reehuis-bundel) 2014, p. 313-314; M.H.E. Rongen, ‘Eigendom onder opschortende voorwaarde: een “schone slaapster”, een vermogensrecht waaronder met werking in faillissement kan worden beschikt’, Ondernemingsrecht 2017/37, par. 3.1; Verheul, Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018, p. 304-305 en 312-314; F.M.J. Verstijlen in zijn noot in NJ onder de uitspraak HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290 en Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties – Overdracht 2019/265-271. Zie tevens A-G Rank-Berenschot onder punt 2.27 van haar conclusie vóór HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046.
515. Voorwaardelijke makingen kunnen onderscheiden worden in een making onder opschortende voorwaarde sec (artikel 4:137 BW), een making onder ontbindende voorwaarde sec (artikel 4:138 lid 3 BW), en de making onder ontbindende voorwaarde gevolgd door een aansluitende erfstelling onder opschortende voorwaarde (artikel 4:141 BW).1 In het laatste geval is sprake van een zogenoemde ‘tweetrapsmaking’, ook wel ‘making over de hand’ of ‘fideï-commissaire making’ genoemd.2 Bij een tweetrapserfstelling wordt de onmiddellijk bij het overlijden van de erflater geroepen erfgenaam – de erfgenaam uit de hand, ook wel ‘de bezwaarde’ genoemd – bij zijn overlijden of een daaraan voorafgaand tijdstip opgevolgd door de erfgenaam over de hand, ook wel ‘de verwachter’ genoemd.3 De bezwaarde is onder ontbindende voorwaarde erfgenaam van de erflater – ook wel ‘de insteller’ genoemd – terwijl de verwachter onder een bij de ontbindende voorwaarde aansluitende opschortende voorwaarde erfgenaam van de insteller is (zie artikel 4:141 BW). Bij een tweetrapserfstelling vindt dus onder ontbindende en onder opschortende voorwaarde rechtsopvolging onder algemene titel (erfopvolging) plaats.4 Wanneer de verwachter in de plaats van de bezwaarde is getreden, kan ook hij bij zijn overlijden, of een daaraan voorafgaand tijdstip, worden opgevolgd door een verwachter, enzovoort, enzovoort.5 In de literatuur gaat men er vaak van uit dat de nalatenschap bij een tweetrapserfstelling meer dan éénmaal openvalt, en de insteller dus kan regelen dat zijn vermogen meerdere keren achter elkaar onder algemene titel overgaat.6 In paragraaf 3.3 zal nader uiteen worden gezet dat dit ‘meerdere keren achter elkaar openvallen’ niet (te) letterlijk genomen dient te worden. In de alternatieve opvatting over de structuur van het goederenrecht brengt de voorwaardelijke verkrijging met zich mee dat alle erfgenamen bij het overlijden van de insteller direct de krachtens voorwaardelijke erfstelling vermaakte goederen als zodanig verkrijgen. Zij worden dus allemaal op hetzelfde moment eigenaar van die goederen. De nalatenschap valt dus maar éénmaal open. De eigenaar onder opschortende voorwaarde (de verwachter) verkrijgt dus niet eerst een andersoortig goederenrechtelijk recht ‘op’ de goederen van de nalatenschap, maar wordt bij het overlijden van erflater meteen eigenaar van alle goederen die voorwaardelijk aan hem zijn nagelaten, net zoals de eigenaar onder ontbindende voorwaarde (de bezwaarde) op dat moment óók eigenaar van die goederen wordt. Datzelfde geldt als men de figuur van de voorwaardelijke eigendom zo typeert dat de eigenaren reeds vóór de vervulling van de voorwaarde ieder een ‘vol’ recht van eigendom op de voorwaardelijk verkregen goederen hebben, maar het ‘volle’ recht van eigendom van de eigenaar onder opschortende voorwaarde hangende de voorwaarde nog niet werkt.7 Ook in dat geval is van het ‘meerdere malen openvallen van de nalatenschap’ in goederenrechtelijke zin geen sprake. In paragraaf 3.3 zal ook hier nog nader op terug worden gekomen.