Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.3.2.5
7.3.2.5 Beroeps- en gedragsregels waaraan advocaten en accountants zijn gebonden
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454258:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In juni 2017 heeft de Commissie Gedragsregels 2017 een voorstel voor herziening van de gedragsregels gepubliceerd, dat door de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten ter consultatie is voorgelegd.
Regel 1 lid 4 voorstel Commissie Gedragsregels 2017.
Vgl. RvD Amsterdam 7 augustus 2013, ECLI:NL:TADRAMS:2013:53.
nba.nl.
Praktijkhandreiking 1112, persoonsgerichte onderzoeken voor Accountants-Administratieconsulenten/registeraccountants, gepubliceerd op nba.nl.
Praktijkhandreiking 1112 nr. 1.
Praktijkhandreiking 1112 nr. 2.1.
In de vierde plaats kunnen onderzoekers gebonden zijn aan op hen rustende beroeps- en gedragsregels. Dit geldt in het bijzonder voor tot onderzoeker benoemde advocaten en accountants. Advocaten worden met grote regelmaat als onderzoeker benoemd. Accountants worden nog maar zelden tot onderzoeker benoemd. Het is echter zinvol om ook naar voor accountants geldende beroeps- en gedragsregels te kijken, omdat die vrij gedetailleerd zijn en als inspiratiebron kunnen dienen voor hetgeen uit het ongeschreven recht voortvloeit.
Voor advocaten zijn de volgende regels relevant. Artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet bepaalt dat de advocaat in de uitoefening van zijn beroep integer is en zich onthoudt van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Overtreding van deze norm is in artikel 46 Advocatenwet tuchtrechtelijk gesanctioneerd. De Gedragsregels voor Advocaten 1992 geven geen specifieke normen die een advocaat/onderzoeker moet naleven.1 Gedragsregel 1 bepaalt dat de advocaat zich zodanig dient te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur of in zijn eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad.2 Uit de toelichting blijkt dat ook niet-beroepsmatige gedragingen van een advocaat diens functioneren kunnen raken. Dat betekent dat de advocaat ook indien hij als onderzoeker optreedt, onderworpen is aan het tuchtrecht. Omdat de advocaat dan echter niet in de hoedanigheid van advocaat optreedt, zal het niet snel voorkomen dat hetgeen hij als onderzoeker doet aanleiding kan geven tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.3
Voor accountants kan worden gewezen op de volgende bepalingen. Artikel 42 Wet op het accountantsberoep bepaalt dat ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep de accountant aan tuchtrechtspraak op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants is onderworpen ter zake van a. enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde, en b. enig ander dan in onderdeel a. bedoeld handelen in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. Op grond van artikel 19 lid 2 Wet op het accountantsberoep is de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) vastgesteld. Artikel 1 VGBA definieert een professionele dienst als werkzaamheden waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt aangewend. Volgens de toelichting moet het begrip ‘professionele dienst’ ruim worden opgevat, in die zin dat hieronder ook werkzaamheden vallen die een accountant als dienst ten behoeve van anderen dan een werkgever of cliënt zou kunnen uitvoeren. Dit betekent dat een accountant die als onderzoeker wordt benoemd, een professionele dienst verricht. Hij wordt dan geacht zijn beroep uit te oefenen en is ter zake aan tuchtrechtspraak onderworpen.4 Kernbepaling van de VGBA is dat de accountant zich houdt aan een vijftal fundamentele beginselen teneinde invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheid als accountant om te handelen in het algemeen belang.5 Die fundamentele beginselen zijn: professionaliteit, integriteit, objectiviteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en vertrouwelijkheid.6 De VGBA voorziet de accountant van een toetsingskader dat hem verplicht omstandigheden te identificeren en te beoordelen die een bedreiging voor de naleving van de fundamentele beginselen kunnen zijn, en dat de handelwijze voorschrijft bij een onderkende bedreiging.
De Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) heeft daarnaast praktijkhandreikingen uitgebracht. Een praktijkhandreiking beoogt accountants nadere aanwijzingen te geven ter zake van een specifiek onderdeel van de uitoefening van het accountantsberoep. Ofschoon de praktijkhandreiking niet de status heeft van beroepsreglementering, moet een accountant die deze aanwijzingen niet toepast, erop voorbereid zijn om uit te leggen hoe niettemin is voldaan aan de verplichtingen, basisprincipes en essentiële werkzaamheden uit wet- en regelgeving, die nader zijn behandeld in de aanwijzingen.7 Voor het onderzoek in de enquêteprocedure is de praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken relevant.8 In deze praktijkhandreiking wordt onder een persoonsgericht onderzoek verstaan de aan een accountant verleende opdracht waarvan het object bestaat uit het functioneren, handelen of nalaten van handelen van een (rechts)persoon, voor de uitvoering waarvan werkzaamheden met een verifiërend karakter worden verricht, onder andere bestaande uit het verzamelen en analyseren van al dan niet financiële gegevens en het rapporteren van de uitkomsten.9 Met deze praktijkhandreiking wordt onder meer beoogd: een positieve bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de dienstverlening bij de uitvoering van een persoonsgericht onderzoek; duidelijkheid te scheppen voor alle bij een persoonsgericht onderzoek betrokken partijen; te bereiken dat de accountant op een adequate wijze rekening houdt met de belangen van een betrokkene; en te voorkomen dat de bij een persoonsgericht onderzoek betrokken partijen onnodig reputatieschade oplopen.10
De kern van de praktijkhandreiking is paragraaf 5, waarin algemene uitgangspunten betreffende de uitvoering van persoonsgerichte onderzoeken zijn geformuleerd. Deze bijna 10 pagina’s tellende paragraaf bevat zes subparagrafen: Algemeen (5.1), Hoor en wederhoor (5.2), Proportionaliteits-, subsidiariteits- en fair play- beginsel (5.3), Interviews (5.4), Bedreigingen en te treffen waarborgen bij de uitvoering van een persoonsgericht onderzoek (5.5) en Voorbeelden van bedreigingen en mogelijke waarborgen (5.6). Interessant is meer in het bijzonder de paragraaf die gaat over hoor en wederhoor. Onder hoor verstaat de praktijkhandreiking het in het kader van een onderzoek aan betrokkene(n) en/of derde(n) mondeling of schriftelijk vragen om informatie, al dan niet aan de hand van overgelegde documenten. Onder wederhoor wordt verstaan het in de gelegenheid stellen van een betrokkene kennis te nemen van en te reageren op de bevindingen uit een op hem betrekking hebbend persoonsgericht onderzoek. Wederhoor heeft twee aspecten. Het eerste is het op grond van het fundamentele beginsel integriteit en objectiviteit op een adequate wijze rekening houden met de belangen van een betrokkene. Het tweede aspect is het invulling geven aan de fundamentele beginselen deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag. Dit betekent, aldus de praktijkhandreiking, dat indien de accountant ook zonder het toepassen van wederhoor op adequate wijze aan de eisen die uit deze fundamentele beginselen voortvloeien kan voldoen, het niet noodzakelijk is wederhoor toe te passen. Wederhoor is dus geen doel of verplichting op zich, maar een dikwijls belangrijke waarborg voor het wegnemen of terugbrengen tot een aanvaardbaar niveau van een bedreiging van niet te verwaarloosbare betekenis voor het naleven van de fundamentele beginselen. De praktijkhandreiking schenkt aandacht aan de zich in de praktijk regelmatig voorkomende situatie dat de accountant heeft beslist dat wederhoor noodzakelijk is, maar de betrokkene hiervoor veel tijd neemt. In een dergelijke situatie zal de accountant de belangen van het onderzoek en van de betrokkene tegen elkaar afwegen. Dit kan ertoe leiden dat de accountant beslist niet te wachten op de uitkomsten van het geplande wederhoor.
Het is niet eenvoudig om aan te geven op welke van de vier soorten (rechts)regels de hierna in § 7.4 te formuleren beginselen van behoorlijk onderzoek zijn terug te voeren. Veel beginselen zullen op meerdere soorten (rechts)regels zijn terug te voeren, vooral op de eerste twee besprokene.